Home

schermafbeelding-2016-09-30-om-14-35-55

 

Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Het was flink fris vanochtend toen we een loopje namen met de honden. Zeg maar gerust koud. Vanuit de rivier steeg een dunne nevel op die de gevoelstemperatuur verder deed dalen. Maar mooi was het wel, met van die beginnende zonnestraaltjes erbij die net over de kam van de rotswand kwamen opdagen. Pas terug in huis voelde je hoe verkleumend zo’n vroege ochtendwandeling is.
“Soep”, zei de echtgenoot dan ook, zich in de handen wrijvend, “doe mij maar soep tussen de middag.”
Soep dus, geen gek idee, maar asjeblieft geen ingewikkelde consommé of uren durende potage. Iets snels en gemakkelijks, ik moet ook gewoon werken. Maar soep uit een zakje of pakje? Nee, dat doen we maar niet.
Het werd onderstaand flitssoepje (nou ja flits…) dat in krap een half uurtje op tafel staat. Het werd de buitentafel; het weer was tegen lunchtijd alweer zodanig opgeknapt dat een frisse salade ook wel had gekund. Maar goed, we hadden soep. Met een puik glas koele rosé erbij óók prima te pruimen in het zonnetje.

Ingrediënten:
2 kipfiletjes
1 ui
1 prei
2 tenen knoflook
300 gram broccoliroosjes
300 gram bloemkoolroosjes
40 gram geraspte Gruyère (of Emmental)
8 dl kippenbouillon (mag van tablet)
½ theelepeltje korianderpoeder
½ theelepeltje gemberpoeder
witte peper, eventueel zout
olijfolie

Bereiding:
Breng de kippenbouillon in een ruime pan aan de kook.
Snij intussen de kipfiletjes in dunne reepjes.
Pel en snipper de ui, pel de knoflooktenen.
Haal kop en kont van de prei, plus het buitenste blad en snij ‘m in ringetjes.
Snij de roosjes van de broccoli en van de bloemkool af en verdeel ze in nog kleinere roosjes. Bewaar de stengels, die kun je later gewoon als groenten koken, zonde om weg te gooien.
Verhit een scheut olijfolie in een koekenpan en bak er de kipsnippers snel in aan; af en toe omroeren zodat ze aan alle kanten bruin worden. Haal ze uit de pan en hou ze apart.
Doe de ui en de prei in het bakvet in de koekenpan en laat ze op laag vuur een minuutje of vijf smoren. Af en toe omroeren, op het laatst de knoflook erboven uitknijpen en de koriander en gember toevoegen.
Gooi de kip, de ui/preiprut en de bloemkool- en broccoliroosjes in de hete bouillon, breng alles weer aan de kook en laat de soep op laag vuur zo’n 15-20 minuten pruttelen, of net zolang tot de roosjes beetgaar zijn.
Strooi er wat witte peper door en eventueel nog wat zout, proef op smaak en verdeel de soep over de borden. Strooi er de geraspte Gruyère (of Emmental) over.
Serveer met stok- of boerenbrood en een lekker glaasje wijn; de kleur zou ik laten afhangen van het weer…

“Uitspugen? Mooi niet!”

do 29 september 2016

8cb22a71-ce24-4ab8-aaf9-238b775231c4

Voor m’n werk kom ik nog wel eens ergens. Op een gerenommeerd wijnchâteau bijvoorbeeld, wegens een proeverij, zo halverwege de ochtend. De echtgenoot ging mee, als chauffeur; je weet maar nooit of je ergens op de terugweg een blaaskapel van de gendarmerie tegenkomt. En leg dan maar eens uit dat je ‘heus, echt!’ alleen geproefd hebt.
Het château was indrukwekkend, groot, geheel in Provençaalse stijl en met een eindeloze oprijlaan afgezoomd door eerbiedwaardige platanen. We werden allerhartelijkst ontvangen en meegevoerd naar de cave, die zo mogelijk nog indrukwekkender was. Rijen fusten en oxhoofden tot in het diepst van de gewelfde kelders, de onmiskenbare geur van rijpende wijnen en een uitnodigende proeftafel waarop al een batterij aan veelbelovende flessen rosé stond opgesteld. Met een kluitje verwachtingsvolle proefgenoten ernaast.
“We beginnen met (de keldermeester hield de fles omhoog zodat iedereen ‘m goed kon zien) de ‘cuvée simple 2015’, een lichte, bleekrose rosé met een fruitige afdronk en iets van citrus en pamplemousse.” Het klonk tamelijk verveeld. Hij had dit duidelijk al vele malen eerder gedaan.
“Het instappertje”, fluisterde ik achter de hand tegen de echtgenoot.
Hij knikte begrijpend, greep het proefglas gretig aan, hield er voor de vorm even zijn neus boven en goot het vervolgens in één teug achterover.
Ik keek even dwingend opzij, hij bestudeerde het plafond.
De rest van het gezelschap liet de wijn in het glas ronddansen, snoof er eens aan, nipte ervan, en verloor zich in uitbundige beschrijvingen van het genotene nadat het door de mond gewalste slokje in een van de daartoe bestemde emmers was uitgespuugd. Hier was duidelijk een kennerscompetitie aan de gang.
Nadat men zo’n beetje was uitgepalaverd, kwam de volgende fles aan bod, een stapje hoger in de rangorde van het château en dus met iets meer enthousiasme door de keldermeester gepresenteerd. Weer kreeg iedereen een glas, het ritueel herhaalde zich. De echtgenoot bestudeerde na een snelle slok intussen de fusten in de buurt van de proeftafel.
Het derde glas kwam, weer een stapje hoger op de châteauladder en – het moet gezegd – aanzienlijk lekkerder dan de eerste twee.
“Mwah, niet verkeerd”, zei de echtgenoot en bekeek zijn lege glas, “wel weer een miezerig bodempje…”
“Jezus man, ’t is een proeverij! Tuurlijk krijg je een bodempje, er komt nog veel meer!”
Hij knikte begripvol: “Weet ik ook wel, maar ’t is al bijna l’heure de l’apéro, dus ze mogen best een beetje doortappen.”
Daar had hij een punt. In dit tempo zouden we zelfs de lunch niet meer halen.
Er kwam een volgend glas; we raakten nu aan de betere rosé’s en dat stemde zowel de echtgenoot als de keldermeester mild. Die had ons al een tijdje in de smiezen, waarschijnlijk vooral omdat de echtgenoot tot op heden geen gebruik had gemaakt van de her en der opgestelde kwispedoors.
“Ça va?” vroeg hij niet onvriendelijk, kennelijk om een praatje verlegen dat hem voor enige ogenblikken van de proefkolonne aan het andere eind van de tafel zou verlossen.
“Impec”, zei de echtgenoot, en keek met een schuin oog naar zijn lege glas.
“ U spuugt niets uit”, zei de keldermeester met onderdrukte verwondering.
“Tuurlijk niet!” zei de echtgenoot, “daar is uw verrukkelijke wijn veel te goed voor.”
“Maar dan wil ik u ècht iets laten proeven!” glunderde de keldermeester van oor tot oor. Hij snelde weg en kwam terug met een fles die hij met zijn ferme postuur afschermde voor de rest van de proeftafel. “De top”, fluisterde hij, “nieuw procedé, cépage unique, 100% rolle.”
“Wat? Maar da’s wit! Van één druivensoort nog wel!” riep ik verbaasd.
“Ssssttttt!” siste de keldermeester, “nog niet op de markt, maar het wordt een hit, geloof mij maar.” Hij schonk ons een royaal glas in van een goudgele substantie die als olijfolie aan het glas bleef hangen en die boterbloempjes, grapefruit, kruisbessen, kreupelhout, vers gemaaid gras, vroegrijpe kersen en nog meer van die kennerstermen aan elkaar wist te knopen tot een hemelse nectar waarvan je zeker wist dat je die nooit zou kunnen betalen.
“Alsof er een engeltje over je tong piest”, zei ik spontaan tegen de echtgenoot.
De keldermeester keek me niet begrijpend aan. Ik vertaalde het: “comme une ange te pisse sur la langue”.
“Quoi? Zeggen jullie dat echt?” Hij glimlachte vergenoegd. En schonk nog eens bij. Ik zag hem voor het eerst die ochtend z’n glas ad fundum ledigen. Het werd en geanimeerd gesprek, over oogstmethodes, assemblages, oude Provençaalse druivenrassen en het bijzondere van zo’n cépage unique. Tot hij zich realiseerde dat hij die andere schaapjes nog onder de hoede had. Hij ging ze voor naar de boutique waar ze hun geproefde flesjes konden aanschaffen. We maakten van de gelegenheid gebruik om onze snor te drukken.
Die van de echtgenoot krulde me net iets teveel, nadat hij een paar prettige flesjes in de achterbak had gedeponeerd.
Tegen ‘ik rij wel’ had hij dan ook in het geheel geen bewaar.
Tegen de lunch met zo’n prettig flesje erbij evenmin.
La vie est dure en Provence.

schermafbeelding-2016-09-22-om-16-18-36

 

Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Herfst dus. Dat is ook al wel te merken aan de bruinende blaadjes, al doet het warme, droge weer nog steeds alsof het zomer is. Maar intussen snakt het bos naar water, staat de rivier op z’n laagste punt in jaren en stoft het paadje er naartoe in kurkdroge wolken omhoog. Heerlijk, zo’n lange ‘été indien’, maar dit was nou ook weer niet de bedoeling. Al helemaal niet als je van bospaddenstoelen houdt, want die zijn er niet. In het café wordt hevig geklaagd. Op de vertrouwde – vanzelfsprekend angstvallig geheim gehouden – plekjes staat slechts verdroogd gras. Het paddenstoelenprobleem is zelfs zo groot dat ’t het landelijk journaal haalde. De kans dat er dit seizoen nog iets boven de grond uit piept lijkt minimaal. Tja, en als iets er niet is, wil je het natuurlijk júist eten. In het café vliegen de recepten je om de oren, de een nog lekkerder dan de ander, in elk geval in de waarneming van de smulpaap die zijn eigen bereidingswijze (nou ja, die van z’n vrouw) in geuren en kleuren uit de doeken doet. En die natuurlijk vol vuur wordt tegengesproken door minstens drie anderen met veel betere recepten. Om de een of andere reden zijn het altijd de bejaarde pastisdrinkers die vol vuur aan receptuur doen. Ik heb me nog niet in de discussie durven mengen, nog te vers in het dorp, maar ik luister natuurlijk wel. En dan hoor je dat wildbraad met ‘cèpes’ (eekhoorntjesbrood) veruit favoriet is, met als goede tweede pasta met ‘trompettes de la mort’ (hoorntjes des overvloeds) en flink veel olijfolie. Maar ja, die zijn er niet. Gelukkig hadden ze op de ‘marché paysan’ wel kastanjechampignons, al heb ik zo’n donkerbruin vermoeden dat die echt niet hier uit het bos komen maar gewoon gekweekt zijn.
Werd het toch nog een lekker herfstig hapje. Buiten op het terras, dat wel. Maar daar kan een mens mee leven.

Ingrediënten:
350 gram pasta naar keuze
250 gram (kastanje)champignons
200 gram roquefort
10 cl crème fraîche
1 uitje
2 teentjes knoflook
paar takjes peterselie
handje walnoten
1 afgestreken theelepel gedroogde rozemarijn
peper uit de molen
olijfolie

Bereiding:
Pel en snipper het uitje, pel de knoflooktenen en snij ze fijn.
Snij de harde voetjes van de champignons, veeg eventuele aarde eraf (spoel ze af als de aarde hardnekkig is) en snij ze in plakjes.
Snipper de peterselie fijn.
Hak de walnoten grof.
Brokkel de roquefort in stukjes.
Ze de pasta op in ruim kokend water met een flinke scheut olijfolie erin en kook ze beetgaar.
Gebruik de kooktijd om intussen een scheut olijfolie in een koekenpan te verhitten en daar het uitje in aan te fruiten. Doe er vervolgens de paddenstoelen bij en de knoflook, en laat een minuutje of drie onder voortdurend omscheppen bakken.
Draai het vuur laag en voeg de peterselie, de crème fraîche, de walnoten, de rozemarijn en pas op het laatst de roquefort toe. Geef een paar draaien aan de pepermolen en schep alles op laag vuur voorzichtig door elkaar. Draai het vuur uit.
Doe de beetgare pasta over in een vergiet en schudt het water er goed uit. Niet (!) afblussen onder de koude kraan, maar meteen terug in de pan doen en de saus er doorheen scheppen.
Verdeel de pasta over de borden en geef er wat brood bij om te soppen, en een licht gekoeld glaasje fruitig rood. Plus een lekker trosje druiven toe.

De motorclub

wo 21 september 2016

schermafbeelding-2016-09-21-om-17-59-51

Hier ergens in de buurt woont een kampioen trialrijden. Met name op zondagochtend is dat te merken, dan gaat ie op de smalle bergpaadjes aan de overkant van de rivier oefenen, liefst met een paar maten. Veel ‘vroemvroem’, afgewisseld met ‘sputtersputter’ en luidkeelse aanmoedigingen; hij neemt zijn sport zéér serieus. Bon, moet kunnen. En als de wind de andere kant op staat heb je er weinig last van. In het café zijn we hem nog niet tegengekomen, daar zie je vooral recreatiewielrenners met een uit de naastgelegen fontein volgetapte bidon (‘eau non-potable’, maar goed), een stokbroodje van de bakker aan de overkant en een excuus-kopje koffie ernaast. Motorvolk dat langs komt – veelal van de categorie loodzwaar en bloedserieus, zowel de motoren als de berijders trouwens – legt zelden aan. We keken dan ook nogal verbaasd op toen er een hele club tegelijk ontspannen het terras kwam opgewandeld. Ze bestelden bier en verloren zich in een levendige discussie over wat ze die dag al aan markante ervaringen en repeterende pech hadden gedeeld. Dat was nogal wat. Ik bekeek ze eens wat beter, ze zagen er op z’n minst een pietsie gedateerd uit. Zeg maar heren op leeftijd in veelgebruikte motorkloffies die beslist niet aan de laatste mode- en veiligheidsnormen voldeden. Gold trouwens ook voor de helmen: model Charles Lindbergh, Snoopy versus The Red Baron, Saint Exupéry, die kant uit. Terwijl ze daar zo gezellig zaten te keuvelen kwamen er met enige regelmaat motoren uit de eerder genoemde categorie voorbij. Er werd niet op of omgekeken, geen belangstelling. En dat was op z’n minst raar. Naar mijn ervaring hebben motorrijders de neiging elkaar met opgestoken hand gedag te zeggen als ze elkaar tegenkomen. En onderling hun megamotoren te bewonderen. De enige keer dat het clubje gezamenlijk opkeek was toen de serveerster de weg overstak met een tweede ronde bier en bijna door zo’n glimmende kolos van de sokken werd gereden. Iedereen was opgelucht dat ze heelhuids de overkant haalde zonder dat zelfs maar het bier over de randen was geklotst; het is een hele geroutineerde serveerster. Met een innemende glimlach plaatste ze de glazen op het tafeltje en kreeg er een verbaal schouderklopje voor.
Niet veel later sprong de hele club ineens overeind toen er een witte bestelbus langskwam. Druk gebarend maanden ze hem tot stoppen. Hij had het gesnapt en ging een parkeerplek zoeken. Na verloop van tijd – voor een parkeerplek moet je hier goed zoeken – kwam hij terug in gezelschap van z’n bijrijder. Die meteen bij aankomst hartelijk werd uitgelachen. Het bleek geen bijrijder, het was de pechvogel van de dag. Ergens halverwege het traject had zijn motor er de brui aan gegeven. Een noodreparatie (of twee, drie) had niet geholpen en dus was hij met motor en al door de bezembestelbus opgeveegd.
Niet aardig, dacht ik eerst, om je motormaat zomaar uit te lachen, je had hem ook verder kunnen helpen. Nou, nee dus. De motoren waarop het gezelschap rondreed stamden allemaal zo’n beetje uit het begin van het gemotoriseerde tijdperk. Het ene antieke ‘koffiemolentje’ nóg excentrieker dan het andere. Reserve-onderdelen? Zelf maken, wegens niet meer aan te komen. Pech? Verhelpen met ducktape, een ijzerdraadje, een fietsbandenplakkertje of iets anders onbeholpens. En nee, geen twee motoren gelijk, dus onderdelen onderling niet uitwisselbaar. Maar uit de luidkeels gevoerde conversatie bleek dat ze er juist daarom de grootste lol in hadden. Tuurlijk was het de bedoeling om heelhuids thuis te komen maar pech onderweg was onderdeel van het plezier, net als geradbraakt op een caféterras bijkomen van een onmogelijke tocht over stuiterpaadjes met een vrijwel ongeveerd vervoermiddel.
Toen ze een tijdje later opstapten ben ik ze achterna gelopen. Ik wilde in elk geval even zien op wat voor wonderlijke machines ze hun traject gingen vervolgen. Ze waren nog mooier dan gedacht. En verdomd, de een na de ander sloeg gewoon aan na een aantal keren trappen. Ik keek ze na terwijl ze de straat uitsputterden, pure nostalgie op wielen.
Op weg naar huis kwamen we ze nog een keertje tegen. Op een mooi stukje land langs de kant van de weg, aan een lange, rijk gedekte tafel met flessen wijn van ‘onze’ cave in de hoofdrol. De motoren netjes op de staanders even verderop in het gras geparkeerd.
“Dat wordt dus voor allemaal de bezemwagen”, grijnsde de echtgenoot.
Ik denk niet dat ze daar echt mee zaten.

Recept van de week: Baba au rhum

vr 16 september 2016

schermafbeelding-2016-09-16-om-16-07-16
Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Waarschijnlijk keek hij een beetje beteuterd op zijn bordje. De koning van Polen Stanislas Leszczynski (1677-1766), tevens de schoonvader van de Franse vorst Louis XV, had zojuist tijdens een banket te Nancy zijn dessert voor z’n neus gekregen. Een dessert dat hij kende uit zijn jeugd en dat hij zijn meegebrachte koks graag liet klaarmaken: kougelhopf, een soort smeuïge cake die lekker plakte aan je verhemelte en die je heerlijk smakkend kon wegzuigen. Maar deze ‘hopf’ was wel erg droog uitgevallen. Leszczynski liet met een vingerknip een fles rum aanrukken, overgoot er zijn cake mee en liet z’n dessert door de livreier van dienst in de fik steken, oftewel flamberen. De ‘baba au rhum’ was geboren, al moest ie nog wel een naam krijgen. Er wordt gefluisterd dat de koning het gebak wel wat aan de uitgezakte voorgevel van een oude matronne (baba op z’n Pools) deed denken en dat daar de naam vandaan komt. Maar ook gaat het verhaal dat Leszczynski dol was op de sprookjes van ‘Duizend en een nacht’ en dat hij het toetje naar (Ali) Baba noemde. Er wordt wel meer verteld.
Feit is dat de Parijse patissier Nicolas Strohrer – een afstammeling van de chef-patissier van de Poolse koning – er in 1835 mee aan de haal gaat en er een flinke reputatie mee vestigt. Ook een feit is dat de baba au rhum een populair Napolitaans nagerecht is, maar dat die er limoncello overheen gieten in plaats van rhum. Ik vind beide varianten eigenlijk wel lekker, dus ik eet regelmatig van twee walletjes. De rhum of limoncello wordt er trouwens allang niet meer puur overheen gegoten, maar als siroop (zie recept), dus te flamberen valt er niks meer. En ik versier m’n baba met van alles en nog wat. Variërend van een toefje slagroom en een handje seizoenfruit tot en met een bolletje ijs naar keuze of een huisgemaakt mopje nougat glacé. Kortom, voor mij is een baba au rhum een zompig lik-je-vingers-af basiscaketje om eindeloos mee te klooien. Met dank aan Stanislas.

Inrediënten:

Voor de baba:
150 gram bloem
3 eieren
90 gram kristalsuiker
3 eetlepels melk
70 gramboter (plus een klontje voor het invetten van de vorm)
1 zakje levure chimique (bakpoeder)
snufje zout

Voor de siroop:
25 cl water
120 gram rietsuiker (mag ook bruine suiker zijn)
1 zakje vanillesuiker
4 eetlepels bruine rhum (of limoncello)

Bereiding:
Van de baba:
Scheidt de eieren.
Mix de eierdooiers met de kristalsuiker en een snufje zout tot het een mooie egale crème vormt.
Mix er de boter (op kamertemperatuur en in blokjes) bij, en daarna beetje bij beetje de melk. Voeg beetje bij beetje – al mixend – de bloem toe, plus het bakpoeder.
Verwarm de oven voor op 180 graden.
Klop de eiwitten stijf en spatel ze voorzichtig door het beslag.
Beboter een bakvorm (of kleine vormpjes) en doe het beslag erin over.
Zet de vorm(pjes) in het midden van de voorverwarmde oven en laat een half uurtje garen. Laat afkoelen en haal uit de vorm.

Maak intussen de siroop:
Breng het water in een pannetje aan de kook, doe er de rietsuiker en de vanillesuiker bij en laat op laag vuur doorkoken tot alles gesmolten is. Haal het pannetje van het vuur, laat afkoelen en doe er dan pas de rhum of de limoncello bij; zo blijft het stroperig.

Verdeel de baba over de borden, giet er de siroop overheen en versier naar eigen idee. Geef er vooral een lekker glaasje bij. Ik hou het zelf op een kelkje longo maï, een semi-zoete bio-wijn met een vleugje basilicum, bedacht door Nicolas Rutard, chefkok van het befaamde restaurant/hotel Hélios op het eiland Embiez, eigendom van Paul Ricard. Precies, die van de pastis.

Pokéhond

do 15 september 2016

schermafbeelding-2016-09-15-om-17-13-21

 

Er is iets raars met Fabius. Nee, niet de politicus die president is van de Franse Raad van State, maar onze hond. Sinds een paar weken heeft ie ineens buitengewone belangstelling voor de luchtroostertjes tussen de ‘cave’ onder het huis en ons beganegrondse woongedeelte. Het zijn er zo’n stuk of zes, verdeeld over het hele woonoppervlak, en hij heeft het er danig druk mee. Hij slaapt er naast – nou ja, hij kiest er eentje uit om naast in te dommelen – en rept zich overdag met snuffend neusgewriemel van het ene naar het andere roostertje. ’s Nachts ook trouwens, maar dan blaffen we hem vanuit de slaapkamer naar z’n mand. Een ommetje buiten eindigt steevast in een spurt naar het dichtstbijzijnde roostertje: ff checken. “Ze zijn net weg”, roepen we dan. Maar ja, wát ie checkt, geen idee.
We zijn (jawel, ook met hem) naar de cave afgedaald om uit te vinden wat zijn buitengewone belangstelling opwekt. Maar eenmaal beneden is die belangstelling volledig weg, hij kijkt ons een beetje onnozel aan en wil maar één ding: terug naar z’n roostertjes. En eenmaal terug, begint het hele gedoe opnieuw.
‘Loirs’, dachten we in het begin, ’t is tenslotte een soort van jachthond en die relmuizen rennen in en om het huis, en met name tussen de dakspanten van ons onder de nok gelegen kantoor door. Maar meneer toont geen enkele belangstelling als hij eens een dutje naast een bureau doet. En zodra hij wakker schrikt rent hij de trap af om z’n roostertjes te checken. Het buitenleven heeft elke aantrekkingskracht voor hem verloren. Behalve dan dat hij de ‘serieuze’ jachthonden nu het seizoen weer is begonnen, graag uitbundig uitblaft. Mét toestemming trouwens. Ook vanmorgen rond een uurtje of half zes, toen er weer een knallende en schreeuwende moordbrigade met een blooddorstige meute gilhonden langstrok, mochten Fabius en z’n huisvriendinnetje Porta die hele bende van harte afblaffen. Wakker waren we toch al.
Soms blijft er na zo’n jachtsessie een verdwaalde hond achter. Die hoor je dan door de bossen rond het huis scharrelen, de meeste jachthonden krijgen van hun baas een irritant belletje omgebonden. Niet zozeer om te weten waar ie uithangt, maar om het wild op te drijven tot pal voor de lopen van de jagers. Onze honden worden daar terecht razend van en zouden er het liefst achteraan jagen, maar dat doen we maar niet. Dus beperken ze zich tot het erf schoon blaffen en wat spierballengegrom vanachter het hek. Maar sinds Fabius zijn roostertjes heeft ontdekt heeft ie hooguit nog een flauwe blaf vanuit de deuropening over voor zo’n verdwaalde indringer. Daarna haast hij zich weer terug naar een van zijn waakposten.
“Hij speelt Pokémon Go”, grapte de echtgenoot.
“Ja vast! En dan is ie zeker op zoek naar een zeldzame Mewtwo, Moltres en Blastoise. Of misschien wel naar een legendarische Moltres, Zapdos of Articuno.”
“Een wat?” vroeg hij verbaasd.
Ik had ook geen idee, maar ik had er toevallig net een artikel in NRC over gelezen, dus het leek me wel een snedig antwoord. “Figuurtjes”, mompelde ik, om er maar vanaf te zijn.
“Heb je daar niet een mobieltje voor nodig?” vroeg de echtgenoot gevat.
“Ja, en vingertjes. Maarreh, het is etenstijd. Zullen we onze Pokéhond maar eens een volle bak bezorgen?” Want als er één ding is waar Fabius nog meer belangstelling voor heeft dan voor zijn roostertjes, dan is het eten.
Terwijl de ‘maag op poten’ zijn maaltijd naar binnen schrokte onderwierp ik de roostertjes nog maar weer eens aan een inspectie. Niks te zien, niks te horen.
Goeie kans dat er inderdaad Pokémons zitten. En dat honden helemaal geen mobieltje nodig hebben om ze te vinden. Maar ja, vangen hè. Da’s lastig met zo’n roostertje ertussen. Fabius zal nog wel een tijdje ‘in de ban van’ blijven. Al las ik ook dat de hype inmiddels over is. Kunnen we over een tijdje misschien weer een gewone hond rond zien dartelen.

schermafbeelding-2016-09-09-om-17-59-23

 

Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Heet, droog, en dat al weken achter elkaar. We kunnen zo langzamerhand wel gaan spreken van een ‘été indien’, want er lijkt weinig kans op een regendrupje of lagere temperaturen de komende tijd. Dat ‘été indien’ is eigenlijk een beetje rare term voor een Franse nazomer. ’t Is de letterlijke vertaling van ‘Indian summer’ en er zijn vele verklaringen over de oorsprong ervan, maar de meest gangbare is dat het afkomstig is van de eerste kolonisten in het Wilde Westen. Die zagen na een lange hete zomer de winter graag komen, dan bleven de Indianen tenminste een tijdje weg en werden ze niet meer bedreigd en geplunderd. Maar bij aanhoudend mooi weer kwamen die juist nóg een keertje langs. En nee, dat heeft helemaal niets met Frankrijk te maken dus die ‘été indien’ slaat eigenlijk nergens op. In het Nederlands heet zo’n mooie nazomer in de volksmond overigens gewoon ‘oudewijvenzomer’, maar oorspronkelijk komt het begrip uit de Noordse of Germaanse mythologie, waarin noodlotsgodinnen de menselijke levensdraden uitsponnen. Al wordt er ook verteld dat het gaat om een vrouwelijke watergeest met lange witte haren. Of om oude breiende vrouwen en veldspinnen die bij rustig nazomerweer lange draden spinnen. En volgens de definitie van de Dikke Van Dale gaat het gewoon om ‘een ‘nazomer (sept, okt) met mooi hogedrukweer waarin de tuin- en veldspin draden spinnen die door de lucht zweven en in het gezicht voelbaar zijn’.
Hoe dan ook, zo’n warme nazomer nodigt niet echt uit om lang in de keuken te gaan staan. Doen we ook niet. Met dit tonijnprutje zit je zo weer op het terras van een lekker hapje en een glaasje frisse rosé te genieten.

Ingrediënten:
4 grote aardappelen
2 blikjes tonijn op olijfolie (160 gram elk)
120 gram groene olijven (ontpit)
60 gram kappertjes op azijn
3 ansjovisfiles op zout
3 tenen knoflook
1 bosje peterselie
wijnazijn
mayonaise
zwarte peper uit de molen
wat blaadjes sla

Bereiding:
Schil de aardappels en kook ze gaar, giet ze af, maar laat ze in de pan zitten.
Pel intussen de knoflooktenen, hak de peterselie grof, snij de ansjovis in stukjes.
Laat de olijven de kappertjes uitlekken in een zeef.
Open de blikjes tonijn, giet van eentje de olie af.
Knijp de knoflook uit boven de hete aardappels en prak ze erdoor met een stamper.
Doe de peterselie, de olijven de kappertjes, de ansjovis, plus de blikjes tonijn (waarvan eentje dus mét olie en al) in de keukenmachine, prak de tonijn even los. Vermaal alles tot een smeuïge massa, dat kan wel een paar minuten duren; af en toe even stoppen en de boel naar beneden vorken helpt.
Doe de tonijnprut bij de aardappels, samen met een flinke scheut wijnazijn, een dikke klodder mayonaise en flink wat versgemalen zwarte peper, en meng alles goed door elkaar. Blijft de massa te droog, dan nog wat extra mayonaise toevoegen. (Het recept voor mayonaise staat hieronder, maar die mag ook gewoon uit een knijpfles of pot komen hoor.)
Leg wat blaadjes sla op de borden, verdeel de prut erover en geef er stokbrood en een glaasje rosé bij.

Mayonaise:
Ingrediënten:
2 eierdooiers
circa 1 glaasje olijfolie
1 theelepel mosterd
1 eetlepel wijnazijn
fijn zout en peper

Bereiding :
Zorg dat alle ingrediënten op kamertemperatuur zijn. Breek en scheidt de eieren, doe de dooiers in een (niet te grote) kom, doe er de mosterd, wat zout en wat peper bij en roer even voorzichtig door elkaar, en zet er dan de mixer op. Kluts alles stevig door elkaar, en voeg scheutje voor scheutje en in een dun straaltje de olie toe. Blijven kloppen tot de olie volledig is opgenomen vóórdat het volgende scheutje wordt toegevoegd. Na verloop van tijd ontstaat er een dikke mayonaise. Dik genoeg? Dan stoppen met olie toevoegen. Op het laatst druppel voor druppel wat azijn bijmengen, en eventueel wat extra peper en zout naar smaak. De mayonaise kan 1-2 dagen in de koelkast bewaard worden.