Home

schermafbeelding-2016-11-25-om-17-05-06

 

Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Ik weet niet wat het is, maar van het druistige weer van de afgelopen dagen krijg ik zo langzamerhand een ontstuitbare heimwee naar Ierland. Hoewel ik uiteindelijk in Frankrijk verzeild ben geraakt, koester ik toch ook nog steeds warme gevoelens voor het land van de eeuwige regen.
De Connemara, ik logeerde er ooit tijdens een kansloze herfstvakantie in een onooglijk hotelletje aan de kust, waar ik ’s ochtends bij het ontbijt kippers, ‘beans on toast’ en andere smerigheid at. En vervolgens een regenjas, kaplaarzen en de honden van de eigenaar meekreeg voor een lange wandeling door de schitterende heuvels. Strand was er niet, wel steil in zee stortende kliffen. Ook mooi.
In het nabij gelegen gehucht regeerden de koeien. Die hadden sappige, grazige weiden in overvloed, maar vonden het ‘gezelliger’ om bijeen te klonteren op het dorpspleintje zodat er geen auto meer langs kon. Ook voor getoeter weken ze geen millimeter; pas als je uitstapte en ze een tik op de kont gaf waren ze bereid een stukje op de schuiven. ‘s Avonds zat je in de gelagkamer van het hotelletje weg te stikken bij het turfvuur in de open haard die niet wilde trekken.
En het was geweldig! Vooral omdat ik daar voor het eerst een echte Tullamore Dew proefde. Nadat ik als een verzopen kat vanwege een eigenlijk wel te verwachten hoosbui binnenkwam.
“Get yerself dry lassie” (ga je afdrogen meissie), gebood de waard me naar m’n logeervertrek. Toen ik droog de gelagkamer weer betrad deed de open haard het zowaar, en kreeg ik dat magische glas amberkleurig vocht in handen gedrukt dat net zo rokerig smaakte als de turf die in de haard geurde. Triple distilled, triple blended. Voorgoed verkocht!
En dat godennat giet je dan zomaar in een sausje? Yep. Want het geeft er nou net dat heel speciale heimweesmaakje aan dat me weer even naar dat herfstige Ierland van toen verplaatst.

Ingrediënten:
4 biefstukjes
20 cl Ierse whiskey (jawel, met een ‘e’)
16 verse of gedroogde vijgen
40 gram boter
olijfolie
2 tenen knoflook
150 gram vijgenjam
4 takjes verse rozemarijn
zout en zwarte peper uit de molen

Bereiding:
Verhit de whiskey in een ruime pan tegen het kookpunt aan. Draai het gas uit en laat de in tweeën gesneden vijgen er een uurtje in weken. Dat weken is niet echt noodzakelijk als ze vers zijn, maar ze worden er wel heel lekker van.
Verwarm de oven voor op 160 °C.
Pel de knoflooktenen, rits de naaldjes van de rozemarijntakjes.
Verhit de boter samen met een flinke scheut olijfolie in een ruime koekenpan en bak de biefstukjes erin aan, draai het vuur halfhoog en laat ze zo gaar worden als je lekker vindt (klik hier voor een instructiefilmpje). Haal ze uit de pan, bestrooi ze met zout en peper en zet ze weg.
Knijp de knoflooktenen uit boven de koekenpan, roer de knoflookpulp met de aanbaksels in de pan op laag vuur los met de whiskey waarin de vijgen hebben geweekt, voeg de vijgenjam en de rozemarijnnaaldjes toe en roer tot een dikke saus (eventueel wat laten inkoken of binden met een beetje maïzena). Leg de biefstukjes in een beboterde vuurvaste schotel, bedek ze met de saus en leg de geweekte vijgen ertussen. Laat ze 10 minuten in de voorverwarmde oven sudderen. Verdeel de biefjes over de borden, garneer ze met de vijgen en geef de saus er apart bij, zodat iedereen zich ruimhartig kan bedienen.

Wonen aan het water

november 24, 2016

unknown
Het was even droog, we wandelden net voor de duisternis inviel met de honden naar de rivier om te kijken hoe groot de schade was die we al vanuit huis dachten te zien. Groot! Minstens vier woudreuzen uit de tegenoverliggende oever gespoeld en dwars over het woest kolkende water heen tegen ‘onze’ oever gekwakt. Zo een dam vormend waarachter zich al flink wat drijfhout en ander ongemak begon op te stapelen. “Foute boel”, constateerde de echtgenoot overbodig. Het terrein aan de overkant van de rivier is al jaren onbeheerd, sinds er bij de watersnoodramp van 2010 een complete natuurcamping werd weggespoeld en de vergunning ingetrokken. Ik weet dat de kroegbazin op het dorp die camping toen graag had overgenomen, maar dat bleek kansloos; de gemeente nam geen risico meer met zo’n ‘zône inondable’. Dus staat ze nog steeds achter de tap. En ligt dat terrein – even afgezien van twee achtergebleven caravanwrakken en een langs de oever gestrande koelkast – braak. Er is wel een eigenaar, maar die trekt een lange neus tegen elk bevel van gemeentewege om zijn terrein te onderhouden. “Jullie mijn vergunning en m’n broodwinning afpakken? Dan is ook dat terrein jullie verantwoordelijkheid. Hou het lekker zelf maar bij.” Tot nu toe week de gemeente geen duimbreed, maar híj ook niet.
“Het is een gek”, weet de buurman van een eind verderop, indachtig de bijna-bosbrand die ‘die gek’ veroorzaakte toen hij ineens wel weer tuinafval ging verbranden op het allerdroogst van de zomer. Het is dat de pompiers er zo snel bij waren, maar ons vluchtkoffertje was al gepakt en de honden zaten al in de auto.
Intussen stijgt het water achter de bomendam, loost de rivier in hoog tempo op de aan de toenmalige overstroming overgehouden plas (die we de paddenpoel zijn gaan noemen) ernaast en verandert de vlakte onderaan onze heuvel in een angstaanjagend binnenmeer. Volgens Météo France zou het ergste noodgehoos tegen morgenochtend over moeten zijn, maar die zitten er wel vaker naast. We waren nog niet binnen van het hondenloopje of het viel alweer met bakken uit de hemel. Ik bedoel maar.
De verre buurman gaat morgen met de burgemeester praten; hij kent hem goed, verzekerde hij ons. Maar of het wat uithaalt? Voorlopig is het in elk geval onmogelijk om met zwaar materieel bij de rivier te komen om die bomen weg te hijsen, alles zakt meteen de zompige grond in.
Nee, we zullen wel niet wegspoelen, daarvoor ligt het huis godzijdank te hoog op de heuvel. Maar voorlopig wonen we wel een tijdje aan het water.

Jawel. De cadeautjesdagen komen er weer aan.
En als er nou eens iéts een warmwinterpresentje met een zonnige inhoud is…
Ik wil maar zeggen, geef gewoon een hartverwarmend stukje Zuid-Frankrijk cadeau in plaats van saaie sokken of een complex computerspelletje.
Even lekker relaxen voor de haard, op de bank of languit in bed met
onbekommerde anekdotes uit de Provence.
En dat voor slechts € 16,95. Bij bol.com, Ako, Bruna, in uw lokale boekhandel, maar ook direct hieronder te bestellen
(ook verzending naar Frankrijk):

2-boekjes-schermafbeelding-2016-11-21-om-15-04-59

Bestel nu                  Bestel nu

 

 

schermafbeelding-2016-11-18-om-19-28-08

 

Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

“Een rosé en een witte”, zei ik gewoontegetrouw tegen de kroegbaas, die de honneurs waarnam terwijl de kroegbazin bij de tabac aan de overkant van het dorpspleintje de wekelijkse rookwaar aankocht voor de dagen dat de tabac gesloten en de kroeg open was. Mag officieel niet, maar daar zal je hier niemand over horen; je zult maar helemaal naar de stad moeten. Bovendien zit een beetje Provençaal de anarchie nou eenmaal in het bloed, dus elke wet die een tikkie te torpederen valt, wordt hier met graagte overtreden. De immer lantefanterig aanwezige champêtre keek somber en nadrukkelijk de andere kant uit terwijl Jeanne-Marie met dampertjes beladen de oversteek terug maakte.
“Geen primeur?” vroeg de kroegbaas intussen, terwijl hij een fles beaujolais nouveau uitnodigend boven de tapkast uittilde. “Vind hem zelf errug lekker…”
Op zo’n moment weet je dat je geen keus hebt. Zeker niet als de kroegbazin net op dat moment langs snelt en in het voorbijgaan “ja, ik ook!” roept.
Het werd dus de beaujolais primeur, te nuttigen op het door een plastic luifel tegen de elementen beschermde onverwarmde terras, waar een opstekende mistral de te koude nieuwe wijn een snijdend welkom toe blies.
We bezochten het café om duidelijk te maken dat we geen zomervoorbijgangers waren, dat we hier ook gewoon hartje winter tot de vaste clientèle behoren. Maar het viel verdomd niet mee, op dat vrieskoude terras. Binnen was geen optie, in het smalle pijpenlaadje viel er weinig te zitten; en aan de bar hing het al vol. Eén glaasje, en dan wegwezen, zeiden we tegen elkaar. Was bijna gelukt.
Maar toen kwam Jeanne-Marie met een stralende glimlach een bordje “lekkers voor bij de nieuwe wijn” op ons tafeltje parkeren. We keken elkaar onthutst aan: stokbroodjes met rilettes! Gruw! Maar zeg maar eens ‘nee’ in plaats van “heerlijk, dank je wel!”
Het werd dus een tweede glaasje om de boel weg te spoelen. En toen kwam er een nieuw bordje. Dus werd het een derde glaasje, en een vierde.
En toen had niemand meer trek in de lunch die thuis stond te wachten.
“Doe toch maar een klein dingetje, ik moet nog werken”, zei de echtgenoot, voor zijn doen tamelijk timide, bij thuiskomst. Ik moest er niet aan denken. Maar terwijl ik toch maar een snel hapje in elkaar draaide, kwam de trek beetje bij beetje terug. ’t Is dan ook wel een erg lekker hapje. Met beaujolais nouveau vanzelfsprekend.

Ingrediënten:
4 grote eieren
100 gram dun gesneden jambon cru (of bacon o.i.d.)
100 gram champignons
1 ui
2 tenen knoflook
1 eetlepel herbes de Provence
1 suikerklontje
bloem of ander bindmiddel
5 dl beaujolais nouveau
olijfolie
zout en peper

Bereiding:
Pel en snipper de ui, pel de knoflooktenen.
Snij de rauwe ham in dunne reepjes.
Haal de voetjes van de champignons en veeg/borstel ze schoon, of spoel de paddenstoeltjes voorzichtig af onder de kraan. Snij ze in dunne plakjes.
Verhit een scheut olijfolie in een koekenpan en bruin de ui erin aan. Doe de fijngesneden rauwe ham erbij en roer alles even los. Knijp de knoflooktenen erbij uit, roer even om en doe de champignonplakjes erbij. Voeg peper en zout naar smaak toe. Doe er een flinke scheut beaujolais bij, lus een ½ eetlepel herbes de Provence, nog even goed door elkaar roeren en met het deksel op de pan een minuutje of vijf laten sudderen; daarna even binden met een beetje bloem of ander bindmiddel en het vuur uitdraaien.
Verhit de rest van de beaujolais samen met de rest van de herbes de Provence en het suikerklontje in een klein pannetje en pocheer er een voor een de eieren in. Da’s lastig, maar het kan ook simpel. Bekleed een kommetje of een kopje met een flink stuk (plastic) huishoudfolie – zorg voor een ruime overlap – en breek hierin voorzichtig een ei. Pak de zijkanten van de folie bij elkaar tot een tuutje en bindt er strak een dichtbindertje of een stevig stukje draad omheen, zodat het ei er niet uit kan lekken. Herhaal de procedure en maak zo van elk ei een pakketje; leg ze een voor een met het tuutje naar boven in de kokende wijn, haal ze er na circa twee minuten weer uit. Daarna de gepocheerde eieren nog even zonder verpakking in de warme wijn laten dobberen voor de smaak.
Verdeel de saus over de (diepe) borden en leg in het midden een gepocheerd ei. Geef er geroosterd brood bij om te soppen, en vanzelfsprekend een flesje beaujolais nouveau, of een lokale nieuwe lekkerd.

Een routier ‘retrouvé’

november 17, 2016

schermafbeelding-2016-11-15-om-09-32-21

“ Vous avez reservé?”
“Bien oui, par email,” stamelde ik een beetje verbouwereerd terug tegen de deurpostbode die ons de toegang tot het minuscule maar zéér gereputeerde eethuisje met heel zijn magere lijf en leden meende te moeten versperren. Hij sommeerde ons te wachten terwijl hij de boeken ging inspecteren.
“Vous n’êtes pas sur la liste, désolé”, serveerde hij ons resoluut af terwijl hij al over onze hoofden heen speurde naar nieuwe slachtoffers. Ik kan een aardige portie hooghartig kijken als de omstandigheden daarom vragen, maar zíjn variant moet ik nog onder de knie zien te krijgen. De echtgenoot zag dat ik overwoog er een ‘zaak’ van te maken (hetgeen minstens tot enige stemverheffing geleid zou hebben een wellicht ook nog tot bloedvergieten als het naar mijn genoegen geëscaleerd zou zijn) en voerde me zachtjes aan de ellenboog af: “Niet doen, ’t is de moeite niet waard. We vinden wel een ander lunchadresje.”
Makkelijk gezegd, er was uitgerekend deze zondag een gewilde najaarsbrocante gaande in het stadje en de eethuisjes rondom het centrale marktplein puilden uit.
Rondjes rijden dan maar, in steeds grotere cirkels, tot we uiteindelijk ergens langs de randweg een beetje besmuikt weggestopt eethuisje vonden waarvan de parkeerplaats weliswaar vol stond met voornamelijk dikke 4×4’s, maar waar door het plastic van de terrasvoortent nog wel een leeg tafeltje zichtbaar leek.
Ik parkeerde zijn (inderdaad, zíjn) Fiat Panda op het geheel lege terrein van de mislukte winkelallée ertegenover, waar de 2-voor-1-bodemprijs matrassenboetiek in desolate treurigheid wedijverde met de schoenmaker die ook aan orthopedisch verantwoord maatschoeisel deed dat weleens door de verzekeraar vergoed zou kunnen worden, aldus de wervende tekst op de depressiebruin geverfde pui.
“Weten we dit wel zeker?” weifelde ik, naast de auto talmend.
“Nee”, zei de echtgenoot en stapte vastberaden op het plastic af.
Ik werd even opgehouden door een rolletje kat dat naast het toegangshek een dutje lag te doen op een polletje verdroogd gras, maar haastte me achter hem aan het deurplastic door, een met straalkacheltjes verwarmde ruimte in waar het klaterend gezellig bleek. En er “natuurlijk, vanzelfsprekend, en anders máken we wel een plekje” nog plaats voor ons was. Zo. Da’s nog eens binnenkomen.
Er zat jagersvolk dat joviaal de hand ophief. Ik heb het niet op jagersvolk, maar ik hief toch een lafhartig handje terug; lunchwapenstilstand.
We installeerden ons en ik keek eens goed om me heen. Schuin tegenover ons zat een ouder echtpaar zichtbaar genietend de zondag te vieren. Hij smakte met grote happen zijn duimdikke biefstuk frites naar binnen, zij zag het vergoeilijkend aan terwijl ze met muizenhapjes haar bordje pasta tot halfweg wegwerkte. Na het gedeelde toetje (fromage blanc) liepen ze gearmd naar de parkeerplaats en gaf zij hem dusdanige aanwijzingen bij het uitparkeren dat het toch nog bijna echtscheiding werd.
Een tafeltje verder meende ik Imca Marina te herkennen, maar toen ze in onvervalst Provençaals losbarstte bleek de overeenkomst niet verder te gaan dan het knalrode haar. Ze was er niet minder gezellig aanwezig om.
We bestelden. De waard op leeftijd was een van die mensen die nadrukkelijk in het verkeerde vak verzeild zijn geraakt en daar zonder reddingsboei ronddobberen. Hij noteerde, voor zich uit mompelend in het Italiaans. En zei “prego” toen hij de borden voor ons neer parkeerde. “Multo grazie”, zei ik volautomatisch terug; ik heb ook weleens in Rome voor een wegaanwijzing bedankt. Dat had ik beter niet kunnen doen, ik kreeg een Italodouche over me heen waarvan ik geen woord begreep. Nou, misschien twee, drie. Maar in het Frans vlotte het toch beter. Hij kwam uit Napoli, de liefde van z’n leven achterna gegaan. Die hadden we even tevoren uit de keuken zien komen; papieren haarnetje op de gerimpelde kop, dikberande bril voor, dunnig grijze haarvlecht achter, en een puik buikje vooruit. Hij ging even aan een buitentafeltje een ‘dampertje’ doen. Het rolletje kat rende hem onmiddellijk tegemoet en schurkte zich tevreden op z’n schoot tot hij z’n peuk weg piekte en beiden wisten dat de pauze voorbij was. De kat verdween in het struikgewas, de kok sjokte terug naar de keuken voor de afwas.
Na een laatste borreltje bij de koffie, waarvoor de waard en de kok allebei waren aangeschoven, “non non, c’est offert!” en het voldoen van de gereduceerde rekening, zagen we kok en kat samen over het smalle trottoir langs de randweg naar huis sjokken. De waard keek ze verlangend na. Maar ja, hij moest nog opruimen. Dat ging razendsnel. Nog voor we de plastic terrasdeur hadden bereikt was het 1000-dingendoekje al over bezwete stoelen en bemorste tafeltjes (in die volgorde) gehaald. Ik heb ooit een jaar huishoudschool gehad, maar dit deed ik hem niet na. “A la prochaine?” vroeg hij hoopvol ten afscheid.
“A la prochaine!”
Op weg naar huis klonk ‘Une belle histoire’ van Michel Fugain op Radio Nostalgie uit de niet-zo-luidspeakertjes.
“Nou weet ik waar dat eethuisje me aan doet denken!” wist de echtgenoot ineens. “Aan een klassieke routier, zo’n wegrestaurant waar je aan kon schuiven tussen de vrachtwagenchauffeurs. Als die er aten, wist je dat het goed was. Kom er nog maar eens om tegenwoordig.”
“Eh… volgens mij heb je er net gegeten.”
Hij knikte, stak een bolknak op (nou ja, zo noem ik een serieuze sigaar) en staarde intens tevreden uit het raampje. En ik dacht bij mezelf, niet voor het eerst en zeker niet voor het laatst: la vita e bella en Provence.

schermafbeelding-2016-11-11-om-16-07-01

Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Als de mistral snoeihard om het huis giert zoals vandaag, krijg ik altijd iets onrustigs over me. En ik ben de enige niet. Al sinds ik hier zo’n 26 jaar geleden kwam wonen krijg ik te horen dat de mistral je niet in de koude kleren gaat zitten. Sterker nog, dat mensen er gek van kunnen worden. Dat leek me altijd tamelijk overdreven, maar zet een paar Provençalen bij elkaar in de kroeg als die koude noorderwind waait en de verhalen komen los. Over die oude boer die het geloei van de storm niet meer kon harden en zich aan de hanenbalken in de koeienschuur verhing. Of die verbeten jager die tijdens de mistral het gehuil van een eenzame wolf achterna ging het bos in en er nooit meer uitkwam: “als de mistral giert kun je ze nog steeds allebei horen huilen.” En niet te vergeten het aardappelvrouwtje. Oud, kromgetrokken en net zo rimpelig als de bewaaraardappeltjes in haar voorraadkelder. Als de mistral raasde sloot ze zich daar in paniek op. Tot de kelderdeur een keer openvloog en ze met flapperende zwarte rokken door de wind werd meegevoerd. “Nooit meer teruggevonden, maar bij volle maan kun je haar langs zien vliegen terwijl ze piepers jast.”
Ik weet het, volksverhalen. En toch. Het is een wind die overal dwars doorheen snijdt, ook door je ziel. En die – telkens als je denkt dat het ophoudt – met nieuwe windstoten aan de luiken komt rammelen. Zo’n mistral duurt dagen. En als ie bij volle maan nog steeds rond raast kunnen dat weleens weken worden. Onzin? Nee, net iets te vaak meegemaakt. En voor maandag staat er een supermaan op het programma; de grootste en helderste sinds 1948 en pas opnieuw te zien in 2034. Zou me niks verbazen als daar ook een supermistral aan vast bleef hangen.
Troost-eten dan maar, lekker warm, iets met aardappel natuurlijk. Want kom zeg, wij laten ons niet gek maken.

Ingrediënten:
800 gram aardappels (roseval, rattes; stevig dus)
2 eieren
25 cl tomatencoulis/saus (mag uit een potje hoor)
2 tenen knoflook
1 bosje bieslook
60 gram geraspte parmesan
1 eetlepel herbes de Provence
zout en peper
olijfolie
4 volle eetlepels Boursin-cuisine o.i.d.

Bereiding:
Verwarm de oven voor op 160 graden.
Schil de aardappels en snij ze in flinterdunne schijfjes met de mandoline/rasp. Doe ze in een vergiet en druk zoveel mogelijk het vocht eruit.
Pel de knoflooktenen.
Snij de bieslook fijn.
Doe de aardappelschijfjes met de bieslook, de herbes de Provence, de uitgeperste knoflooktenen, de parmesan, de eieren, de tomatencoulis, plus peper en zout naar smaak, in een ruime kom. Meng alles door elkaar.
Bekleed een bakblik met bakpapier en vorm – met ruim voldoende afstand ertussen – vier hoopjes van het aardappelmengsel. Mooier is om ze in een bakring (emporte pièce in het Frans) te scheppen, maar die moet je maar net in huis hebben; ik natuurlijk weer niet, dus ik heb er met alufolie een ‘dijkje’ omheen geknutseld.
Schuif het bakblik in het midden van de voorverwarmde oven en laat de taartjes in ongeveer een half uurtje goudbruin en gaar worden. Schuif ze voorzichtig met een spatel of breed mes van het bakblik op de borden, haal de folie of bakring weg, schep er een klodder Boursin o.i.d. op en serveer met een fruitig glas rosé en een salade, of een bosje haricots verts, of wat zoetzure bietjes, of iets anders groente-achtigs.

Alweer een boek? Nee! Twee!

november 10, 2016

book-wallpaper-background

 

Kreeg een mailtje van een boekenuitgever in Nederland. Of ik hier misschien reclame wilde maken voor een bij hem te verschijnen boekje, getiteld ‘Provençaalse Praatjes’ van journalist/columnist Peter Hooft. Ging over Zuid-Frankrijk. En nou, daar wist ik toch alles vanaf?
Ja? En waarom zou ik dan ineens reclame moeten maken voor zo’n zoveelste bundeltje? Dat schrijf ik zelf wel..
“Ho ho’, zei de echtgenoot, “niet meteen de boom in. Laat eerst maar eens opsturen, dat boekje.” Als ex-Hollander nog altijd geïnteresseerd in ‘gratis en voor niks’.
Bon. “Doe maar een exemplaar”, zei ik tegen die uitgever. Dus kreeg ik vorige week de digitale versie per email toegestuurd; het boekje gaat in het ‘echie’ pas vanaf vandaag in de verkoop, vandaar.
“Krent”, vond de echtgenoot van de uitgever, “ik wil papier in de vingers, ik lees geen boek op de pc.”
Ik wel, al heb ook ik liever een papieren boek. Maar ik was nieuwsgierig. En ik kende die Hooft al wel zo’n beetje. Een nurkse sigarenroker met een tamelijk ironische – zeg maar cynische visie op Zuid-Frankrijk, waar ie eigenlijk tegen zijn zin terecht gekomen is. Kan. Mag best. Maar overdrijven is ook een vak. En je hebt het natuurlijk nog wel steeds over míjn Provence ja! Zeker, ik loop ook niet altijd halleluja juichend rond, maar ik hou wel van dit stukje Frankrijk, zo’n beetje het mooiste deel van heel Europa. Dus ik word een tikkie link als je dat gaat afbranden.
Nou, dat bleek mee te vallen. Ik heb z’n boekje inmiddels uit en ik moet toegeven dat ik er zelfs af en toe om gegrim/glimlacht heb. Er staan wel wat vrolijke teksten in, en voor mij is een deel heel herkenbaar. Met name als die Hooft het over zijn Provençaalse dorpsgenoten heeft kon ik soms een grijns niet onderdrukken. Tja, zo heb ik hier ook wel wat eigenaardige mensen ontmoet. Mwah, eigenaardig…, eigenzinnig is eigenlijk beter.
Dat lachen vergaat me dan weer als ik lees wat hij schrijft over het gif van Tsjernobyl en de ellende van het massa-toerisme dat net zo goed hier in de Provence terechtkwam. Ook waar, en Hooft is een van de weinigen die niet oeverloos doorjubelt over Zuid-Frankrijk.
“Maar ja, wat moet ík daar nou over schrijven?” sputterde ik tegen de echtgenoot die druk in gesprek was met de oesters op zijn bordje, hoogstpersoonlijk door mij geopend (heb ik een trucje voor dat hij nooit onder de knie zal krijgen), die al zijn aandacht opslorpten.
“Gewoon, wat je er van vindt,” slurpte hij. “Of nee, doe maar niet!”
Ineens werd de Hollandse koopman in hem wakker: “Had jij niet ook net zo’n ‘boekkie’ geschreven? Komt toch ook binnenkort uit? Dan zou ik zeker geen reclame gaan maken voor de concurrentie.” Slurp.
“Dat is geen boekkie, dat is een bundel”, zei ik waardig. “En die heet ‘Kijk, nog meer Zuid-Frankrijk!” en is een vervolg op mijn eerste bundel ‘Kijk, Zuid-Frankrijk!’. Die heeft heel leuk verkocht, de uitgever wilde dolgraag een deel twee.”
“Juist!” zei de echtgenoot, “dan moet je dáár dus reclame voor maken, niet voor zo’n Provençaalse praatjesmaker.”
“Alsof dat mekaar zou bijten! Ik vind het juist prima als er veel over Zuid-Frankrijk geschreven wordt! Het is hier – wat jij er ook van vindt – fantastisch. Oké, die Hooft kijkt er anders tegenaan dan ik. Mooi meegenomen, verschil moet er zijn. Ik zou zeggen, léés die boeken eerst eens, leg ze naast elkaar en roep dan pas wat.”
De echtgenoot keek me aan een wist: ‘mefiez vous des petites’, pas op voor de kleintjes.
“Waar zei je ook alweer dat ik die onmisbare geschiedschrijving over de Provence kon vinden?” klonk het vals.
“Naast je bed in de logeerkamer”, mompelde ik net iets valser terug.