Home

dsc07407-copie

Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Beloofd is beloofd, dus na de barre ontberingen van gisteren (klik hier) kreeg de echtgenoot vandaag voor de lunch zijn felbegeerde garnalenkroketjes. Niet buiten op het terras, want dit voorschotje op de zomer moet nog even binnenshuis het allerergste chagrijn zien te verhelpen; het was beslist kloteweer vandaag, koud, nat en somber. Daar houdt de echtgenoot president Hollande overigens soms persoonlijk verantwoordelijk voor, je moet toch iémand de schuld kunnen geven, als het weer deugt niet. Wel weer opmerkelijk dat er dan toch “een engeltje over de tong” ging en ik zowaar “iets goddelijks” op tafel had gezet. Altijd leuk om te horen. Misschien moet ik ze toch eens wat vaker maken.

Ingrediënten:
150 gram gepelde kleine garnaaltjes (petits gris)
50 gram boter
100 gram bloem (plus wat bloem voor de afwerking)
50 cl melk
100 gram geraspte Gruyère of Emmental
1 eierdooier
2 eiwitten
paneermeel
snufje nootmuskaat
¼ visbouillontablet
zout en peper
paar takjes peterselie

Bereiding:
Scheidt de eieren.
Laat de boter op laag vuur smelten in een pan (niet heet laten worden!) en voeg al roerend de bloem toe tot alles is opgenomen.
Giet er beetje bij beetje de melk bij, blijven roeren tot je een glad papje hebt.
Zout, peper en nootmuskaat toevoegen, de ¼ visbouillontablet erbij kruimelen en doorroeren. Gaat de boel klonteren, dan gewoon de mixer erop zetten.
Laat alles een minuutje of twee pruttelen (blijven roeren), doe er dan 1 eierdooier, de geraspte kaas en de garnaaltjes bij. Al roerend laten doorwarmen, dan het vuur uitdraaien en het mengsel laten afkoelen. Zet het daarna een uurtje in de koelkast.
Verdeel het mengsel in 12 gelijke porties en kneed er kroketjes van.
Doe een hoopje bloem in diep bord, de eiwitten in een tweede, en een flinke portie paneermeel in een derde bord.
Rol de kroketjes eerst door de bloem, dan door het eiwit en tot slot door het paneermeel.
Verhit een flinke scheut olie in een braadpan of in de wok (vind ik het handigst) en frituur de kroketjes er rondom goudbruin in.
Vis ze eruit en laat ze uitlekken op keukenpapier.
Haal intussen snel de takjes peterselie door de hete olie en laat die eveneens uitlekken.
Verdeel de kroketjes over de borden, garneer ze met een takje peterselie en een schijfje citroen, en geef er wat stokbrood en een mooi glaasje rosé bij.

aanschouw-2

Vannacht een klapperende giga-donderbui voor de kust van Toulon, vanmorgen een heel zooitje waterhozende mini-tornado’s bij Hyères en La Londe en hier in het achterland van de Var… serene rust. ’t Is dat ik later de digi-krant er op nalas, anders had ik niet geloofd dat er enkele tientallen kilometers verderop zulke weerfenomenen plaatsgrepen. Ik stapte vanmorgen dus doodgemoedereerd in de auto om een paar dorpen verderop, waar ik zo’n winkeltje wist, echte rundvleeskroketten te gaan scoren. Die kwamen gisteren ter sprake toen Jules Deelder bij Jinek uierboord (“gebakken koeientiet”) begon rond te delen. Het gruwelen stond de overige tafelgasten nader dan het lachen. De dwarse dichter – die was uitgenodigd om zijn te ere van de Week van de Poëzie geschreven bundel ‘Rotterdamse kost’ toe te lichten – deelde trouwens wel meer uit waar het gerenommeerde gezelschap niet om kon lachen. Rake verbale klappen bijvoorbeeld, waaraan met name het boosaardige gnoompje Connie Palmen zich dood ergerde; als ooit blikken konden doden, dan waren het wel deze. Zelden zoveel verzengende haat over tafel zien schieten. Maar goed. Door die Rotterdamse kost van Deelder werd ik weer herinnerd aan m’n Rotterdamse verleden. Aan de tijd dat Deelder als nachtburgemeester van de stad aan de Maas regelmatig ook mijn stamkroeg frequenteerde, ’t Schouwtje tegenover het Algemeen Dagblad waar ik toen als verslaggever werkte. Hij droeg er onvergetelijke gedichten voor, zoals:
Quo Vadis?
Op de A20 staat
een man met baard
Ik stop en vraag
waarheen hij vaart?
Ten hemel luidt
daarop zijn antwoord
Ik ga niet verder
dan Rotterdam
O prima dan pak ik
daar de metro…
En aan het eind van de avond belandden we meestal met de andere doordrinkers in de snackbar een stukje verderop voor een ontnuchterend broodje overheerlijke rundvleeskroket. En juist dat broodje kroket schoot me weer te binnen toen ik Deelder terugzag op tv. Puike kroketten waren het geweest, rijk gevuld, mollige saus, krokant korstje. En ik kreeg trek. Dus stapte ik vanmorgen in de auto.
De echtgenoot ging solidair mee (hij eet geen vlees), en zo stonden we een half uurtje later al even solidair voor een gesloten winkeldeur: nèt lunchpauze, en daarna gesloten. Zoals de rest van het dorp.
Voor de terugweg bedacht de echtgenoot dat het wel leuk zou zijn als hij eens achterin ging zitten, had ie nog nooit gezeten, zo op directiewagenniveau. Leek me prima. Ergens halverwege de rit was hij min of meer ingedut en ik hem eigenlijk al zo’n beetje vergeten. Het was zachtjes gaan sneeuwen en ik had al m’n aandacht bij de glibberig geworden kronkelweg nodig.
“Jezus!”, klonk het ineens vanaf de achterbank, “het sneeuwt!”
Ik schrok me kapot en miste op een haar na een zeldzame tegenligger. Ik gooide de auto in de kant en dwong de echtgenoot van zijn directiezitplaats af.
“Dat flik je me niet nog eens”, schold ik hartgrondig. “En voortaan bestel ik die krengen gewoon ergens op internet.”
“Tuurlijk”, schamperde de echtgenoot, àls je ze kunt vinden.”
“Ik wel, jij niet”, foeterde ik terug, de digitale snelweg is niet zijn domein, zullen we maar zeggen.
“Zalig zijn de digibeten, zij erven straks de echte wereld”, citeerde hij Deelder, ook hij kent zijn klassiekers.
“Mooi, dan erf jij nu het echte stuurwerk”, haalde ik mijn gelijk, en kroop chagrijnig op de passagiersstoel, ik zit niet graag achterin, claustrofobisch en zo.
Terwijl het harder begon te sneeuwen daalden we langzaam af naar ons dorp. Onderweg ging de sneeuw over in mot-, druip- en daarna stortregen. Toen we aan het eind van de middag het erf opdraaiden klaterden de eerste donderklappen tegen de bergen.
“Broodje garnalenkroket”, hoorde ik de echtgenoot zachtjes grinniken toen ik hem vroeg wat hij straks wilde eten; hardop had ‘m gegarandeerd een Rotterdamse directe à la Bep van Klaveren opgeleverd.
“Dat hoorde ik toevallig!”, riep ik gramstorig terug uit de keuken. In de kamer bleef het deemoedig stil. Even later kreeg ik zowaar een glaasje wijn over het aanrecht toegeschoven.
“Zal ik dan maar koken?”
Ik zei geen nee. Maar kon het terwijl ik de keuken uit liep toch niet laten om net iets te hard te mompelen: “Welkom in de echte wereld.”
Ik maak het morgen wel weer goed. Met on-Rotterdamse garnalenkroketjes. Lekker op z’n Provençaals, een voorschotje op de zomer. Want van deze troosteloos doordrenzende ‘glaciale’ rotwinter word ik wel heel melancholiek. En dwars. Maar goed dat ik niet kan dichten.

schermafbeelding-2017-01-20-om-16-12-47

 

Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

En ik dacht nog zo dat we mooi weggekomen waren met die bevroren waterleiding. Goed, het stervenskoud gehad, maar geen lichamelijke ‘vervolgschade’ zullen we maar zeggen. Had je gedacht. Gisteren begon het, met een hinderlijk hoestje. Beetje rillerig ook, wat verdachte blosjes op de wangen, maar niks ernstigs. Dus gewoon de eetafspraak van die avond door laten gaan. We troffen elkaar een dorp verder in een ijzig café waar ook de blauwig flikkerende tl-buizen niet echt bijdroegen aan een behaaglijke uitstraling. Maar de bediening was warm en het gezelschap aangenaam. Al helemaal toen onze vriend vertelde dat hij net uit Nederland was ingevlogen en bij het openen van de deur van zijn tweede woning tot aan z’n enkels in het nat stond. Terwijl het water gestaag door het plafond naar beneden regende had hij uitzicht op een totaal vernield interieur: kapot gevroren waterleiding. Dat laatste schiep een band. Al snapte de echtgenoot niet hoe iemand daar zo ijzingwekkend kalm onder kon blijven en gewoon op een best uitstelbare eetafspraak kwam opdagen.
“Ach”, zei de vriend ‘cool’: “we hebben al zoveel meegemaakt, dit lossen we ook wel weer op. Kom, we gaan een hapje eten.”
Het werd een pizzeria, alweer een dorp verderop, waar het gelukkig wel warm was. En knus, en gezellig, dus werd het vanzelf een latertje. Maar toen moest de vriend toch echt weg. Hij sliep in een hotel: “thuis is ook de beddenboel zeik, maar dat ga ik morgenochtend meteen aanpakken”. Dus stond hij vandaag al om zeven uur ’s ochtends te waterstofzuigen. En ik stond vandaag een uurtje later op, met stramme botten en een snotneus. Het zou toch niet? Ja, er heerst al tijden een griepepidemie en ja, al die kou hakte er ook in.
Maar zo’n opkomend griepje valt best te bestrijden. Met een lekker pittig lunchhapje bijvoorbeeld. Een hete tortilla leek me wel wat. Hij viel een beetje erg heet uit, iets te scheutig met de chilisaus geweest. Er moest de rest van de middag bluswater bij. En ik snotter nog steeds. De echtgenoot beweert nergens last van te hebben. Maar kijk toch maar een beetje uit met die pittige saus: liever een drupje dan en scheut.

Ingrediënten:
6 eieren
200 gram gekookte garnaaltjes (petits gris)
50 gram kappertjes
1 eetlepel herbes de Provence
1 ui
2 tenen knoflook
sap van een ½ citroen
2 eetlepels olijfolie
drupje tabasco of chilisaus
zout

Bereiding:
Pel en snipper de ui, pel de knoflooktenen.
Pers de halve citroen uit.
Laat de kappertjes uitlekken.
Verwarm de oven voor op 240 graden.
Doe de garnaaltjes, de kappertjes, en de herbes de Provence in een kom, giet het citroensap erbij, plus een drupje tabasco of chilisaus. Meng alles door elkaar en laat een half uurtje marineren.
Verhit intussen de olijfolie in een koekenpan en fruit de ui erin aan. Knijp de knoflook er boven uit en laat alles op laag vuur een paar minuutjes sudderen.
Klop de eieren met wat zout los in een andere kom en doe de garnalen – met marinade en al – erbij. Giet het mengsel bij de uien in de pan en roer alles goed door elkaar; proef op smaak en voeg eventueel nog wat tabasco/chili en/of zout toe. Als het ei begint te stollen, de massa overdoen in een ingevette bakvorm. Zet die in het midden van de voorverwarmde oven en laat de tortilla gaar en goudbruin worden; duurt een minuutje of twintig. Steek er een prikker in om te zien of ook de binnenkant gaar is (de prikker moet er droog uitkomen, zonder aankleefsels), anders nog even laten garen.
Laat de vorm wat afkoelen, keer ‘m om op een snijplank en verdeel de tortilla in punten.
Geef er een salade, stokbrood en een glaasje rood bij.

schermafbeelding-2017-01-20-om-13-11-37
Geen gelegenheid of geen tijd om naar de Franse Vakantiedagen te gaan dit weekeinde
maar wel zin in een (of meer) van deze boeken boordevol verrassende verhalen?
Dat kan: zo’n hartverwarmend stukje Zuid-Frankrijk is ook gewoon te bestellen.
Bij bol.com, Ako, Bruna, in de lokale boekhandel…
Maar ook gewoon nu meteen:
hier en hier en hier.
(ook verzending naar Frankrijk)

Een stukkie van niks

do 19 januari 2017

p1020112

“Min 7º”, glimlachte de schaars geklede tv-weermadame gisterenmorgen verlekkerd terwijl ze een gepolijst nageltje naar onze regio uitstak. “Dacht het niet dame”, schamperde ik binnensmonds, want ik had zojuist op de buitenthermometer gekeken. Die gaat tot -10º, maar had het zelfs te koud gevonden om z’n kwik tot aan die ondergrens omhoog te stuwen. “En trek eens wat warmers aan!” voegde ik er chagrijnig aan toe; ik krijg het koud van bloterige types als het in huis toch al ijzig is omdat de houtkachel het ’s nachts niet getrokken heeft bij deze extreem lage temperaturen en de vloer-bijverwarming ook al geen sjoege geeft. De thermostaat gaf een verontrustende 15 graden aan. Hete douche dan maar, en daarna stevig inpakken, aanmaakhoutjes sprokkelen en de boel weer opstoken. Ik dook manhaftig de koude badkamer in en draaide de heetwaterkraan open. Niks. Langzaam naar koud draaien hielp niet, er een ram op geven evenmin. Dat kon maar één ding betekenen: bevroren waterleiding.

“Putain!” riep ik net iets te hard tegen de echtgenoot die zojuist de laatste lading uit de stortbak van het toilet verbruikt had, maar die zei alleen maar: “leuk dat je je even voorstelt.” Tot ie even later zelf tot de ontdekking kwam dat een badkamer zonder water een tamelijk nutteloos vertrek is, en de kraan een nog veel onwelvoeglijker woord toevoegde. Het werd dus dik inpakken en hout sprokkelen. Als de houtkachel het deed, werd in elk geval de woonkamer weer warm. En als de zon er eenmaal door was gingen de zonnepanelen natuurlijk aan de slag en zou de rest van het huis en het kantoor ook wel weer opwarmen.
De zon kwam er niet door, de hele dag niet trouwens, en de striemende mistral gierde nog eens een extra rondje rondom en wakkerde tegen lunchtijd aan tot stormkracht, maar dat wisten we toen nog niet.
“En als we nou hout gesprokkeld hebben”, zei ik optimistisch tegen de echtgenoot”, gaan we meteen even met een paar emmers naar de rivier, badwater halen. Zet ik een paar grote pannen op het gasfornuis terwijl jij de kachel opstookt, en hebben we straks warm water voor in de kuip.”
Hij schudde alleen maar vermoeid het hoofd: “als jij wat in je kop hebt, heb je het ook niet in je kont hè.” Dus sjokte hij kleumend achter me aan langs de stijf bevroren helling naar het everzwijnenstrandje aan de rivier, waar je nog net met kaplaarzen aan diep genoeg het vrieswater in kon komen om een emmertje te putten. Híj dus. Ik hield de supervisie.
Maar mooi dat we een half uurtje later wel konden poedelen, en opdrogen voor de kachel.
Alleen die vloerverwarming, die bleef maar koud. Ik belde de buurman van een eind verderop. Die kende het huis nog van vroeger, die wist misschien wie indertijd de handel had geïnstalleerd. Hij was niet thuis.
Eind van de middag belde hij terug. Nee, geen boodschap gekregen, voicemail luisterde hij nooit af. “Maar hebben jullie water? Bij mij komt er niks uit de kraan, en nou dacht ik…”
“Dacht wat?”
“Nou, ik heb van de zomer toch de waterleiding gerepareerd.”
Dat klopte, hij was er met z’n graafmachientje dwars doorheen gegaan, had de boel opgegraven, hersteld en weer ingegraven.
“Misschien ben ik een klein stukkie vergeten te isoleren; een stukkie van niks, bovengronds, daar bij jullie. En als jullie geen water hebben omdat dat stukkie bevroren is, heb ik het ook niet want ik zit achter jullie, als het ware…”
Kortom, hij kwam, hij zag, en overwon zichzelf door niet alleen dat stukje waterleiding alsnog te isoleren, maar ook naar de verwarmingsinstallatie te kijken.
“Zie het al”, riep hij monter, “hullie zijn óók een stukkie vergeten te isoleren; hier.” Hij wees naar een te verwaarlozen stukje leiding tussen het stookapparaat in de cave en de vloer van het huis. “Daar zit vast een ijsklompie dwars.” Hij wikkelde er vaardig wat warmhoudmateriaal omheen. “Zou ie het zo weer moeten doen. Nou ja, morgen dan.” Hij keek overtuigend op z’n horloge.
L’heure de l’apéro, ik begreep dat ik er met een simpel ‘dank je wel’ niet zou komen. Handenwrijvend volgde hij me naar de woonkamer waar de houtkachel voor behoorlijk wat behaaglijkheid stond te zorgen. Hij liet zich gretig inschenken. En nog eens. Ook de aangeboden maaltijd (ja, wat moet je anders?) liet hij zich prima smaken. Tegen een uurtje of tien vonden we het welletjes. “Eh, we moeten nog wat werken…”
Hij knikte begripvol: “ga gerust je gang,” en strekte de benen begeerlijk richting houtkachel.
“Hoe krijgen we die man in godsnaam weer weg?” fluisterde ik op het nog steeds steenkoude kantoor tegen de echtgenoot, “ik wil gewoon voor de buis hangen en een beetje suffen.”
“Briljant!” riep de echtgenoot enthousiast, beende terug naar de woonkamer en knalde de tv aan op Nieuwsuur. “Sorry, moet dit even zien voor m’n werk”, grimlachte hij naar de buurman. Mariëlle Tweebeeke en Dominique van der Heyde hielden een oorverdovend saai en volkomen nietszeggend verkiezingstijdbabbelpraatje.
De buurman keek het even aan. En besloot toen toch maar op huis aan te gaan: “Nou, als dat voor je werk is… sterkte ermee.”
We gaven elkaar nog net geen ‘high five’, ploften met een glaasje op de bank en schakelden snel over naar ‘de Belg’ voor een spannende aflevering van Suspects.
En de volgende dag hadden we gewoon weer water en verwarming. Ja, de buurman ook.

schermafbeelding-2017-01-13-om-15-12-17

 

Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

“Vous êtes en France, madame!” roept de echtgenoot met enige regelmaat theatraal uit als ik vergeet het stokbrood bij de maaltijd te serveren. Ik kan ‘m dan wel meppen, maar ik moet toegeven dat het een fraaie acteerprestatie is. En bovendien heb ik het over mezelf afgeroepen. In de beginperiode hier was ik meer dan verheugd dat er in restaurants van begin tot eind van de maaltijd een mandje brood op tafel stond. “Kom daar maar eens om in Nederland!” riep ik dan, want daar mocht je in die tijd blij zijn als je een mandje brood kréég. En je moest het met hand en tand verdedigen als je het langer dan bij het hapje vooraf op tafel wenste te houden. Bovendien was één moment van onoplettendheid genoeg voor een snelle tafelbediende om het van tafel te grissen en er alsnog mee aan de haal te gaan. En dan liet ik het altijd terugbrengen, wat de echtgenoot dan weer gênant vond. Dat was het ook natuurlijk, maar ik wilde nou eenmaal brood bij m’n eten, op z’n Frans.
Het was dan ook voor ons beiden een opluchting toen we – eenmaal in de Provence gevestigd – dat probleem achter ons hadden liggen. Brood in overvloed, en altijd netjes op tijd aangevuld ook nog. Tja, dan moet je die nobele eetgewoonte in de huiselijke kring natuurlijk niet gaan versloffen. Maar om er nou zo’n drama van te maken…
Laat hem dan zelf zijn stokbroodjes afsnijden, hoor ik je denken. Nou, liever niet; dat resulteert in een paar gehavende plakjes voor op tafel en het uitdelen van de geplette rest aan de honden. Die groeien dus dicht, als ik niet oplet.
Ik dacht er wat op gevonden te hebben door het stokbrood dwars over het gasfornuis te leggen, zo kwam ik het vanzelf wel tegen. De honden ook: even op de achterpoten en hup, het was weg.
Ik wacht dus maar gewoon weer op de noodkreet van de dramaturg van de familie. En roer intussen onbekommerd in de pannen. Want heej, als er niks lekkers op tafel komt, zoals dit kalkoen- of kipstoofje, dan zit je wel gewoon droog brood te kanen hè.

Ingrediënten:
4 kalkoenfilets (of kip)
1 grote ui
1 grote rode paprika
3 tenen knoflook
3 eetlepels dubbelgeconcentreerde tomatenpuree
3 afgestreken eetlepels paprikapoeder
1 eetlepel herbes de Provence
1 handje groene olijven zonder pit
10 cl vloeibare room
½ glas witte wijn
olijfolie
peper en zout

Bereiding:
Snij de kalkoen- of kipfilets in dobbelstenen.
Haal kop en kont van de paprika, snij ‘m doormidden, haal de zaadlijsten eruit en snij het vruchtvlees in reepjes.
Pel de knoflooktenen, pel de ui en hak hem grof.
Verhit een scheut olijfolie in een hapjespan en fruit de ui erin aan, doe de paprika erbij en laat een paar minuten meebakken.
Doe de kalkoenblokjes erbij, knijp de knoflooktenen er boven uit, roer door elkaar en laat alles een minuut of drie gaar bakken.
Voeg het paprikapoeder, de herbes de Provence en de tomatenpuree toe, plus het halve glaasje witte wijn, en breng op smaak met peper en zout. Roer alles door elkaar en laat op laag vuur een minuut of 20 stoven met een deksel op de pan.
Voeg op het laatst de olijven en de room toe, roer nog even door elkaar en serveer met rijst, pasta of gekookte aardappels.
Glaasje wit, rosé of rood erbij, allemaal goed.
Maar vergeet in hemelsnaam het stokbrood niet…

Koudegolf

do 12 januari 2017

a70bb07cfbc02ce3d1324155650f1
Hel en verdoemenis, beloofde de méteo vanmorgen in de krant en op tv. Meer bepaald, kou en sneeuw-ellende: er was een heuse ‘vague de froid’ op komst. Dus de echtgenoot als pakezel misbruikt voor het transport van forse moppen haardhout van het schuurtje naar het huis, dikke lagen winterkleren klaargelegd, alvast rijk gevulde rodebonensoep in elkaar gedraaid en na het ochtendbad een verbod op het gebruik van warm water afgekondigd. Mij pakken ze niet.
Dat is weleens anders geweest. Een aantal jaren geleden woonde ik even in een afgelegen (huur)huis op het dunbevolkte platteland dat geheel op stroom was aangewezen. Tijdens dreigende stroomstoringen werden we preventief afgeknepen ten gunste van de vanzelfsprekend véél belangrijkere rich & famous aan de kust.
Want de stroomvoorziening hier in de regio PACA (Provence, Alpes, Côte d’Azur) houdt niet over. Slechts 40% wordt in de eigen regio opgewekt, de rest wordt geïmporteerd. Bovendien is het elektriciteitsnet ver onder de beoogde capaciteit met als gevolg nogal regelmatige stroomuitval, met name in de winter. Het net moet worden opgewaardeerd met een hele hoge hoogspanningsleiding dwars door de Provence, de ‘ligne Boutre-Carros’, maar daar wordt al sinds mensenheugenis over gesteggeld door pro’s en contra’s. Uit eco-overwegingen zou het nieuwe netwerk ondergronds moeten, uit veiligheidsbezwaren juist bovengronds. Het grootste deel van de getransporteerde stroom verdwijnt trouwens via export naar Italië. Met als gevolg dat we hier als snel een ‘pic de consommation’ hebben: als iedereen bijvoorbeeld tegelijk onder de douche gaat staan ’s ochtends, want iedereen heeft een elektrische boiler. Of als er ’s avonds bij thuiskomst massaal elektrisch gekookt wordt en ook nog eens de stroom vretende elektrische kacheltjes aan gaan.
Dus geldt voor elk huis waar ik woon sindsdien dat er een open haard, een gasfornuis en een noodstroomaggregaat moet zijn. Dat het nog doet ook, want ook dat ging in het verleden weleens mis.
“Nog méér?” vroeg de echtgenoot cynisch, uithijgend tegen de enorme berg hout die hij inmiddels onder de overkapping van het terras had opgestapeld.
“Neu, zo kan ie wel” vond ik tevreden, “hier krijg ik een warm gevoel van.”
“Anders ik wel”, mopperde de echtgenoot, en stroopte zijn legerjekkie af.
Tja, echt koud was het inderdaad nog niet. En naarmate de zon verder over de bergkam tevoorschijn piepte werd het warmer en warmer. De thermometer in de serre gaf tegen aperitieftijd zelfs 19 graden aan. Achter glas, dat wel, maar toch, een koudegolf?
“Drankje buiten?” haalde de echtgenoot me even later achter m’n bureau vandaan. Buiten stonden de tuinstoelen in de zon (aha, vandaar die sleepgeluiden!) en de fles rosé op tafel. De echtgenoot – zònder trui – schonk de glazen vol en liet zich behaaglijk in z’n stoel terugzakken: “heerlijk hier.”
Ik kon hem geen ongelijk geven. Dus ging de bonensoep de diepvries in en werd het een nogal zomerse buitenlunch, met een portie garnalen op de grill, een lekkere salade erbij en een koele fles rosé die tot de laatste druppel op ging. Tijdens de koffie, zo rond een uur of drie, werd het fris. Maar dat mag ook wel in januari.
Toen ik weer achter m’n bureau schoof kon ik het toch niet laten om even naar het weer elders te gluren. Sneeuw, storm en hoog water in Nederland verwacht, hoosregens en sneeuw in België, in Noord-Frankrijk ‘vigilance rouge’ en ‘orange’, de rest van het land geel en hier… niks aan de hand.
“En daarvoor heb je me laten sjouwen” monkelde de echtgenoot.
“Tja, niks onbetrouwbaarder dan het weer. Dus ik ben toch wel blij met zo’n bos hout voor de deur.”
Hij keek me hoogst dubieus aan, maar hield z’n mond. Hem pakken ze ook niet.