Rustgevend ratelenden de rolluiken van de tabac en de ertegenover gelegen épicerie aan het minieme pleintje van het dorp naar beneden. De laatste habitués verlieten het zondoorstoofde café-terras: “bon app, à plus.” De altijd accurate torenklok begon aan de slag van twaalf, hoewel het al tegen half een liep, en bleef gewoontegetrouw halverwege het klokkenspel hangen. En niemand die zich er druk om maakte. Gezapig gleed het dorp zachtjes in de siëstastand, zoals het een slaperig dorpje in de Provence Verte betaamt. Ik leegde mijn glas, kuste de kroegbazin een goede middag en vroeg me af waaraan we zoveel verstild geluk verdiend hadden. Dat had ik beter niet hardop kunnen doen. “Nou… geluk…” mopperde de waardin, “er zijn er die slapen, er zijn er die werken.”
Dat klonk smalend genoeg om om uitleg te vragen, die gaf ze graag: “Kijk, het is nu nog geen seizoen. Maar wij”, ze wees met een weids gebaar de kroeg in waar haar wederhelft achter de toog iets onduidelijks met stokbrood en plakken ham stond te knutselen – lunch, vermoedde ik, “wíj zijn gewoon open, óók tussen de middag, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds. Zes dagen per week.”
Ik kon het alleen maar beamen. Hier ging de deur om zes uur in de ochtend van het slot en om negen uur ’s avonds pas weer dicht. Dat zijn lange dagen, ook in een dorpje van niks met een minimale clientèle. Want je moet er toch maar zíjn voor die vaste clan die het beslist niet zou pikken als je ze de dagelijkse ochtendborrel met – nou, vooruit – een straffe espresso ernaast, op weg naar het werk zou onthouden. Of het apéro voor het avondeten.
Of ik al had gemerkt dat alle restaurants in het dorp dicht waren? Ja, dat had ik, de pizzeria, het serieuze restaurant, het snackhoekje en de crèperie hielden al sinds vorig jaar oktober de luiken gesloten: winterslaap. “Maar die gaan straks toch weer open?” vroeg ik verbaasd.
“Daar zou ik maar niet zo zeker van zijn”, snoof ze minachtend. “De pizzeria… goeie kans; ik zie al af en toe volk in en uit lopen. De ‘snack’… misschien in juli, augustus; hangt er vanaf of de eigenaresse deze winter een serieuze baan gevonden heeft of niet. De crèperie… die zijn gestopt; ze zaten meer zelf aan tafel dan hun gasten.”
“En die daar?” ik wees naar het enige serieuze restaurant dat het dorp rijk was, maar dat ook tijdens het hoogseizoen uiterst beknopte openingstijden hanteerde.
“Die?!” ze maakte een wegwerpgebaar. “Dat ‘genre’ komt heus wel terug. Om te cashen. Schandalige prijzen voor ‘quatre fois rien’, maar ’t staat in van die gidsen dus de toeristen trappen er toch wel in.”
Zo, dat was ze kwijt. Over m’n schouder zwaaide ze naar de middelbare knalroodharige van de tabac aan de overkant die met haar hond Eros (naar Ramazotti) langs gewandeld kwam. “En die houdt er ook mee op. De tabac staat te koop.” Ze keek me schattend aan, wetend dat ik goed was voor een aardige bijdrage in de sigarenomzet.
“Gelukkig hebben we jullie nog!” bracht ik er – misschien een tikkie te opgelucht – uit.
“Ach”, zei ze meewarig, “wist je dat nog niet? Zodra we een koper gevonden hebben houden we er ook mee op. Daar bij jou in de buurt is een ouwe, verwaarloosde camping. Die willen we graag overnemen.”
Van die klap moest ik even bijkomen. Niet alleen zou m’n stamkroeg wellicht voor wie weet hoelang op slot gaan. Er zou ook nog eens nieuw leven geblazen worden in de verwaarloosde camping aan de overkant van de rivier, vlakbij waar ik woonde! Ontredderd reed ik naar huis. Waar ik halverwege het krappe pad naar beneden werd aangehouden door de buurman van een stuk verderop. Of ik er bezwaar tegen had dat hij de hele middag ging debroussailleren, het onkruid schoot al hoog op, met dit mooie weer.
“Nee, tuurlijk niet!” En of hij wist van de kroegbazin en…
’t Is niet zo’ lachebekje, maar nu schaterde hij het uit. “Ach, zat ze weer op d’r stokpaardje? Maak je geen zorgen, ze heeft gewoon de lentekriebels. Die camping ligt in overstromingsgebied, nog geen paar jaar terug zagen we hier de caravans langsdrijven. Daarna heeft de eigenaar dat stuk grond te koop gezet. En toen is zij gaan dromen, dat ze ‘m kon overnemen, dat dat een leuke oude dag zou betekenen. Maar van de gemeente mag die camping nooit meer open.”
“Goddank”, voegde hij eraan toe, hij heeft het ook niet zo op toeristisch gedoe in z’n achtertuin.
‘Goddank’ dacht ook ik bij mezelf. Want goden moet je niet verzoeken, maar bedanken. Voor rustige dorpjes met dromende kroegbazinnen, voor slome burgemeesters die de vingers liever niet branden aan gevoelige vergunningen, voor slaperige horecava’s die pas uit hun ‘hivernage’ komen als het toeristenvolk op de luiken klopt, en voor een dagelijks bestaan dat je gewoon, zomaar mag meemaken.
Ik ging thuis een hapje lunchen, en voelde me even later bevestigd bevoorrecht toen ik aanschoof aan de buitentafel met een dampend bordje knoflookpasta en tevreden toezag hoe mij een glaasje rosé werd ingetapt. Volop in de zon, ik trok mijn trui uit, het was 9 maart.
“Chinchin!” zei ik, een beetje ontroerd.
“A nous!”, werd er gemompeld.
Verstild geluk genoeg in de Provence, dacht ik zo. La vie est belle! En ik nam nog een glaasje rosé.