Home

 

Zo rond deze tijd duiken overal de bosjes en potjes muguet weer op. In de winkel, op de markt, maar ook in een zomaar geïmproviseerd kraampje langs de weg, want onder bepaalde voorwaarden mogen ook particulieren muguet verkopen. De traditie wil dat je elkaar op 1 mei, de dag van de arbeid, zo’n bosje geurige teerwitte bloemetjes geeft, om geluk te brengen. Dat lukt helaas niet altijd want het spul is razend giftig. Ik heb er ooit twee doodzieke honden aan overgehouden; ze hadden het vaasje om getikt en op de takjes liggen knauwen. Dus ik waarschuw nog maar weer eens…
Wat er zo giftig is aan muguet? Alles! De bloemen, de bladeren; zelfs het water waarin een tuiltje staat is vergeven van glycosiden (chemische stoffen) die voor de giftigheid zorgen. Dus ik hou het spul liever bij ze uit de buurt. Zou ik trouwens ook doen met kleine kinderen over de vloer. Bloemetje in het mondje, likje aan een blaadje, slokje uit het vaasje…. Niet alleen honden doen rare dingen. En ook peuters wil je niet opzadelen met duizeligheid, braken, misselijkheid, buikloop, of zelfs hartritmestoornissen. In de farmaceutische industrie wordt het plantje trouwens wel verwerkt in hartmedicijnen.
De parfumindustrie laat de plantjes juist weer links liggen, ondanks het geweldige parfum van de bloempjes. Je kunt er namelijk geen etherische oliën uit destilleren. Daarom wordt het parfum met behulp van geurstoffen nagemaakt.
Maar goed, het is nu eenmaal traditie om elkaar op 1 mei muguet te geven. Een gebruik dat stamt uit de tijd van de Germanen. Het was het bloemetje van de zachtmoedige godin Ostara, de zus van dondergod Donar, die er de lente mee aankondigde. Maar sinds de komst van het christendom neemt Maria de honneurs waar. En op 1 mei zijn we allemaal aan de beurt.
Kwekers halen alles uit de kast om de meiklokjes op tijd op de markt te krijgen. Dat lukt vrijwel altijd, maar als het voorjaar te nat, te droog of zoals nu te koud is kunnen de prijzen flink de hoogte inschieten. Een takje muguet (dat minimaal zes klokjes moet bevatten, wettelijk bepaald) kost rond de € 1,50. Voor een bosje/potje van drie stuks betaal je tussen de € 12,50- à € 15. En als je dan bedenkt dat er zo’n 60 miljoen takjes over de toonbank gaan, snap je waarom de Franse economie alle reden heeft om de traditie in ere te houden. Niks mis mee, met zo’n welriekende traditie: ’t geeft een aardig opkontje aan de bloemkwekerij, ’t is een mooi gebaar naar vrienden en beminden. Maar ’t wordt een nog mooier gebaar als je ze ook even waarschuwt. Bonne fête!

 

Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Vandaag is na een lange winterslaap het kleine marktje op het dorp weer min of meer tot leven gekomen. Behalve de winterharde Vietnamees met taaie springrolls en nems, en de minstens zo taaie retro-hippie met artisanale sieraden ‘made in China’ en onduidelijke floddervodden uit India, zijn nu ook ineens de peperdure groentejuwelier en de verse visverkoper er weer komen opdagen. Da’s nog niet de volledige sterkte, de kaasboer, de olijfboer en de verbouwde camper met poulet rôti ontbreken nog, maar het begint zowaar weer op lente te lijken. Al blijft het weer balsturig. Zo zit je op het terras in de zon, zo keldert de temperatuur weer tot winterwaarden.
Toch vind ik het een mijlpaal, weer een beetje markt op het dorp. Net op tijd voor de meivakantie, als de eerste toeristen de boel komen verkennen en je dus zeker weet dat het onder-ons-gevoel van de voorbije winter de komende maanden de kast in kan. Geeft niks, goed voor de middenstand, en op het caféterras wordt altijd wel een plekje voor de vriendenklanten vrijgehouden.
Ik struinde dus tevreden over het mini-marktpleintje, kocht voor veel teveel euri verse aardbeien uit Carros en liet me verleiden tot ‘dagverse’ gamba’s die hoogstwaarschijnlijk tijdens de rit naar het dorp uit hun diepvriesstaat waren ontdooid. Maar ja, je wílt zo graag. En ze smaakten niet verkeerd, mals gesudderd in kruidige kokosmelk. Oké, niet zo heel Provençaals, qua recept. Zal wel aan de oriëntaalse invloeden op de dorpsmarché gelegen hebben. Maar ik ben in elk geval niet met een India’s flodderjurkje thuisgekomen.

Ingrediënten:
16 grote rauwe gamba’s
3 tomaten
1 grote ui
3 tenen knoflook
1 theelepel gemberpoeder
1 theelepel komijn
1 theelepel koriander
1 eetlepel kerrie
20 cl kokosmelk
1 citroen
½ bosje peterselie
scheutje sesamolie (facultatief)
olijfolie
zout, peper

Bereiding:
Pel en snipper de ui, pel de knoflooktenen.
Haal de harde kern uit de tomaten en snij ze in blokjes.
Hak de peterselie grof.
Pel de gamba’s (laat de koppen zitten voor het aroma), snij het ruggetje open en haal daar de zwarte sliert uit; dat is het darmkanaal en smaakt niet prettig.
Verhit een scheut olijfolie in een ruime pan en bak de gamba’s er aan beide kanten snel in aan, tot ze net rood kleuren. Vis ze uit de pan en hou ze apart.
Fruit de ui glazig in hetzelfde bakvet, knijp er de knoflooktenen boven uit en laat die even meebakken.
Doe de tomatenblokjes erbij, laat even mee sudderen en voeg dan de gember, komijn, koriander en kerrie toe. Doe er eventueel een scheutje sesamolie bij voor het extra-lekker-effect.
Voeg de kokosmelk toe, plus zout en peper naar smaak, en laat alles nog een paar minuutjes door sudderen.
Verdeel de gamba’s over de borden, schep de saus er overheen en bestrooi met de gehakte peterselie. Snij de citroen in vieren en versier elk bord met een partje, naar eigen initiatief uit te knijpen. Geef er rijst bij, en een glas wit of rosé.

De stemming op het dorp

do 27 april 2017

 

Afgelopen zondag toch maar even naar het dorp gegaan om de stemming te peilen. Dat ging zomaar niet. Zelden zoveel drukte op het dorp gezien. Maar ja, deze zondag moest er gestemd worden voor de eerste ronde van de presidentsverkiezingen. En dat hebben we geweten. Parkeren viel al niet mee – het vergde zowat een dagmars om binnen de dorpsgrenzen te geraken – maar eenmaal aangekomen bij het café bleken ook nog eens alle terrasstoeltjes bezet. Niet met toeristen, maar met dorpelingen die hun stem hadden uitgebracht en de gevolgen daarvan eens even uitgebreid, met een goed glas erbij, wensten bespreken. Dat duurde. De voor bij de lunch bestemde stokbroden op de tafeltjes, die bij het bakkertje schuin tegenover het café waren gehaald, zag je bij elk argument verder afgeknabbeld worden, de glazen bijgevuld. We wilden alweer omkeren toen we ineens zachtjes maar stevig bij de ellenboog werden gepakt en met enige dwang naar twee kersverse stoeltjes aan de rand van het terras werden gevoerd. Ik keek verbaasd om. Ninette! De zomerse hulpserveerster die alleen in het hoogseizoen meehelpt de toeristenstromen van drankjes te voorzien. Blijkbaar opgetrommeld vanwege de onvoorziene drukte en niet te beroerd om bij te springen. Ik zoende haar uitbundig op beide wangen, zij de echtgenoot ook. Ze had ons zien staan, zei ze, en besloten dat wij als ‘vriendenklanten’ hoe dan ook een plekje moesten krijgen. Dus had ze twee stoeltjes uit het binnenste van het café gehaald en kwam ze nu aanzeulen met een tafeltje. “Of we er ook nog een parasol bij wilden?” We vonden een drankje al meer dan genoeg. Dat stond in ‘no time’ voor onze neus; zelden iemand zó snel, efficiënt en beminnelijk meegemaakt als Ninette. En ze heeft een zwaar vak, zeker in het hoogseizoen. Ze maakt lange uren en sjouwt volle dienbladen heen en weer tussen het café – waar ze drie treden op en af moet klauteren – en het terras aan de overkant van de straat. Automobilisten stoppen eerbiedig als ze statig oversteekt, ook toeristen; Ninette straalt gezag uit, maar altijd met een vriendelijke glimlach. En al is ze nog zo verhit van al dat gesjouw, ze heeft altijd ijskoude wangen. Ik heb haar er eens naar gevraagd, want het leek me niet normaal. “Ah”, legde ze lachend uit, “ik koel ze af met ijsklontjes, voor de vriendenklanten.” Ik keek blijkbaar erg avondblond. “Om te kussen”, verduidelijkte ze, “bij begroeten en afscheid nemen. Als ik hete en bezwete wangen heb vind ik dat een beetje smerig voor ze.” Wat een service.
Terwijl we van ons drankje nipten keken we naar de auto’s die zich vredig en zonder gevloek en getier door de nauwe flessenhals-met-bocht net voorbij de épicerie wrongen. Even na die bocht is een stoplicht, maar dat voorkwam niet dat er met enige regelmaat twee auto’s neus aan neus stonden. Zonder gemor schuifelde er dan eentje achteruit, tot het net weer paste en ze zich langs elkaar heen konden wurmen. Moet je in de grote stad eens om komen.
Het terras vulde zich verder, ook al was er geen plaats meer. Men vond een plekje op het muurtje erachter, hing bij elkaar over de schouders, hurkte naast tafeltjes, stond er maar wat bij. En niemand had zin om naar huis te gaan. Het viel me op dat vrijwel iedereen zich ook behoorlijk had opgedoft. Ik zag veel Indiase floddervodden die afgelopen vrijdag nog op het na een diepe winterslaap ontwaakte marktje hadden gehangen en waarschijnlijk het volgende seizoen niet zouden halen. Opvallend veel knalrood geverfd haar, en sportschoenen met witte zolen; kortom, de laatste dorpsmode. En veel opgerolde T-shirtmouwen waar ruim bemeten tatoeages onderuit rolden. Bij het tafeltje naast ons hurkte een slanke rossige ‘femelle’ voor een knus praatje met een potige verschijning vol huisvlijttatoo’s. Het kwam niet bij hem op haar zijn stoeltje aan te bieden, het kwam wèl bij haar op dat het toch al ultrakorte rokje aanzienlijk meer onthulde dan de rondom haar bovenbeen aangelegde tatoeage van een ouderwetsche zwartkanten kousenband. Het werd een heel geanimeerd gesprekje. Tot zijn echtgenote met ijsjes en kinderen terugkeerde vanuit het café en het gezellige onderonsje met een paar vileine luchtkussen afblies. Ook verkiezingsstrijd, zullen we maar zeggen.
Intussen liep de verkiezingsdrukte af en het terras leeg, lunchtijd.
’s Avonds zagen we de landelijke uitslagen op tv: Macron een, Le Pen twee.
Ik zocht op internet op wat ons dorp gedaan had, en vond niks. Pas twee dagen later kon ik de uitlagen achterhalen. Er was in overgrote meerderheid voor Marine Le Pen gestemd (30,44%), want hier in het zuiden is het Front National razend populair. Emmanuel Macron kwam in ons dorp pas op de vierde plaats (16,25%), na de rechtse kandidaat François Fillon (20,52%) en de ultra-linkse Jean-Luc Mélenchon (19,70%). De opkomst, maar dat had ik zelf al kunnen constateren, was liefst 84,78% geweest. En ik durf de verkiezingsuitslag van de tweede ronde van volgende week zondag nu al te voorspellen: onwrikbaar hetzelfde, zege voor mevrouw Le Pen, maar da’s niks nieuws.
Ik mag niet meestemmen, maar ik zal er weer bij zijn. Op het caféterras, als waarnemer, vanachter een glas rosé. En een uurtje eerder, om een stoeltje te bemachtigen en niks te missen. Want buiten het stemlokaal valt veel meer te beleven dan erbinnen.

Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken. Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Dit weekeinde sluiten zo’n beetje alle skistations hier in de Alpes-du-Sud, maar dat betekent niet dat het er echt warmer op wordt. Jawel, we hebben een tijdje lekker weer gehad, maar deze week sloeg de kou ineens weer genadeloos toe en was het afgelopen met de buitenlunch. Nachtvorst, ijzige mistral, dat werk. En als verzuiderlijkte noorderling trok ik meteen m’n schippestrui, dikke duffel en dubbele wintersokken weer uit de kast. Evengoed loop ik te rillen, en heb ik meteen geen trek meer in zonnige zomerslaatjes en lichte hapjesniemendalletjes. Ferme kost moet het zijn, troosteten voor gevorderden. Maar ook weer geen stugge winterstoemp, ik ben al depri genoeg. Een tartifle dus. Klinkt fleurig, smaakt smeuïg en kan het sombere gemoed weer een ‘boost’ geven. Een ovenschotel met aardappel, kaas, en uien waarvan de Savoyars zeggen dat ze ‘m hebben uitgevonden, maar hier de Provence weten we wel beter; het waren de Romeinen, die hebben ook hier flink lang rondgehangen en aardig wat recepten rondgestrooid. In de Savoie noemen ze het een tartiflette (aardappel in het arpitan-dialect dat ze daar spraken), en stoppen ze er de plaatselijke reblochon in. Wij noemen ‘m tartifle (naar tartiflâ, uit het arpitan dat ze hier in de Provence spraken) en maken hem liever met Italiaanse gorgonzola. En niks geen spekjes: kipreepjes. Maar wie liever vegetarisch wil laat ze er gewoon helemaal uit. En champignons, en peterselie, en knoflook. En vanzelfsprekend komt er geen boter aan te pas, maar olijfolie. Als je daar niet warm van wordt …

Ingrediënten:
2 grote kipfilets
250 gram (kastanje)champignons
½ bosje platte peterselie
4 aardappelen
2 uien
2 tenen knoflook
200 gram gorgonzola
1 dl room
1 dl witte wijn
olijfolie
zout en zwarte peper uit de molen

Bereiding:
Schil de aardappels en kook ze halfgaar in ruim water met wat zout. Laat ze afkoelen en snij ze in plakken.
Snij intussen de kipfilet in reepjes.
Snij de champignons in plakjes.
Pel en snipper de ui, pel de knoflooktenen.
Hak de peterselie grof.
Snij de gorgonzola in blokjes.
Verwarm de oven voor op 180°C.
Verhit een scheut olijfolie in een ruime koekenpan en bak de kipreepjes er snel in aan, af en toe omroeren zodat ze aan alle kanten bruin worden.
Doe de ui erbij en bak die nog een paar minuten mee, voeg de champignons toe.
Knijp de knoflooktenen er over uit, roer door, laat alles nog even sudderen en draai het vuur uit.
Vet een ovenvaste schaal in en verdeel de helft van de aardappelschijfjes over de bodem. Bestrooi ze met wat peper en zout.
Verdeel de kip/ui/champignonmassa over de aardappellaag, bestrooi met peterselie en leg de resterende aardappelschijfjes daar weer bovenop.
Verdeel de stukjes gorgonzola over de aardappels, meng de wijn en room in een kommetje door elkaar en giet dat gelijkmatig over alles heen.
Laat de schotel in zo’n 30-35 minuten in het midden van de voorverwarmde oven gaar worden.
Stokbroodje erbij, iets van een salade voor de frissigheid, en een lekker glaasje fruitig rood.

Niet-zo-Vlaamse-gaai

do 20 april 2017

“Nee hè! ’t Is weg! Alles!”, meldde ik aan de echtgenoot terwijl ik verbijsterd uit het keukenraam keek. Dat was de zoveelste keer dat de voedertafel voor de nooddruftige overwintervogeltjes in één nacht compleet was leeggeratst. De halve winter niks aan de hand, beleefde roodborstjes, koolmeesjes en een enkele boomklever die beschaafd in de vetbollen en de pinda’s pikten en als dank een vrolijk riedeltje lieten rollen. Normaal gesproken was één keertje per week de boel bijvullen ruim voldoende.
“Roofvogels”, bromde de echtgenoot vanachter het nieuws, maar het had ook ‘rotvogels’ kunnen zijn. Hij vindt die ‘overvoerde achtertuinvogeltjes’ arrogant volk sinds ze zijn goed bedoelde oudbakken stokbrood hebben laten staan en op de nieuwe vetbollen en pinda’s bleven wachten.
Ik vulde de voorraden maar weer aan en stond een tijdje peinzend door het keukenraam naar het af- en aanvliegen van die voorzichtige vederbolletjes te kijken. En schrok met ze mee toen er ineens met veel gekrijs een gigantische bontgekleurde vogel midden op de tafel landde, een zooitje pinda’s aan gort ramde en er vervolgens met een complete vetbol vandoor ging, plastic netje en al. Even later kwam ie terug, voor de rest van de pinda’s. Of het was er nog eentje, maar in elk geval was de voedseltafel binnen vijf minuten afgeruimd.
“Wat was dat?!” zei de echtgenoot, die bij me was komen staan.
“Een Vlaamse gaai! Geloof ik…” Sinds we een paar jaar in Portugal hebben gewoond durf ik dat niet meer met zoveel stelligheid te beweren; daar zag ik ze werkelijk overàl vliegen. En werd er toen smakelijk om uitgelachen. Achteraf bleek het trouwens te kloppen, er zat een hele kolonie in de buurt van waar we woonden. Maakte niet uit, ik word er nog steeds mee gepest. Humor.
“Maar misschien is het niet zo’n Vlaamse gaai”, zwakte ik af.
“Hm”, zei de echtgenoot, en ging aan het werk.
Vanaf toen kreeg ik met enige regelmaat te horen dat “jouw niet-zo-Vlaamse-gaai” de boel weer eens had leeg gevreten. Ook humor.
Dit weekeinde vertelde ik het tijdens de borrel aan de buuf-met-de-moestuin van een eind verderop. Ze begreep het verkeerd: “Un flamant?” riep ze uit, “wil je me dan meteen roepen als hij er weer is!” Een flamingo in onze achtertuin, dat wilde ze wel eens zien.
Na enige herverbeterde uitleg begreep ze dat het om een ‘geai flamand’ ging, en ebde de belangstelling weg. “Die zitten hier bij bosjes.”
Ik keek triomfantelijk naar de echtgenoot. “Ah, les Flamands” knikte hij met neutrale blik, “die zitten overal. Moet je voor oppassen.” De buuf babbelde al weer verder.
“Wat bedoelde jij nou?”, vroeg ik bij thuiskomst, “met oppassen voor Vlamingen?”
“Ben je vergeten wat ons een tijdje terug bij de snacktent overkwam?”
Aj! Dat was ik inderdaad vergeten. En snelle lunch op het dorp bij het enige behoorlijke eethuisje, dat we liefkozend de snacktent zijn gaan noemen. Druk, alle tafeltjes bezet, maar er werd uitsluitend Frans gesproken dus we waanden ons onderling; we babbelden voor het gemak in het Nederlands. Het ging ook over het naastgelegen tafeltje, waar twee verveelde tieners overduidelijk niet blij waren met het door hun ouders gevierde ‘fijn-samen-op-vakantie-gevoel’. Ze hingen lamlendig in hun stoeltjes en hadden alleen oog voor het schermpje van hun mobieltjes. Ik geloof niet dat ze de maaltijd bewust hebben meegemaakt.
Wij vonden er wat van, opvoeding en zo, en dat was niet vleiend, maar ze verstonden ons toch niet. Dachten we.
Toen ze weggingen zeiden de ouders ten afscheid “Dááháágch”, op dat lijzige Vlaamse toontje. Ze hadden dus àlles verstaan. We bloosden beschaamd een groet terug, maar in het voorbijgaan knipoogde de vader olijk. Hij had het óók gesnapt, maar wat moest ie anders.
Neemt niet weg dat zo’n gedachte taalbarrière je slechts schijnveiligheid biedt. Er hoeft maar één Belg in de buurt te zijn of je kunt maar beter in alle talen zwijgen.
“Inderdaad”, gaf ik de echtgenoot gelijk, “Flamands, altijd oppassen.”
In de tuin stond de voedertafel er leeg en verlaten bij. Flamands, ze zitten ècht overal.

Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken. Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Tja, dat gaat dus niet meer hè, een lamsbout in de oven schuiven voor Pasen. Niet als dat lammetje net nog aan je vingers heeft gelikt in je eigen achtertuin (lees hier) om daarna in totale onwetendheid van het hele Paasgebeuren dartel weg te huppelen naar nog zo’n stelletje wolbalen in wording. Je zou er vegetarisch van worden. In elk geval voor mij geen Paasbout dit weekeinde. En dus ook geen bijbehorend recept. In plaats daarvan wordt het een brioche, ook heel Pasig en heel smakelijk om de dag mee te beginnen. Een soort van zoet broodje met een gekookt ei in het midden, je zou het een alternatief eierdopje kunnen noemen dat je samen met je ochtendeitje opeet. In de oorspronkelijke versie uit Nice – Lou Chaudèu – die stamt uit de Middeleeuwen, worden die eieren gekookt in water met diverse kleur-gevers (spinazie voor groen, bieten voor rood, uien met saffraan voor geel enz.) en gaan ze mee de oven in. Tegenwoordig wordt er voedselverf voor gebruikt. Vind ik helemaal niks. Ik bak liever de broches zònder, en kook de eieren apart (hard of zacht, naar ieders wens) en zonder kleurtje, dat doorgaans niet tot de schaal beperkt blijft maar ook het eiwit mee ‘verft’ en afgeeft op het briochebrood.

Ingrediënten:
600 gram bloem
100 gram suiker
75 gram boter op kamertemperatuur
1 zakje korrelgist
20 cl lauwe melk
3 eetlepels eau de fleur d’oranger (oranjebloesemwater)
2 losgeklopte eieren
1 snufje zout
1 ei, losgeklopt met 1 eetlepel water
6 eieren
ahornsiroop (of andere siroop)
gekleurde hagelslag o.i.d.
olijfolie

Bereiding:
Meng in een ruime kom de bloem, de gist, de lauwe melk, het oranjebloesemwater, de boter, de 2 losgeklopte eieren, de suiker en een snufje zout door elkaar. Kneed het mengsel tot een stevige deegbal die niet meer aan de vingers blijft plakken.
Vet en tweede kom in met wat olijfolie, leg het deeg erin, dek de kom af met een theedoek en laat het een uur rusten.
Kneed het deeg opnieuw en verdeel het in 12 gelijke stukken, rol die uit tot ‘knakworstjes’dikte, en vlecht ze twee aan twee aan elkaar. Plak de uiteinden aan elkaar vast, zodat je een rondje krijgt; zeg maar, een gevlochten doughnut met zo’n gat in het midden.
Vet een bakblik in, of bedek het met bakpapier.
Leg de deegrondjes erop, bedek ze met de theedoek en laat ze nog een uurtje rijzen.
Verhit de oven voor op 180 graden.
Bestrijk de deegrondjes met losgeklopt ei, zet de bakplaat in het midden van de voorverwarmde oven en laat de brioches in 20-25 minuten goudbruin en gaar worden.
Haal ze uit de oven, leg ze op een rooster, bestrijk ze met wat siroop en strooi er wat gekleurde hagelslag, amandelschaafsel, of andere decoratie over en laat ze verder afkoelen.
Kook intussen de eieren op de gewenste gaarte, leg in het midden van elk van de brioches een ei en serveer meteen.

Schaapjes in de tuin

do 13 april 2017

En toen hadden we ze ineens op het droge: schaapjes. Een stuk of driehonderd, zomaar van de andere kant van de rivier overgestoken naar onze achtertuin. We kregen er vijf honden en een herder bij. De laatste was eerst wat schuchter, hij was er niet helemaal zeker van of zijn wollige invasie wel was toegestaan. Maar ik kon hem geruststellen; het verzoek om graasgrond dat ie bij de burgemeester van het dorp had neergelegd had ook ons bereikt, en vanzelfsprekend hadden we ‘ja’ gezegd. Het is nogal een godswonder dat er nog steeds herders met spaarzame kuddes rondtrekken door het Provençaalse platteland dat meer en meer met oprukkende toeristenhordes en villabewoners te maken krijgt; ik ben niet voor niks verhuisd van een ooit primitief gehucht dat steeds sneller veranderde in een tourist trap, naar een nog verder afgelegen vlekje op de kaart dat tot nu toe redelijk gezapig is gebleven.
“Dat het nog kàn!”, was dan ook de eerste reactie toen monsieur le maire vroeg of ons terrein onderaan de rivier eventueel begraasd zou mogen worden, “un debroussaillage bio”, zoals hij het noemde.
“Mais oui, bien sûr! Volontiers!”
En zowaar, eind van de dag klingelden de schapen- en geitenbellen vrolijk de openstaande ramen binnen. En ja, dan moet je natuurlijk even kennismaken. We daalden het pad achter het huis af, tot op gepaste afstand van de grazende wolbalen; ik had in de gauwigheid behalve drie bedrijvig rondrennende zwarte honden, twee forse witte patou’s gezien, een beetje afstand bewaren kon geen kwaad. De kranten meldden geregeld over ondoordacht toeristenvolk dat dacht even zo’n schattig lammetje te aaien en er een fikse knauw aan overhield. Deze patou’s kwamen ons meteen afsnuffelen. En porden tegen de broekzakken van de echtgenoot.
“Je hebt toch niet?!”
“Páár brokjes! Da’s alles.”
De patou’s bleven aan z’n voeten zitten tot de herder ze uit de verte terugfloot.
“Die dieren zijn aan het werk hoor.”
Maar de echtgenoot wandelde al achter ze aan naar beneden en even later zag ik hem kniehoog wegzinken tussen de wolzee, hier en daar een lammetje aaiend en een geit aanhalend; de echtgenoot heeft een zwak voor geiten. In een grijs Hollands verleden had hij er zelf een paar. Later, in onze begintijd in Zuid-Frankrijk, bouwde hij een speciale band op met een bruine geit uit de kudde van een buurboer. Caramelle was een beetje bijzonder, als piepklein geitje door de moeder verstoten en min of meer geadopteerd door de herdershonden, wier gedrag ze al snel overnam. Dus liep ze – ook toen ze al ruimschoots volwassen was – als een puppie achter de herder aan en, zodra ze hem zag, ook achter de echtgenoot. Zo’n effect had hij trouwens ook op de ezeltjes van de buurboer die hij regelmatig wat oud brood ging brengen in het naastgelegen weiland. Die langoren stonden op een avond zelfs ineens in de keuken, door de openstaande deur op weg naar m’n versgebakken brood dat op het aanrecht lag af te koelen. “Ach”, zei de buurboer die we gebeld hadden, “ze kwamen zeker op de geur af.” Zou kunnen, ze gingen pas mee naar huis toe we de buurboer een brood als lokaas hadden meegegeven. Maar of ie het gedeeld heeft …
Intussen viel de avond in onze achtertuin en dreven de patou’s de kudde naar het nachtverblijf aan de overkant van de rivier. Het klingelde nog lang, tot ook de laatste lammetjes uitgeblaat waren en de padden uit onze eigen paddenpoel het avondconcert overnamen.
De volgende morgen viel een beetje vroeg: het ochtendconcert van ons huisgespuis – zo rond en uurtje of zeven – was niet gepland en niet te harden. Voor de tuindeur troffen we de reden aan: het piepjonge hondje van de herder, een minuscuul gratenbaaltje dat de echtgenoot meteen van een fikse bak brokken, een stevige hap versvoer en een ferme kluif voorzag: “Hij heeft honger.”
Dat was duidelijk. Binnen no time was alles schoon op.
“En nu?”, vroeg ik, “die gaat nooit meer weg zo.”
Ik zag aan de blik van de echtgenoot dat hij dat beslist niet erg zou vinden.
“We gaan de herder zoeken”, besloot ik. Ik hoefde niet ver te zoeken, hij zat bovenaan de natuurstenen trap die naar het terrein voerde waar de kudde inmiddels weer vredig graasde. Hij zei geen ‘nee’ tegen een kop koffie, maar bij de tweede vroeg hij wel of die wat minder sterk mocht. Dat was niet voor het eerst trouwens, dat zelfs Fransen m’n café serré te straf vinden. Spierballenkoffie, zullen we maar zeggen.
We raakten aan de praat, ik probeerde voorzichtig of dat magere hondje… Maar nee, dat was een cadeau van een collega geweest. Pas vier maanden, en zo mager omdat ie met alle geweld mee wilde met de rest; in de caravan achterlaten ging niet, hij huilde de hele boel bij elkaar. Hij had Bob (naar Bob Marley, vanwege z’n rastahaardos) gekregen nadat een van z’n honden door een auto met haast was platgereden. “Ze was aan het wérk, goddomme!” Ze waren op weg naar de bergen, tijdens de transhumance, van de Provence Verte naar Saint-Étienne-de-Tinée in de Alpes-Maritimes. Twaalf dagen lopen met zo’n troupeau, deels over departementale wegen waar de automobilist zich koning waant en er geen begrip of ruimte meer is voor een traag langstrekkende schaapskudde. Maar hij moest wel. Vervoer per vrachtwagen was niet te betalen en de beesten moesten toch eten, dus ’s zomers de bergen in. Morgen ging ie weer op pad, maar eind van het seizoen kwam hij graag terug. En of hij de foto’s mocht, die ik gemaakt had. “Tuurlijk. Had hij een emailadres of zoiets?”
“Dat niet, hij had geen computer, maar hij zat wel op Facebook, dat kon via z’n mobieltje. Dus als we vriendjes werden …”
Dat zijn we inmiddels. En de foto’s staan als het goed is, inmiddels op z’n pagina. Kijk zelf maar: https://www.facebook.com/profile.php?id=100008630380404&fref=ts