Fransen en bijgeloof

do 12 september 2019

Vanmorgen, terwijl ik braaf op kantoor zat te werken, hoorde ik ineens een oorverdovend gekletter uit de woonkamer komen. Gevolgd door een hartgrondig “Oh p*tain!” Verschrikt repte ik me de trap af. De ‘dame de ménage’ die me helpt in het huishouden, stond met de hand voor de mond te staren naar de verzameling Afrikaanse beeldjes die normaliter boven op de antieke servieskast staan die in een ver verleden door de meubelmakende opa van de echtgenoot werd gefabriceerd. De collectie reisherinneringen zag er op het oog onbeschadigd uit, dus er leek me weinig aan de hand. Anders ook niet trouwens, ongelukjes gebeuren nou eenmaal, en dan zàl er zo’n beeldje sneuvelen, tant pis.
Maar dat was het niet: bijgeloof, daar ging het om. Deze voor geen kleintje vervaarde Bretonse is als de dood voor die beeldjes. Ze háát het om ze af te stoffen, en àls ze het al doet valt er altijd wel eentje om. En dat betekent onheil en ongeluk. Dus heb ik haar al diverse keren voorgesteld om ze gewoon over te slaan – “stof ik ze toch zelf af” – maar dat is haar eer te na. En nu was de complete collectie van de kast gelazerd. Als dát geen rampspoed betekende!
“Nou”, grapte ik onnadenkend, “bof je nog dat het pas morgen vrijdag de 13e is.” Dat had ik beter niet kunnen zeggen. Ook tegen die rampdag zag ze vreselijk op. Fransen en bijgeloof, het zit diep.
En vrijdag de dertiende is al helemaal een beladen datum. Dat begint al bij het geloof: Jezus, werd gekruisigd op een vrijdag nadat Hij was verraden door de dertiende discipel die aanschoof aan het laatste avondmaal. Hier in Frankrijk wordt vrijdag de 13e ook geassocieerd met de vernietiging van de Orde der Tempeliers (kruisridders) in 1307 door Philips de Schone. Maar het zou ook de dag zijn waarop heksen samenkwamen, de Romeinen (en later de Engelsen) doodvonnissen voltrokken, een Noorse god boos werd en de wereld strafte omdat ie niet als 13e mocht mee-eten aan een tafel van twaalf, en nog zo het een en ander.
Intussen zit er bij miljoenen mensen de angst goed in. En of je het nu bijgeloof noemt of niet, feit is dat er wereldwijd flink wat hotels geen kamer nummer 13 hebben, ziekenhuizen het getal mijden bij de nummering van (operatie)kamers, bij liften in openbare gebouwen het getal niet voorkomt en vliegtuigen soms geen rij of stoel 13 hebben. Jawel, dat komt echt nog steeds voor.
Economisch gezien kost zo’n vrijdag de 13e trouwens flink wat geld: mensen melden zich ziek op het werk omdat ze de deur niet uit durven, en als ze wel komen opdagen presteren ze onder de maat uit angst voor ongeluk(ken).
Ik heb nooit echt gesnapt waarom mensen zich er nou zo druk om maken. Brengt ongeluk? ‘t Zal best, maar waarom kloppen de statistieken dan niet? Volgens het Nederlandse Centrum voor Verzekeringsstatistiek komen er op zo’n ongeluksdag zelfs minder ongevallenmeldingen binnen dan op andere dagen van de week. Omdat mensen extra voorzichtig zijn, of liever thuis blijven. Maar dat is Nederland. In Griekenland, Spanje en Latijns-Amerika is die dag niks aan de hand, dáár moet je juist oppassen voor dinsdag de 13e. En bij de buren, in Italië, is het vrijdag de 17e waarop het ongeluk gegarandeerd toeslaat. Hier in Frankrijk kan het dubbeltje twee kanten op rollen. Of je wint die dag de ‘supergagnotte’ van de Loto of die van de Euro Millions: het aantal lootjeskopers is verdubbeld, of je geeft toe aan je paraskevidekatriafobie (jawel, zo heet extreme angst voor vrijdag de 13e) en komt je bed pas ver na middernacht, op zaterdag de 14e weer uit.
Ik heb onder het argwanend toeziend oog van de Bretonse alle Afrikaanse beeldjes opgeraapt en afgestoft, ben op een stoel geklommen en heb ze één voor één weer op de kast gezet. En hoewel er een paar behoorlijk wankel zijn, is er niet eentje omgevallen.
“Zo, zie je wel, niks aan de hand”, zei ik geruststellend, en tijgerde de trap weer op naar kantoor. Waar ik me herinnerde dat er nog een afspraak gemaakt moest worden voor de ‘controle technique’ van de auto. Ik tikte de afsprakenkalender van de controlegarage in op internet. Zou wel weer druk druk druk zijn. Waarschijnlijk mocht ik blij zijn als ik nog voor het eind van de maand een datum toegewezen kreeg. Dat klopte, een overvolle agenda waar amper een gaatje meer leeg bleek. Tot ik klikte op vrijdag de 13e. Werkelijk een zee aan mogelijkheden, van ’s ochtends vroeg tot sluitingstijd: kiest u maar!
Ik nam de gok en tikte een aangenaam tijdstip in. Op dat moment hoorde ik beneden met kletterend kabaal de Afrikaanse beeldjes van de opakast afdonderen.
“Het was de kat!” riep de Bretonse paniekerig.
“Geeft niet”, riep ik terug, “hij is niet zwart.” Had ik ook beter niet kunnen zeggen.

10 reacties op “Fransen en bijgeloof”

    1. Kijk, Zuid-Frankrijk!

      Dat was op een dinsdag. Die ik nooit meer zal vergeten. Dit schreef ik erover in m’n boek:

      “Het eerste exemplaar van het tijdschrift zou op de Franse ambassade in Den Haag in ontvangst genomen worden door de ambassadeur zelf.
      Een week voor de presentatie belde Ruben naar Frankrijk: ‘Mam, zet de tv aan, nu! Je gelooft het niet!’
      Ik zag met afgrijzen live het tweede vliegtuig het World Trade Center in knallen. Daar had ik op het dak gestaan, zo hoog dat hoogtevrees er niet meer toe deed, ik had er geluncht in de North Tower, in het Windows of the World restaurant met onwaarschijnlijk panoramisch uitzicht over Manhattan, ik had er in het souvenirwinkeltje een belachelijk dure pluchen King Kong voor Ruben en een I love NewYork T-shirt voor Esther gekocht.
      Ik geloofde het niet, dacht eerst dat het een knappe computeranimatie was. De rest van de dag hebben we aan de buis gekluisterd gezeten, zagen we de brandende torens instorten, de mensen in wanhoop uit de ramen springen. Moord en zelfmoord live op de televisie, omdat een stel terroristen een punt wilde maken. In één klap veranderde de wereld voorgoed.

      Dat de Amerikaanse ambassade zo dichtbij de Franse lag, wisten we niet. Dat de zee van bloemen voor de Twin-Towersslachtoffers daar voor de deur zo onafzienbaar zou zijn, ook niet, we kwamen vers ingevlogen.
      ‘We zien overal vanaf ’, zei ik tegen Pierre toen we er diep onder de indruk bij stil bleven staan. Hij knikte. ‘We gaan alleen die ambassadeur even netjes een handje geven, en that’s it.’
      ‘Geen sprake van.’ De advertentieverkoper van ons blad was beslist: ‘Ik heb hier ook klanten uitgenodigd, we gaan gewoon door.’ Pierre en ik keken elkaar aan, dit was niks voor ons, wegwezen. Te laat.
      De zaal stroomde vol op het moment dat wij naar de uitgang onderweg waren. De ambassadeur zat al meteen pontificaal op haar goudkleurige Renaissance-stoeltje vooraan, en vlakbij de buitendeur werden we onderschept door Ruben. ‘Pa en Babs komen eraan, Esther is er ook.’
      Esther is er ook, mijn dochter… Ik had haar zo’n tien jaar niet meer gezien of gesproken.”

  1. Mari-jan van Tricht

    Mijn man is gestorven op vrijdag de 13e september. Vandaag 6 jaar geleden.
    Sindsdien moet ik het alleen doen in “la Douce ” .Altijd nog beter dan alleen in Nederland. ….

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Of reageer met je Facebook account

Scroll naar top