Home



Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Ik overdrijf misschien, maar ik geloof dat er in heel Zuid-Frankrijk geen gezin en ook geen restaurant te vinden is waar géén eigen variant van ‘bourride’ met enige regelmaat op tafel komt. Volgens mij zijn er van die soep in de in de Provence net zoveel varianten als zonuren, en dat zijn er nogal wat: tegen de 3000 op jaarbasis. En nu het eindelijk een beetje lijkt te gaan zomeren vind ik een mooi-weer-soep wel op z’n plaats. ’t Is een licht verteerbare soep ook, geen dikke winterbrij waarbij je volautomatisch visioenen krijgt van Friese doorlopers en Noorse kabeltruien. Nee, deze soep is vrolijk zomers en toch voedzaam genoeg om voor een hele maaltijd door te kunnen gaan. Volgens de overlevering stamt de bourride nog uit de tijd van de Feniciërs; antieke Grieken die in 600 voor Christus naar de Provence kwamen en er de havenplaats Massalia stichtten, het huidige Marseille. Die Grieken brachten trouwens ook de eerste wijnstokken mee waardoor Frankrijk het wijnland werd dat het nu is. Er ging dan ook logischerwijs een ferme plas wijn in de bourride, maar het waren eeuwen later de vissers van Marseille die er ook een glaasje pastis in kieperden. Dat doen de Marseillais nog steeds, en dat moet dan ook nog eens per se een glaasje Pastis de Marseille zijn, maar dat vind ik onzin; alle pastis (Ricard, Pernod, 51, of een van al die andere lokale merken) is goed. Probeer het maar eens. Maar geef er wel een mooi glas Provençaalse rosé naast.

Ingrediënten:
1 kilo filets van verse witvis (baars, brasem, zeeduivel, wijting, heilbot, zonnevis, tarbot, kabeljauw enz.)
koppen en graten voor de bouillon, of een kant-en-klare visfond
12 grote garnalen of rivierkreeftjes
1 grote ui
2 preitjes
1 winterwortel, of vier ‘gewone’
8 tenen knoflook
½ l droge witte wijn
½ l water
1 grote schoongeboende sinaasappelschil
3 takjes tijm
half bosje peterselie
2 laurierbladeren
1 borrelglaasje pastis
peper en zout
3 eierdooiers
olijfolie

Bereiding:
Vraag aan de visboer om de vissen te ontschubben en te fileren als dat nog nodig is. Vraag hem meteen om voldoende graten en vissenkoppen om een liter bouillon van te trekken.
Breng wijn en water in een ruime pan aan de kook. Doe de koppen en graten, plus de sinaasappelschil erbij en laat een uurtje op laag vuur trekken. Giet daarna de bouillon door een zeef in een kom en doe ‘m terug in de pan. Gooi graten en koppen weg.
Bij gebruik van een visfond, de wijn met de fond vermengen (eventueel met water erbij; zie de aanwijzingen op de verpakking) en even door laten koken.
Pel en snipper intussen de ui. Haal het donkere groen, plus het kontje en het buitenblad van de preitjes en snij ze in ringetjes. Pel de knoflooktenen. Schil de wortel en snij in plakjes. Hak de peterselie grof op een paar takjes na.
Voeg alle ingrediënten toe aan de bouillon, behalve het glaasje pastis, de vis en schaaldieren, en hou een paar takjes peterselie en 4 tenen knoflook apart. De andere 4 tenen boven de bouillon uitknijpen.
Laat de bouillon nog circa 20 minuten doorpruttelen, voeg dan de vis en de garnalen of rivierkreeftjes toe en laat alles nog een minuut of tien mee pruttelen. Draai het vuur uit, schep de vis en de schaaldieren uit de pan, doe ze over in een vuurvaste schaal en hou ze warm in de oven op de laagste stand. Breng de bouillon op smaak met peper en zout en laat afkoelen tot matig warm.
Scheidt de eieren. Pers de achtergehouden tenen knoflook uit boven een kom en voeg de eierdooiers plus wat peper en zout toe. Klop of mix de dooiers los, en giet er beetje bij beetje kleine scheutjes olijfolie bij, tot er een dikke mayonaise ontstaat. Voeg daarna net zo lang een soeplepel van de warme bouillon toe tot de mayonaise een soepele crème geworden is. Giet deze al roerend, scheutje voor scheutje, terug in de pan met bouillon zodat de soep mooi gebonden wordt. Verwarm de soep weer tegen de kook aan, en draai het vuur uit. Roer er dan pas het glaasje pastis door.
Verdeel de vis over vier borden en giet er een flinke plas soep omheen. Bestrooi met fijngehakte peterselie. Geef er stokbrood bij, en dat mooie glas Provençaalse rosé.

Geurverbod

do 18 mei 2017

Vanmorgen in het café al bijna traditiegetrouw gezoend door de kroegbazin, ik begin er min of meer bij te horen. ‘En dat was ‘m weer’, wist ik meteen. Ik bestelde nog wel het gebruikelijke glaasje rosé, maar het was duidelijk dat ik er niet veel meer van mee zou krijgen. Proeven is voor een goed deel ruiken, en dat lukt me niet meer met een neus boordevol overdadig opgespoten Patchouli. Ja, dat hippieluchtje uit de jaren zestig bestaat nog en zij heeft het herontdekt. Ik overwoog even m’n wangen te wassen bij de naast het terras gelegen fontein maar dat doe je niet. Niet als je hier in dit dorp nog wat langer denkt rond te hangen en een exit met pek en veren wilt vermijden. Ik heb discreet een punt van m’n overhemd in de rosé gedompeld en een beetje geboend. Dat hielp, we namen er nog eentje.
Kijk, ik hèb geen neus, ik bèn een neus. En als ik vroeger geweten had dat je daar je beroep van kon maken had ik het gedaan ook, want hier in Grasse (nou ja, stukje verderop) stikt het van de laboratoria waar elke neus welkom is. Er werd en wordt de basis gelegd voor de grote parfums van de wereld. Denk Chanel no. 5, L’Air du Temps van Nina Ricci, J’adore van Dior, Hugo van Hugo Boss, alles van Jean Paul Gaulthier, ik noem maar wat. Voor een beetje ‘nez’ wordt in de parfumindustrie een riante vergoeding neergeteld. En ik voldoe aan alle voorwaarden: ik ruik scherp, ik ruik alles, en elke geur kan ik doorgaans tot in de finesses determineren. Dat is geen pretje, althans niet altijd, en bij samengestelde of overheersende geuren is het een ramp. Maar als het je beroep is werk je in een zoveel mogelijk geurvrije ruimte met kleine ‘luchtjes’ die je voorzichtig en op toerbeurt uit keurig afgesloten flesjes op papierstripjes druppelt. Daar snuf je aan, je voegt er een paar samen, haalt er weer eentje weg, gaat naar buiten om je neus op te frissen terwijl de ventilator je werkvertrek schoon zuigt. En begint opnieuw. Net zolang tot je het ideale nieuwe parfum hebt samengesteld. Misschien niet meteen Chanel no. 6, maar toch, best een leuke baan. En na werktijd trek je de deur achter je dicht en hoef je niks meer te ruiken. Nou ja, niet beroepsmatig dan, zo’n neus valt helaas niet uit te zetten. En in het dagelijks leven is dat best een probleem, soms.
Thuis niet, dat heb je het min of meer zelf in de hand. Door vooral géén chemische luchtjeskillers in huis te halen bijvoorbeeld. Zo’n flesje ‘verfrisser’ in het stopcontact? Dacht het niet: dan ruik ik niet alleen de hondenmanden maar ook de hele chemische samenstelling van dat goedje. Spuitbus op het toilet? No go: raampje open. Ouwe sportschoenen met ingebakken zweetlucht? Spuit ze vol met geurverdrijver, trek ze nog één keer een dagje aan en ik flikker ze meteen de vuilnisbak in.
Buiten in de natuur, ook geen probleem. Het riekt hier nu overheerlijk naar verse brem langs het pad, laurier een stukje verderop, voorjaarsvijgen en kersen (nee, geen bloesem, die is al geweest) bij de weide, zompig mos naast de paddenpoel en zuiver water bij de rivier. Als de echtgenoot er tenminste niet met een sigaar naast loopt te dampen, maar ook dat is een natuurlijke geur; dat kan ik hebben.
Maar ik word ronduit chagrijnig als ik ergens een hapje ga eten en aan het belendende tafeltje neemt iets plaats dat al bij binnenkomst de tent uit meurt (om het even op z’n Rotterdams te zeggen, is ook weer herontdekt sinds Feyenoord), zodat de rest van je maaltijd vergald wordt door een lucht waar je tegen aan kunt leunen en je bij elke hap die hele buurchemie mee naar binnen proeft. Geldt trouwens ook voor al die veel te uitbundig opgespoten aftershaves en deodorants; naarmate je een luchtje langer gebruikt ruik je het minder dus hup, omhoog die dosis, tot je als een walmende geurkaars je omgeving teistert.
Er is in de horeca een rookverbod; wie wil dampen wordt naar buiten verbannen. Een prettige sigaar opsteken na een mooie maaltijd mag niet. Ongezond, overlast. Maar met een hele chemische fabriek op je lijf kom je overal ongestoord binnen. Lijkt me ook overlast. En ongezond, want als die dampen jou al niet bedwelmen, dan doen ze het je omgeving wel.
Ik pleit dus voor een totaal geurverbod voor horeca, openbaar vervoer, openbare ruimten en de vrije natuur. Meuren doe je maar lekker thuis.

Ik ben fan van Ewoud Sanders, de maker van de rubriek Woordhoek in NRC/Handelsblad. Even afgezien van wat achtergebleven dierbaar familievolk, is hij eigenlijk wel de prettigste connectie die me nog met het oude vaderland verbindt sinds ik zo’n ruime kwarteeuw geleden naar Zuid-Frankrijk uitweek. Taal, daar draait die rubriek om: gedefinieerd, geduid, gefileerd, gevolgd, gevonden, geschied en vooral gevoeld en geproefd. Ik mag graag in die Woordhoek grasduinen, toch nog iets met Nederland. In de aflevering van vandaag kwamen woorden aan bod die in het Nederlands ontbreken, maar er wellicht wel een plaatsje in zouden moeten krijgen. Prachtige vondsten. Zoals ‘leuterator’ (zeg maar ouwehoer) en ‘Michelinfenomeen’ voor dikdoenerij. Met name die laatste spreekt me aan; in een ver verleden tijd, toen ik nog schreef voor de restaurantgids Lekker, bedacht ik het woord ‘culicinatie’ voor een uit de hand gelopen creatie van de zoveelste hallucinerende keukengod. Ik kom ‘m nog steeds in restaurantrecensies tegen. En de laatste tijd vind ik ook ‘avondblond’ met enige regelmaat terug, een term die ik bedacht voor domme blondjes op leeftijd (sic).
Heb ik geprobeerd uit te leggen, hier in m’n dorp. Een vertrouwelijke babbel met de kroegbazin toen ik aan de toog m’n glaasje kwam verversen; ik vind het onzin om haar het hele lange zebrapad vanuit de kroeg over de doorvoerende départementale naar het terras aan de overkant te laten oversteken als ik net zo goed even de andere kant op kan, en zij intussen de rest van de toogklevers kan bedienen. ‘t Ging over een paar overduidelijk Hollandaise meivakantiegangsters, de fietsen-met-hulpmotor tegen de balustrade van het terras geparkeerd, die op ons ‘heure de l’apéro’ – het was half twaalf – bij hun ‘café au lait’ een croissant van de naastgelegen niet-zo-warme-bakker (het is een depot de pain, alleen voorgeleverde afbaksels) op het caféterras nuttigden. Niet snappend dat dat dus de dood in de pot is voor zo’n dorpskroegje, dat om het hoofd boven water te houden ook in hapjes en lunches doet. Ook niet te kanen, maar daar gaat het niet om. Het ging om het onbegrip van deze dames op leeftijd.
“Avondblond!”, verklaarde ik tegen de fulminerende kroegbazin, die haar handel zag verdampen maar desalniettemin uiterst correct bleef tegenover de beige fietsjackjesbrigade die het bij die ene sloot melk met een kleurtje liet.
“Abondeblonde?” vroeg de cafépatronne verbaasd.
“Non, avondblond”, legde ik uit, “la blonde agée, la blonde grise.”
“Ah! Comme ça.” Ze had het begrepen, zij wel. La Blonde, da’s internationaal. En de term ‘avondblonde’ inmiddels ook. Als je me er maar niet op aanspreekt.

Beetje stil

do 4 mei 2017

Beetje contemplatieve bui vandaag. Het is er het weer, en er de dag voor, een treurige, regenachtige 4 mei, dodenherdenking in Nederland. En ik zit met een rotgevoel dat ik heb overgehouden aan het debat gisterenavond tussen ‘madame’ Marine Le Pen van het Front National en ‘monsieur le ministre’ Emmanuel Macron van En Marche!, die allebei president van Frankrijk willen worden. En ik vind ze allebei eng. Mevrouw Le Pen (wier vader het Front National oprichtte en een fervent xenofoob en holocaustontkenner is) heeft er jaren over gedaan om die ultra rechtse partij een beetje acceptabeler en minder extreem te maken. Dat leverde haar tijdens de eerste ronde voor de presidentverkiezingen genoeg stemmen op om voor de tweede ronde – dit weekeinde – in aanmerking te komen. Volgens opiniepeilers zou ze zelfs kunnen winnen. Gisterenavond bleek ze kampioen eigen glazen ingooien. Ze ging als een bulldozer het debat in, liet opponent Macron geen moment uitspreken, had haar dossierkennis niet op orde, loog er aantoonbaar lustig op los, overschreeuwde ook de nogal timide debatleiders en verviel uiteindelijk in smalend schamperen. Een van de speerpunten van madame Le Pen was in de voorronde nog dat Frankrijk uit de Europese Unie moest, maar dat zwakte ze af (slechts 28% van de Fransen is voor) en nu moest er een soort van euro komen voor het bedrijfsleven, en de franc terug voor de gewone man. Onhaalbare onzin. Je zal als Frankrijk maar aan die kenau zijn overgeleverd.
“Frankrijk verdient beter”, zei Macron terecht, maar iets te vaak. Hij bleef cool, calm and collected, stoïcijns glimlachend, een ijzig kalme blik uit zijn staalblauwe ogen en pareerde haar opwinding met dossierkennis, ter zake doende argumenten en het voortdurend terugkerend ‘mon project’: zijn plan voor Frankrijk. Allemaal helemaal redelijk, als de keurige bankier die hij is, met het huishoudboekje netjes op orde. En toch mag ik die man niet.
Heeft met z’n ogen te maken. Daar is iets mee. Brigitte Bardot heeft het ook gezien. “Die man heeft ijskoude ogen”, zei ze in de Nice Matin, “en dierenwelzijn interesseert hem niets. Die man heeft geen enkele empatie! Daar moet je niet op stemmen.” Laat onverlet dat BB met een kopstuk van het Front National getrouwd is, dus haar mening zal gekleurd zijn. Maar toch, die ogen…
In mijn idee gaat de presidentverkiezing aanstaande zondag tussen een brulboei en een koele kikker, tussen een xenofobe Frexiste en een calculerende globalist, tussen dit nooit en dat nog minder. “Of je tussen de pest en de cholera moet kiezen”, vonden jongeren die door de krant ‘La Dépeche’ gevraagd werden naar hun stemgedrag. En intussen geven Fransen die er geen trek meer in hebben en niet gaan stemmen uiting aan hun ongenoegen via de hashtag #SansMoile7mai. Tik maar eens in op Twitter. Baggeren verzekerd.
Maar ja, een van de twee zal het toch worden. Waarschijnlijk Macron, ondanks de plotse beschuldiging uit het Le Pen-kamp dat hij een wegsluisrekening op de Bahama’s zou hebben.
En dan denk ik, waar is het Frankrijk gebleven waarop ik ooit verliefd werd?
En nee, daar heb ik geen antwoord op. Misschien morgen, als de zon weer schijnt. Vandaag blijf ik maar even een beetje stil, de woorden zijn al gevonden: https://www.youtube.com/watch?v=4zLfCnGVeL4

De stemming op het dorp

do 27 april 2017

 

Afgelopen zondag toch maar even naar het dorp gegaan om de stemming te peilen. Dat ging zomaar niet. Zelden zoveel drukte op het dorp gezien. Maar ja, deze zondag moest er gestemd worden voor de eerste ronde van de presidentsverkiezingen. En dat hebben we geweten. Parkeren viel al niet mee – het vergde zowat een dagmars om binnen de dorpsgrenzen te geraken – maar eenmaal aangekomen bij het café bleken ook nog eens alle terrasstoeltjes bezet. Niet met toeristen, maar met dorpelingen die hun stem hadden uitgebracht en de gevolgen daarvan eens even uitgebreid, met een goed glas erbij, wensten bespreken. Dat duurde. De voor bij de lunch bestemde stokbroden op de tafeltjes, die bij het bakkertje schuin tegenover het café waren gehaald, zag je bij elk argument verder afgeknabbeld worden, de glazen bijgevuld. We wilden alweer omkeren toen we ineens zachtjes maar stevig bij de ellenboog werden gepakt en met enige dwang naar twee kersverse stoeltjes aan de rand van het terras werden gevoerd. Ik keek verbaasd om. Ninette! De zomerse hulpserveerster die alleen in het hoogseizoen meehelpt de toeristenstromen van drankjes te voorzien. Blijkbaar opgetrommeld vanwege de onvoorziene drukte en niet te beroerd om bij te springen. Ik zoende haar uitbundig op beide wangen, zij de echtgenoot ook. Ze had ons zien staan, zei ze, en besloten dat wij als ‘vriendenklanten’ hoe dan ook een plekje moesten krijgen. Dus had ze twee stoeltjes uit het binnenste van het café gehaald en kwam ze nu aanzeulen met een tafeltje. “Of we er ook nog een parasol bij wilden?” We vonden een drankje al meer dan genoeg. Dat stond in ‘no time’ voor onze neus; zelden iemand zó snel, efficiënt en beminnelijk meegemaakt als Ninette. En ze heeft een zwaar vak, zeker in het hoogseizoen. Ze maakt lange uren en sjouwt volle dienbladen heen en weer tussen het café – waar ze drie treden op en af moet klauteren – en het terras aan de overkant van de straat. Automobilisten stoppen eerbiedig als ze statig oversteekt, ook toeristen; Ninette straalt gezag uit, maar altijd met een vriendelijke glimlach. En al is ze nog zo verhit van al dat gesjouw, ze heeft altijd ijskoude wangen. Ik heb haar er eens naar gevraagd, want het leek me niet normaal. “Ah”, legde ze lachend uit, “ik koel ze af met ijsklontjes, voor de vriendenklanten.” Ik keek blijkbaar erg avondblond. “Om te kussen”, verduidelijkte ze, “bij begroeten en afscheid nemen. Als ik hete en bezwete wangen heb vind ik dat een beetje smerig voor ze.” Wat een service.
Terwijl we van ons drankje nipten keken we naar de auto’s die zich vredig en zonder gevloek en getier door de nauwe flessenhals-met-bocht net voorbij de épicerie wrongen. Even na die bocht is een stoplicht, maar dat voorkwam niet dat er met enige regelmaat twee auto’s neus aan neus stonden. Zonder gemor schuifelde er dan eentje achteruit, tot het net weer paste en ze zich langs elkaar heen konden wurmen. Moet je in de grote stad eens om komen.
Het terras vulde zich verder, ook al was er geen plaats meer. Men vond een plekje op het muurtje erachter, hing bij elkaar over de schouders, hurkte naast tafeltjes, stond er maar wat bij. En niemand had zin om naar huis te gaan. Het viel me op dat vrijwel iedereen zich ook behoorlijk had opgedoft. Ik zag veel Indiase floddervodden die afgelopen vrijdag nog op het na een diepe winterslaap ontwaakte marktje hadden gehangen en waarschijnlijk het volgende seizoen niet zouden halen. Opvallend veel knalrood geverfd haar, en sportschoenen met witte zolen; kortom, de laatste dorpsmode. En veel opgerolde T-shirtmouwen waar ruim bemeten tatoeages onderuit rolden. Bij het tafeltje naast ons hurkte een slanke rossige ‘femelle’ voor een knus praatje met een potige verschijning vol huisvlijttatoo’s. Het kwam niet bij hem op haar zijn stoeltje aan te bieden, het kwam wèl bij haar op dat het toch al ultrakorte rokje aanzienlijk meer onthulde dan de rondom haar bovenbeen aangelegde tatoeage van een ouderwetsche zwartkanten kousenband. Het werd een heel geanimeerd gesprekje. Tot zijn echtgenote met ijsjes en kinderen terugkeerde vanuit het café en het gezellige onderonsje met een paar vileine luchtkussen afblies. Ook verkiezingsstrijd, zullen we maar zeggen.
Intussen liep de verkiezingsdrukte af en het terras leeg, lunchtijd.
’s Avonds zagen we de landelijke uitslagen op tv: Macron een, Le Pen twee.
Ik zocht op internet op wat ons dorp gedaan had, en vond niks. Pas twee dagen later kon ik de uitlagen achterhalen. Er was in overgrote meerderheid voor Marine Le Pen gestemd (30,44%), want hier in het zuiden is het Front National razend populair. Emmanuel Macron kwam in ons dorp pas op de vierde plaats (16,25%), na de rechtse kandidaat François Fillon (20,52%) en de ultra-linkse Jean-Luc Mélenchon (19,70%). De opkomst, maar dat had ik zelf al kunnen constateren, was liefst 84,78% geweest. En ik durf de verkiezingsuitslag van de tweede ronde van volgende week zondag nu al te voorspellen: onwrikbaar hetzelfde, zege voor mevrouw Le Pen, maar da’s niks nieuws.
Ik mag niet meestemmen, maar ik zal er weer bij zijn. Op het caféterras, als waarnemer, vanachter een glas rosé. En een uurtje eerder, om een stoeltje te bemachtigen en niks te missen. Want buiten het stemlokaal valt veel meer te beleven dan erbinnen.

Niet-zo-Vlaamse-gaai

do 20 april 2017

“Nee hè! ’t Is weg! Alles!”, meldde ik aan de echtgenoot terwijl ik verbijsterd uit het keukenraam keek. Dat was de zoveelste keer dat de voedertafel voor de nooddruftige overwintervogeltjes in één nacht compleet was leeggeratst. De halve winter niks aan de hand, beleefde roodborstjes, koolmeesjes en een enkele boomklever die beschaafd in de vetbollen en de pinda’s pikten en als dank een vrolijk riedeltje lieten rollen. Normaal gesproken was één keertje per week de boel bijvullen ruim voldoende.
“Roofvogels”, bromde de echtgenoot vanachter het nieuws, maar het had ook ‘rotvogels’ kunnen zijn. Hij vindt die ‘overvoerde achtertuinvogeltjes’ arrogant volk sinds ze zijn goed bedoelde oudbakken stokbrood hebben laten staan en op de nieuwe vetbollen en pinda’s bleven wachten.
Ik vulde de voorraden maar weer aan en stond een tijdje peinzend door het keukenraam naar het af- en aanvliegen van die voorzichtige vederbolletjes te kijken. En schrok met ze mee toen er ineens met veel gekrijs een gigantische bontgekleurde vogel midden op de tafel landde, een zooitje pinda’s aan gort ramde en er vervolgens met een complete vetbol vandoor ging, plastic netje en al. Even later kwam ie terug, voor de rest van de pinda’s. Of het was er nog eentje, maar in elk geval was de voedseltafel binnen vijf minuten afgeruimd.
“Wat was dat?!” zei de echtgenoot, die bij me was komen staan.
“Een Vlaamse gaai! Geloof ik…” Sinds we een paar jaar in Portugal hebben gewoond durf ik dat niet meer met zoveel stelligheid te beweren; daar zag ik ze werkelijk overàl vliegen. En werd er toen smakelijk om uitgelachen. Achteraf bleek het trouwens te kloppen, er zat een hele kolonie in de buurt van waar we woonden. Maakte niet uit, ik word er nog steeds mee gepest. Humor.
“Maar misschien is het niet zo’n Vlaamse gaai”, zwakte ik af.
“Hm”, zei de echtgenoot, en ging aan het werk.
Vanaf toen kreeg ik met enige regelmaat te horen dat “jouw niet-zo-Vlaamse-gaai” de boel weer eens had leeg gevreten. Ook humor.
Dit weekeinde vertelde ik het tijdens de borrel aan de buuf-met-de-moestuin van een eind verderop. Ze begreep het verkeerd: “Un flamant?” riep ze uit, “wil je me dan meteen roepen als hij er weer is!” Een flamingo in onze achtertuin, dat wilde ze wel eens zien.
Na enige herverbeterde uitleg begreep ze dat het om een ‘geai flamand’ ging, en ebde de belangstelling weg. “Die zitten hier bij bosjes.”
Ik keek triomfantelijk naar de echtgenoot. “Ah, les Flamands” knikte hij met neutrale blik, “die zitten overal. Moet je voor oppassen.” De buuf babbelde al weer verder.
“Wat bedoelde jij nou?”, vroeg ik bij thuiskomst, “met oppassen voor Vlamingen?”
“Ben je vergeten wat ons een tijdje terug bij de snacktent overkwam?”
Aj! Dat was ik inderdaad vergeten. En snelle lunch op het dorp bij het enige behoorlijke eethuisje, dat we liefkozend de snacktent zijn gaan noemen. Druk, alle tafeltjes bezet, maar er werd uitsluitend Frans gesproken dus we waanden ons onderling; we babbelden voor het gemak in het Nederlands. Het ging ook over het naastgelegen tafeltje, waar twee verveelde tieners overduidelijk niet blij waren met het door hun ouders gevierde ‘fijn-samen-op-vakantie-gevoel’. Ze hingen lamlendig in hun stoeltjes en hadden alleen oog voor het schermpje van hun mobieltjes. Ik geloof niet dat ze de maaltijd bewust hebben meegemaakt.
Wij vonden er wat van, opvoeding en zo, en dat was niet vleiend, maar ze verstonden ons toch niet. Dachten we.
Toen ze weggingen zeiden de ouders ten afscheid “Dááháágch”, op dat lijzige Vlaamse toontje. Ze hadden dus àlles verstaan. We bloosden beschaamd een groet terug, maar in het voorbijgaan knipoogde de vader olijk. Hij had het óók gesnapt, maar wat moest ie anders.
Neemt niet weg dat zo’n gedachte taalbarrière je slechts schijnveiligheid biedt. Er hoeft maar één Belg in de buurt te zijn of je kunt maar beter in alle talen zwijgen.
“Inderdaad”, gaf ik de echtgenoot gelijk, “Flamands, altijd oppassen.”
In de tuin stond de voedertafel er leeg en verlaten bij. Flamands, ze zitten ècht overal.

Schaapjes in de tuin

do 13 april 2017

En toen hadden we ze ineens op het droge: schaapjes. Een stuk of driehonderd, zomaar van de andere kant van de rivier overgestoken naar onze achtertuin. We kregen er vijf honden en een herder bij. De laatste was eerst wat schuchter, hij was er niet helemaal zeker van of zijn wollige invasie wel was toegestaan. Maar ik kon hem geruststellen; het verzoek om graasgrond dat ie bij de burgemeester van het dorp had neergelegd had ook ons bereikt, en vanzelfsprekend hadden we ‘ja’ gezegd. Het is nogal een godswonder dat er nog steeds herders met spaarzame kuddes rondtrekken door het Provençaalse platteland dat meer en meer met oprukkende toeristenhordes en villabewoners te maken krijgt; ik ben niet voor niks verhuisd van een ooit primitief gehucht dat steeds sneller veranderde in een tourist trap, naar een nog verder afgelegen vlekje op de kaart dat tot nu toe redelijk gezapig is gebleven.
“Dat het nog kàn!”, was dan ook de eerste reactie toen monsieur le maire vroeg of ons terrein onderaan de rivier eventueel begraasd zou mogen worden, “un debroussaillage bio”, zoals hij het noemde.
“Mais oui, bien sûr! Volontiers!”
En zowaar, eind van de dag klingelden de schapen- en geitenbellen vrolijk de openstaande ramen binnen. En ja, dan moet je natuurlijk even kennismaken. We daalden het pad achter het huis af, tot op gepaste afstand van de grazende wolbalen; ik had in de gauwigheid behalve drie bedrijvig rondrennende zwarte honden, twee forse witte patou’s gezien, een beetje afstand bewaren kon geen kwaad. De kranten meldden geregeld over ondoordacht toeristenvolk dat dacht even zo’n schattig lammetje te aaien en er een fikse knauw aan overhield. Deze patou’s kwamen ons meteen afsnuffelen. En porden tegen de broekzakken van de echtgenoot.
“Je hebt toch niet?!”
“Páár brokjes! Da’s alles.”
De patou’s bleven aan z’n voeten zitten tot de herder ze uit de verte terugfloot.
“Die dieren zijn aan het werk hoor.”
Maar de echtgenoot wandelde al achter ze aan naar beneden en even later zag ik hem kniehoog wegzinken tussen de wolzee, hier en daar een lammetje aaiend en een geit aanhalend; de echtgenoot heeft een zwak voor geiten. In een grijs Hollands verleden had hij er zelf een paar. Later, in onze begintijd in Zuid-Frankrijk, bouwde hij een speciale band op met een bruine geit uit de kudde van een buurboer. Caramelle was een beetje bijzonder, als piepklein geitje door de moeder verstoten en min of meer geadopteerd door de herdershonden, wier gedrag ze al snel overnam. Dus liep ze – ook toen ze al ruimschoots volwassen was – als een puppie achter de herder aan en, zodra ze hem zag, ook achter de echtgenoot. Zo’n effect had hij trouwens ook op de ezeltjes van de buurboer die hij regelmatig wat oud brood ging brengen in het naastgelegen weiland. Die langoren stonden op een avond zelfs ineens in de keuken, door de openstaande deur op weg naar m’n versgebakken brood dat op het aanrecht lag af te koelen. “Ach”, zei de buurboer die we gebeld hadden, “ze kwamen zeker op de geur af.” Zou kunnen, ze gingen pas mee naar huis toe we de buurboer een brood als lokaas hadden meegegeven. Maar of ie het gedeeld heeft …
Intussen viel de avond in onze achtertuin en dreven de patou’s de kudde naar het nachtverblijf aan de overkant van de rivier. Het klingelde nog lang, tot ook de laatste lammetjes uitgeblaat waren en de padden uit onze eigen paddenpoel het avondconcert overnamen.
De volgende morgen viel een beetje vroeg: het ochtendconcert van ons huisgespuis – zo rond en uurtje of zeven – was niet gepland en niet te harden. Voor de tuindeur troffen we de reden aan: het piepjonge hondje van de herder, een minuscuul gratenbaaltje dat de echtgenoot meteen van een fikse bak brokken, een stevige hap versvoer en een ferme kluif voorzag: “Hij heeft honger.”
Dat was duidelijk. Binnen no time was alles schoon op.
“En nu?”, vroeg ik, “die gaat nooit meer weg zo.”
Ik zag aan de blik van de echtgenoot dat hij dat beslist niet erg zou vinden.
“We gaan de herder zoeken”, besloot ik. Ik hoefde niet ver te zoeken, hij zat bovenaan de natuurstenen trap die naar het terrein voerde waar de kudde inmiddels weer vredig graasde. Hij zei geen ‘nee’ tegen een kop koffie, maar bij de tweede vroeg hij wel of die wat minder sterk mocht. Dat was niet voor het eerst trouwens, dat zelfs Fransen m’n café serré te straf vinden. Spierballenkoffie, zullen we maar zeggen.
We raakten aan de praat, ik probeerde voorzichtig of dat magere hondje… Maar nee, dat was een cadeau van een collega geweest. Pas vier maanden, en zo mager omdat ie met alle geweld mee wilde met de rest; in de caravan achterlaten ging niet, hij huilde de hele boel bij elkaar. Hij had Bob (naar Bob Marley, vanwege z’n rastahaardos) gekregen nadat een van z’n honden door een auto met haast was platgereden. “Ze was aan het wérk, goddomme!” Ze waren op weg naar de bergen, tijdens de transhumance, van de Provence Verte naar Saint-Étienne-de-Tinée in de Alpes-Maritimes. Twaalf dagen lopen met zo’n troupeau, deels over departementale wegen waar de automobilist zich koning waant en er geen begrip of ruimte meer is voor een traag langstrekkende schaapskudde. Maar hij moest wel. Vervoer per vrachtwagen was niet te betalen en de beesten moesten toch eten, dus ’s zomers de bergen in. Morgen ging ie weer op pad, maar eind van het seizoen kwam hij graag terug. En of hij de foto’s mocht, die ik gemaakt had. “Tuurlijk. Had hij een emailadres of zoiets?”
“Dat niet, hij had geen computer, maar hij zat wel op Facebook, dat kon via z’n mobieltje. Dus als we vriendjes werden …”
Dat zijn we inmiddels. En de foto’s staan als het goed is, inmiddels op z’n pagina. Kijk zelf maar: https://www.facebook.com/profile.php?id=100008630380404&fref=ts