Dé vakantietip voor het naseizoen: Île de Porquerolles

zo 23 augustus 2020

Door Ellen van Linschoten

Foto’s: OdT d’Hyères (klik om ze te vergroten)

Oké, iedereen weet zo langzamerhand wel dat het in het naseizoen helemaal zo verkeerd niet is in Zuid-Frankrijk. Hoe vaak heb ik tegen vrienden uit het noorden gezegd: kom maar liever in september. Massa-toerisme voorbij, schappelijker klimaat.
Wat ik hen dan aanraad? Het Île de Porquerolles voor de kust van Hyères in Le Var. En om het een beetje spannend te maken, zeg ik er dan bij: ‘kwartiertje varen naar het paradijs’. Want vorig jaar september ben ik er eindelijk zelf een keer geweest. Ik had er veel over gehoord en gelezen, Porquerolles.
Dat voor de kust van Hyères Les Îles d’Or liggen, oftewel de gouden eilanden, dat wist ik natuurlijk wel. Dat het grootste en meest westelijke ervan Porquerolles is, wist ik ook. Maar hoe kom je er eigenlijk? Eerst maar even surfen op het net: het Office de Tourisme d’Hyeres (https://www.hyeres-tourisme.com/les-iles-dor/porquerolles/) blijkt de perfecte uitvalsbasis, met alle voorinformatie die je je maar wensen kunt.
De oversteek vanaf het vasteland duurt een kwartiertje en is dé manier om in de stemming te komen voor een île dat niet wordt geteisterd door autoverkeer en in het naseizoen ook niet door dj-herrie en gezinnetjes met drenzende kindertjes. Ik hoorde later dat er elk jaar een groots jazz-festival is. Dit jaar niet: corona.

Lekker op de fiets
Porquerolles telt één dorp, of liever, één jeu-de-boulesplein met een kerk en wat hotelletjes eromheen, en verder een flink aantal fietsenverhuurbedrijven. Want de ‘bicyclette’ is het aangewezen vervoermiddel hier op dit autovrije eiland. Neem een stoere VTT (vélo-tout-terrain, oftewel mountain-bike) met alle versnellingen die je bedienen kunt, want de paar toppen die het eilandje rijk is, geven zich niet graag gewonnen. Maar het gaat al een stuk gemakkelijker met een E-bike. Veel bonter dan een kilometer of vijf kun je het trouwens niet maken, want Porquerolles is uiteindelijk maar een kruimeltje in het Mediterrane azuur van slechts twee bij zeven kilometer. Dus wie niet fietst, die wandelt. En dan kom je terecht op een van de stranden die met toegeknepen ogen best op de Malediven zouden kunnen lijken. Ideaal om eventuele zadelpijn of wandelblaren te laten betijen.
Ik belandde bijna per ongeluk op het Plage Notre-Dame. Ook volgens de Fransen zelf een van de mooiste stranden van het hele land en dat snap ik nu wel, al heb je ook nog het Plage d’Argent. Ik weet gelukkig nog niet hoe het paradijs eruit ziet, maar dit moet in de buurt komen.

Een wijningenieur uit Parijs
Ik wilde blijven. Maar ik had nog niet voor onderdak gezorgd en het werd zo langzamerhand tijd voor het dejeuner. Het beroemde luxehotel Le Mas du Langoustier? Iets van 3,5 kilometer van de haven en zijn restaurant La Pinède, qua lunch de bistronomie, ’s avonds een sjieker verhaal, maar uit budgettaire overwegingen dacht ik: doe maar niet. En uiteindelijk checkte ik in bij de Auberge des Glycines, in het hartje van het mini-dorp. Lekker gegeten op de patio, in de schaduw van een vijgenboom. Trouwens, later ook prima geslapen. De volgende dag zat ik voor de lunch goed bij L’Orangeraie op de Place d’Armes.
Ik moest terug naar het vasteland en ik ging even niet naar het strand. Liever een visite aan het domaine La Courtade van monsieur Vidal, een joviale ingenieur die Parijs op tijd achter zich liet om van het leven te genieten. In 1983 stichtte hij La Courtade, dat in 1997 werd overgenomen door Édouard Carmignac en dat nu gerund wordt door diens zoon Hugues. Met 35 hectaren het grootste van de drie vignobles op Porquerolles, goed voor ruim 100.000 flessen eersteklas wijn (rood, wit en rosé) per jaar, met AOP (appellation d’origine protégée) en bio-verantwoord. Een van die wijnen werd een paar jaar geleden tot de beste van de Provence uitgeroepen.

Een uniek museum
Ongetwijfeld verliefd op het eiland vond miljardair Carmignac (1947), rijk geworden in de financiële wereld, dat hij behalve als wijnboer ook cultureel aan Porquerolles moest bijdragen. En nu is er dus het museum van de Fondation Carmignac (http://www.fondationcarmignac.com). Hij was al begonnen moderne kunst te verzamelen en wilde zijn collectie (Warhol, Liechtenstein, Richer en Raysse) met het publiek delen. In een ‘mas’ waaraan weinig verbouwd mocht worden. In de tuin ook beelden die speciaal voor de fondation gemaakt zijn. Maximaal 50 bezoekers per halfuur.

Een Belgische bruidsschat
Wat heel andere mensen betreft is het op Porquerolles altijd een komen en gaan geweest. Het eiland kent een lange geschiedenis van – al dan niet – gewenste bezoekers. Van Kelten, Liguriërs en Etrusken tot en met Grieken en Romeinen. Overal op het eiland hebben ze hun sporen nagelaten, inclusief zeven forten ter verdediging. Eén daarvan, Sainte-Agathe, is nog te bezichtigen.
Begin negentiende eeuw kwam Porquerolles in particulier eigendom. De laatste eigenaar was de Belg François Fournier, die fortuin had gemaakt in Mexico en het eiland in 1912 als bruidsschat aan zijn echtgenote schonk. Maar hij deed meer: hij bracht Porquerolles tot ontwikkeling door de wijnbouw, de olijventeelt en de visserij te stimuleren. In 1971 kocht de Franse staat Porquerolles op en sindsdien heeft het de status van beschermd natuurgebied en valt het onder het beheer van het Parc National de Port-Cros.

Niet te missen
Ik was natuurlijk veel te kort op het eiland, hoe klein dan ook, om alles te beleven. Ik had naar de La Calanque du Brégançonnet moeten lopen, op ruim 2,5 km van het dorp. Een prachtige inham tussen hoge rotswanden met fabelachtig zeezicht. En naar Le Cap Rousset met z’n panoramische uitzichten.
Ik noem maar wat. De zwart-witte stranden van Le Fort du Langoustier, zo kan ik nog wel even doorgaan. Op elk deel van het eiland is het volgens mensen die er vaker komen: wow!
Als je er in september bent– net als ik, want dan ga ik weer – dan komen we elkaar vast tegen. Misschien mag je al een hand geven, of nog steeds niet. Dan geven we elkaar maar zo’n gemaskerde elleboogstoot. Tenzij je per helikopter bent gekomen, dat schijnt te regelen te zijn als je geboekt hebt in hotel Le Mas du Langoustier. Dan zwaai ik wel. En kom je met je eigen boot(je), er zijn 600 ligplaatsen waarvan 200 voor passanten. Per ferry oversteken kan ook: vanaf La Tour Fondue op het Presqu’île de Giens worden door diverse maatschappijen lijndiensten onderhouden. Meer info en vaarschema’s: www.tlv-tvm.com

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Of reageer met je Facebook account

Scroll naar top