Home


Ik zag op Twitter een berichtje voorbijkomen. Een tweet van een van de hoogste officials van de regionale toeristenorganisatie in mijn departement, Le Var. Ik blijk – ook vanwege mijn magazine Côte & Provence – uitgeroepen te zijn tot een prima ambassadeur (Wat héét! De beste!) van het departement.
“Mooi zo”, dacht ik. En stiekem ook wel: “Eindelijk.”
Uitgelaten huppelde ik van kantoor naar het terras waar de rosé al klaar stond voor de lunch. We hadden een gast aan tafel, of eigenlijk vooral diens sporthond, die zou blijven logeren. Er bleek door de echtgenoot, remplaçant in mijn keuken en verder toch niks te doen behalve een beetje Ajax spelen met die vierpoter, tonijnpasta bereid. Natuurlijk weer niet geheel volgens mijn instructies. Maar onze gast was tevreden, zijn hond lustte ook wel wat, in elk geval een stevig stuk in de saus gedoopte baguette. Een brok chèvre ging er eveneens gretig in.
“Jongens! Ambassadeur!”, riep ik. “Voortaan dus maar netjes excellentie tegen me zeggen!”
Ik hief het glas op zoveel erkenning; ze hieven braaf mee en keken elkaar besmuikt aan. Om voor de hand liggende redenen wordt er wel vaker wat voorzichtig op me gereageerd, maar ik herinner me niet dat ik ooit eerder door drie mannen (ook de hond is een reu) met zoveel wantrouwen besnuffeld werd. Ik zag ze denken: “Rijp voor Maassluis.” Dat moet ik even uitleggen. In m’n geboortestad Rotterdam had je vroeger een rijmpje: Rotterdam, Schiedam, Vlaardingen, Maassluis, trappetje op: gekkenhuis; daar zat het Delta-ziekenhuis voor psychiatrie. Hier in de Var heet dat ‘prêt pour Pierrefeu’, een plaatsje met ook zo’n kliniek, maar het komt op hetzelfde neer.
“Ambassadeur!? Jij? Het idee!” klonk het unisono.
Ik legde uit waarom. En dat ik daardoor zo opgetogen was.
Moet je net gehuwd zijn met een Haarlemmer, die zo’n Nurks uit de Haarlemmerhouttuinen, dat stuk chagrijn uit de Camera Obscura van Nicolaas Beets, nog in de schaduw stelt. Ja ja, ik ken mijn klassiekers, èn de echtgenoot. Ik liet het exposé over de rol van de ambassadeur ‘en général’ in het huidig tijdsgewricht dus geduldig over me heen gaan. Kennelijk hield dat niet veel meer in dan wat recepties aflopen met het risico dat je een fysio moet bellen wegens pijn in je arm; een blessure, veroorzaakt door het vrijwel permanent heffen van te goed gevulde glazen. Dat leek me een sterk staaltje van overdrijving, zijn we in de Provence goed in, maar de echtgenoot excelleert. En na zo’n 17 jaar Provence-promotie middels een prachtblad als Côte & Provence en nog veel meer, kun je me niet wegzetten als ‘receptionista’.
Aan de andere kant, dacht ik: je kunt het qua vak slechter treffen.
Ik testte mijn nieuwe status, knipte met de vingers, en verdomd, mijn glas werd tot de rand toe bijgevuld.
“Een beetje ambassadeur heeft recht op een diplomatiek paspoort”, opperde onze gast vilein. “Hoef je op het vliegveld nooit meer in de rij”. Hij bracht het als een trouvaille.
“Deze ambassadeur heeft helemaal geen paspoort nodig”, gaf ik tegengas, “deze ambassadeur gaat hier nooit meer weg, zelfs niet voor een etmaal over de grens.” Ik bedoel, je bent ambassadeur of je bent het niet. Mijn ambassade is mijn thuishonk tenslotte.
Ik knipte opnieuw met de vingers en ik kreeg zowaar weer bijgevuld. Rosé uit de Var natuurlijk, what else?
Tevreden leunde ik achterover in mijn terrasstoel en sloot even genietend de ogen.
“De ambassadeur verstaat haar vak”, zei onze gast. “Ze pit.”
Toen legde de sporthond de bal in mijn schoot en was ik weer terug op aarde.
De espresso waarmee de lunch bekroond moest worden, zette ik zelf.
En met een zwierig gebaar zette ik er een punt huisgemaakte ‘gateau à la brousse’ naast; ook Provence-promotie.
Mooi vak toch wel, ambassadeur.

Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Daar lagen ze, zomaar op de container met het gele deksel bedoeld voor plastic afval. Twee verweesde kookboeken. Gewoon achtergelaten, geen vergissing mogelijk. Waarschijnlijk door iemand die een papierbak had verwacht naast de drie gewone groene, maar die staat er niet. En blijkbaar kon de ex-bezitter het niet over zijn/haar hart verkrijgen om deze puntgave kookboeken dan maar bij het huisafval te dumpen. Nee, die boeken lagen hier voor de eerlijke vinder. En laat ik nou net die eerlijke vinder zijn. Als een rasechte morgenster (afvalvorser in de vroege ochtenduurtjes) eigende ik me ‘L ‘Auvergne, une cuisine de caractère’ en het ‘All-Colour South African Cookbook’ toe. Over de titel van dat Zuid-Afrikaanse kookboek moest ik wel even nadenken trouwens, met dat ‘all-colour’. Maar na lezing van het voorwoord begreep ik dat de auteur zoiets als ‘alles en iedereen’ bedoeld zal hebben. En nee, ik voelde me niet schuldig of dieverig, integendeel. Ik gaf hier zomaar twee opgegeven kookboeken een herkansing. Te beginnen met vandaag. Met een stevig gekruide ‘bobotie’ uit het Zuid-Afrikaanse boek. Wel een klein beetje ver-Zuid-Franst, maar dat gaat nu eenmaal vanzelf.
Dus lekker eet en geniet die kos!

Ingrediënten:
1 kilo gehakt halfom
2 grote uien
2 tenen knoflook
2 eieren
1 dikke snee witbrood (pain de mie)
2 eetlepels amandelschaafsel
250 ml melk
125 gram rozijnen
3 eetlepels abrikozenjam
1 eetlepel currypoeder
½ eetlepel kurkuma
2 theelepels zout
1 theelepel pittige sambal
sap van 1 citroen
6 hele laurierbladeren
olijfolie

Bereiding:
Pel en snipper de ui, pel de knoflooktenen.
Verhit een scheut olijfolie in een ruime braadpan en bak de uien erin aan.
Voeg het gehakt toe, haal het los met een vork en laat een paar minuutjes meebakken. Knijp de knoflook erboven uit en roer om. Draai het vuur uit.
Verhit intussen de oven voor op 180 graden.
Doe de melk in een kom (maar hou een half kopje apart) en week het brood erin. Voeg alle overige ingrediënten toe (behalve 1 ei, dat halve kopje melk, en de laurierbladeren), meng alles door elkaar en voeg de brei bij het gehakt/uimengsel.
Schep alles in een ingevette ovenschaal. Schuif die in het midden van de voorverwarmde oven.
Klop intussen het achtergehouden ei los, voeg het halve kopje melk toe, en giet het mengsel uit over de ovenschotel, nadat die een kwartiertje heeft staan bakken. Leg er de laurierbladen bovenop ter garnering.
Zet de schotel terug in de oven en laat nog een minuut of 30-35 bakken, tot de bovenkant mooi goudbruin is geworden.
Geef er rijst bij en een salade (van bijvoorbeeld komkommer, tomaat en wat dungesneden uienringen, beetje zout & peper, besprenkelen met wat olijfolie en wijnazijn). En vergeet het glaasje koele rosé niet.

Een lange, hete zomer

maart 16, 2017

Het is vandaag zó’n onwaarschijnlijke prachtdag dat je je afvraagt waaraan we dat verdiend hebben. Nee, ik heb het niet over de verkiezingen in NL van gisteren, want vandaag begint het gedoe pas goed daar: wie met wie, en wie vooral niet, dat kan nog oeverloos lang gaan duren. Ik heb het ook niet over de komende verkiezingen hier in Frankrijk en de bijbehorende schandalen waarmee we nu al wekenlang worden overvoerd: de sp(r)ookjesbanen van Fillon c.s., de weigering van Marine Le Pen om voor de onderzoeksrechter te verschijnen wegens ‘kwade zaakjes’, het vermeende mes in de rug van Emmanuel Macron door Manuel Valls enzovoort enzoverder.
Nee hoor, ik heb het gewoon over een onwaarschijnlijke prachtdag hier ten plattelande. Over opgewekt wakker worden vanwege dat straaltje zon dat voorbarig door de luiken piept. Over het luidruchtige concert van allerhande vogeltjes die op doorreis van de tropen naar het noorden juist in jouw achtertuin pauzeren en die je vanuit de uitbottende bomen en struiken tegemoet kwetteren. Over het ochtendrondje met de honden op kaplaarzen door het zeiknatte gras langs de rivier, maar wel met de zon op je rug. Over het kabbelende water dat van de winter nog zo verraderlijk over de oevers kolkte en nu vriendelijk murmelend langs een vers ingericht eendennest ruist. Over lunchen op het terras en over de echtgenoot voor het eerst in korte broek zien verschijnen (geen commentaar) en zeker weten dat het een lange, hete zomer gaat worden.
“Hoe kun je dat nou zo zeker weten?” vroeg deze météo-adept (vooral vanwege weervrouwe Sandra LaRue van BFM-TV) cynisch.
“Dat voel je, dat zie je; kijk dan naar die forsythia, die staat normaal gesproken pas half april in bloei! Die hazelaar daar heeft al geen katjes meer maar schiet in ‘t blad, zelfs onze trage, stokoude eiken zitten al vol knoppen”, betoogde ik, met weids armgebaren het struweel rondom het huis duidend. Oké, die eerste twee horen niet standaard bij de groenvoorziening in dit deel van de Provence, daar weet een vorige huiseigenaar vast meer van, maar ze staan er nu eenmaal, ik heb ze herkend. Zo’n forsythia herinner ik me nog van heel vroeger, uit het Rotterdamse postzegeltuintje van mijn ouders. Die hazelaar stond in het groot naast het lagere-schoolplein van m’n jeugd; die katjes waren fluweelzacht aaibaar.
“Forsythia?” vroeg de echtgenoot voorzichtig, zijn natuurkennis gaat niet verder dan ‘daar staat een boom’.
“Dat bosje takken daar, met die gele bloemetjes” wees ik hulpvaardig aan.
“Hazelaar?”
“Die ‘wegversperring’ bij de rivier, met sinds vorige week van die kleine groene vingertjes.”
Voor hij naar de eiken kon vragen gebaarde ik naar de kromgetrokken woudreuzen rondom. En gaf ook nog even mee dat de dennen een stuk hogerop op de heuvels, gewoon groen blijven ’s winters dus dat die eigenlijk niet meetelden bij zomerse voorgevoelens.
Hij knikte begripvol, met iets van ‘ga nou maar even rustig zitten meisje’ in z’n blik. En hield de fles gekoelde rosé uitnodigend boven m’n glas.
Toen wist ik het helemaal zeker: het wordt een lange, hete zomer. Alle voortekenen wijzen erop.

 

Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Ik leen wel eens vaker een receptje bij de Italiaanse buren van net over de grens als het om lekker eten gaat, dus stond er gisteren onvervalste Spaghetti Aglio e Olio op het lunchmenu. Hier in de Provence overigens beter bekend als Spaghettata. Terwijl ik opzocht op internet waar dat nou vandaan kwam, stuitte ik op een eethuisje dat zo heet. In Rotterdam! Je hebt je hielen nog niet gelicht of ze gaan daar ook ineens Zuid-Frankrijkje spelen, zelfs die pasta staat op het menu! Maar goed, spaghettata schijnt oorspronkelijk uit Napels te komen en betekent zo iets als ‘maaltje spaghetti’. Armeluis’ voedsel, want als je niks had, had je altijd nog wel wat pasta, knoflook, olie, zout & peper in huis. Maar ja, als je wat méér in huis hebt, ga je optutten. En dat doen ze hier in de buurt dan ook volop; er wordt dus van alles en nog wat aan die basispasta toegevoegd. Ik hou het liever bij de oervorm: dunne spaghetti met knoflook, olijfolie en een pepertje. Nou ja, met een béétje variatie dan; ik gebruik liever sambal in plaats van een fijngesneden pepertje (ik hou niet zo van een heel reepje peper in de bakkes), basilicum (in plaats van peterselie) vind ik smaakrijker, een schep zeezout vervang ik liever door wat groentenbouillon, tomatenblokjes maken het net wat vrolijker, en geraspte parmesan vind ik gewoon lekker. Spaghettata di casa mia dus! Moet kunnen.

Ingrediënten:
400 gram spaghetti
4 tenen knoflook
1 uitje
½ bosje basilicum (platte peterselie mag ook)
4 grote tomaten (blikje gepelde mag ook)
likje sambal (of een ragfijn gesneden pepertje)
½ groentenbouilllontablet
eventueel wat zout
olijfolie
geraspe parmesan

Bereiding:
Pel de knoflooktenen, pel en snipper het uitje.
Snij de basilicum (of peterselie) fijn.
Snij de tomaten in vieren, haal de harde kroontjes en de zaadlijsten eruit, snij het vruchtvlees in blokjes. (Of laat de bliktomaten uitlekken in een vergiet en snij die in blokjes.)
Kook de pasta in ruim water met een flinke scheut olijfolie beetgaar.
Verhit intussen een scheut olijfolie in een koekenpan, doe er het gesnipperde uitje en de uitgeperste knoflooktenen bij en laat op zacht vuur onder af en toe omroeren een paar minuten pruttelen. Verkruimel er de ½ groentenbouillontablet bij, voeg een likje sambal (of dat pepertje) toe, plus de tomatenblokjes, roer alles door elkaar en laat nog een minuutje doorwarmen. Eventueel wat sambal en/of wat zout toevoegen als de saus te flauw is. Draai het vuur uit.
Giet de gare pasta af in een vergiet (niet afspoelen!), schudt een paar keer om en doe over in een ruime kom. Voeg de saus plus de basilicum toe, schep alles om en verdeel over de borden. Bestrooi met geraspte parmesan.
Geef er een salade plus stokbrood en uiteraard een glaasje rosé bij.
Tip: voor een uitgebreidere maaltijd kun je er ook wat gegrilleerde (of gebakken) garnalen of kipsnippers bij geven.

Verstild geluk

maart 9, 2017

Rustgevend ratelenden de rolluiken van de tabac en de ertegenover gelegen épicerie aan het minieme pleintje van het dorp naar beneden. De laatste habitués verlieten het zondoorstoofde café-terras: “bon app, à plus.” De altijd accurate torenklok begon aan de slag van twaalf, hoewel het al tegen half een liep, en bleef gewoontegetrouw halverwege het klokkenspel hangen. En niemand die zich er druk om maakte. Gezapig gleed het dorp zachtjes in de siëstastand, zoals het een slaperig dorpje in de Provence Verte betaamt. Ik leegde mijn glas, kuste de kroegbazin een goede middag en vroeg me af waaraan we zoveel verstild geluk verdiend hadden. Dat had ik beter niet hardop kunnen doen. “Nou… geluk…” mopperde de waardin, “er zijn er die slapen, er zijn er die werken.”
Dat klonk smalend genoeg om om uitleg te vragen, die gaf ze graag: “Kijk, het is nu nog geen seizoen. Maar wij”, ze wees met een weids gebaar de kroeg in waar haar wederhelft achter de toog iets onduidelijks met stokbrood en plakken ham stond te knutselen – lunch, vermoedde ik, “wíj zijn gewoon open, óók tussen de middag, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds. Zes dagen per week.”
Ik kon het alleen maar beamen. Hier ging de deur om zes uur in de ochtend van het slot en om negen uur ’s avonds pas weer dicht. Dat zijn lange dagen, ook in een dorpje van niks met een minimale clientèle. Want je moet er toch maar zíjn voor die vaste clan die het beslist niet zou pikken als je ze de dagelijkse ochtendborrel met – nou, vooruit – een straffe espresso ernaast, op weg naar het werk zou onthouden. Of het apéro voor het avondeten.
Of ik al had gemerkt dat alle restaurants in het dorp dicht waren? Ja, dat had ik, de pizzeria, het serieuze restaurant, het snackhoekje en de crèperie hielden al sinds vorig jaar oktober de luiken gesloten: winterslaap. “Maar die gaan straks toch weer open?” vroeg ik verbaasd.
“Daar zou ik maar niet zo zeker van zijn”, snoof ze minachtend. “De pizzeria… goeie kans; ik zie al af en toe volk in en uit lopen. De ‘snack’… misschien in juli, augustus; hangt er vanaf of de eigenaresse deze winter een serieuze baan gevonden heeft of niet. De crèperie… die zijn gestopt; ze zaten meer zelf aan tafel dan hun gasten.”
“En die daar?” ik wees naar het enige serieuze restaurant dat het dorp rijk was, maar dat ook tijdens het hoogseizoen uiterst beknopte openingstijden hanteerde.
“Die?!” ze maakte een wegwerpgebaar. “Dat ‘genre’ komt heus wel terug. Om te cashen. Schandalige prijzen voor ‘quatre fois rien’, maar ’t staat in van die gidsen dus de toeristen trappen er toch wel in.”
Zo, dat was ze kwijt. Over m’n schouder zwaaide ze naar de middelbare knalroodharige van de tabac aan de overkant die met haar hond Eros (naar Ramazotti) langs gewandeld kwam. “En die houdt er ook mee op. De tabac staat te koop.” Ze keek me schattend aan, wetend dat ik goed was voor een aardige bijdrage in de sigarenomzet.
“Gelukkig hebben we jullie nog!” bracht ik er – misschien een tikkie te opgelucht – uit.
“Ach”, zei ze meewarig, “wist je dat nog niet? Zodra we een koper gevonden hebben houden we er ook mee op. Daar bij jou in de buurt is een ouwe, verwaarloosde camping. Die willen we graag overnemen.”
Van die klap moest ik even bijkomen. Niet alleen zou m’n stamkroeg wellicht voor wie weet hoelang op slot gaan. Er zou ook nog eens nieuw leven geblazen worden in de verwaarloosde camping aan de overkant van de rivier, vlakbij waar ik woonde! Ontredderd reed ik naar huis. Waar ik halverwege het krappe pad naar beneden werd aangehouden door de buurman van een stuk verderop. Of ik er bezwaar tegen had dat hij de hele middag ging debroussailleren, het onkruid schoot al hoog op, met dit mooie weer.
“Nee, tuurlijk niet!” En of hij wist van de kroegbazin en…
’t Is niet zo’ lachebekje, maar nu schaterde hij het uit. “Ach, zat ze weer op d’r stokpaardje? Maak je geen zorgen, ze heeft gewoon de lentekriebels. Die camping ligt in overstromingsgebied, nog geen paar jaar terug zagen we hier de caravans langsdrijven. Daarna heeft de eigenaar dat stuk grond te koop gezet. En toen is zij gaan dromen, dat ze ‘m kon overnemen, dat dat een leuke oude dag zou betekenen. Maar van de gemeente mag die camping nooit meer open.”
“Goddank”, voegde hij eraan toe, hij heeft het ook niet zo op toeristisch gedoe in z’n achtertuin.
‘Goddank’ dacht ook ik bij mezelf. Want goden moet je niet verzoeken, maar bedanken. Voor rustige dorpjes met dromende kroegbazinnen, voor slome burgemeesters die de vingers liever niet branden aan gevoelige vergunningen, voor slaperige horecava’s die pas uit hun ‘hivernage’ komen als het toeristenvolk op de luiken klopt, en voor een dagelijks bestaan dat je gewoon, zomaar mag meemaken.
Ik ging thuis een hapje lunchen, en voelde me even later bevestigd bevoorrecht toen ik aanschoof aan de buitentafel met een dampend bordje knoflookpasta en tevreden toezag hoe mij een glaasje rosé werd ingetapt. Volop in de zon, ik trok mijn trui uit, het was 9 maart.
“Chinchin!” zei ik, een beetje ontroerd.
“A nous!”, werd er gemompeld.
Verstild geluk genoeg in de Provence, dacht ik zo. La vie est belle! En ik nam nog een glaasje rosé.

schermafbeelding-2017-03-01-om-17-33-28

 

Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

De slager op het dorp doet niet in lamsvlees. ’t Is verder een goeie slager, daar niet van, maar blijkbaar komt dat er bij hem niet in. Zal wel iets met inkoop te maken hebben, of met te weinig vraag; men is hier nogal van de stoere gestampte pot – rund, (ever)zwijn, dat werk – en verder geen verfijnde fratsen.
Dat kwam slecht uit. Madame Mahmoud, mijn Tunesische vriendin die ik al te lang niet gezien had, en die me bij onze recente ontmoeting meteen trakteerde op een overheerlijke lamstajine, had het recept voor me opgeschreven. En nu wilde ik het zelf maken. De slager deed ook niet in kip of kalkoen (wel in haas en konijn, maar dan onder de toonbank) dus we kwamen uit op kalfspoulet.
Ik moet zeggen, dat viel niet verkeerd uit. Al was die tajine van Mme Mahmoud beslist lekkerder. Dus wie lam kan krijgen: toeslaan! Wat onderstaand recept betreft is het probleemloos inwisselbaar, dat wel. De herinnering aan die heerlijke avond bij haar niet; die zal m’n smaak wel gekleurd hebben. En o ja, dat glaasje witte wijn is uiteraard een toevoeging van mezelf. Zou zij echt nóóit doen.

Ingrediënten:
600 gram kalfspoulet
2 grote uien
2 tenen knoflook
4 tomaten
1 kleine rode paprika
handje groene olijven zonder pit
paar takjes peterselie
½ kippenbouillontablet
1 theelepel kurkuma
1 theelepel gemberpoeder
1 theelepel korianderpoeder
½ theelepel komijnpoeder
zwarte peper uit de molen, zout
1 glas witte wijn
olijfolie

Bereiding:
Pel en snipper de uien, pel de knoflooktenen.
Haal kop en kont van de paprika, haal de zaadlijsten eruit en snij het vruchtvlees in stukken. Doe hetzelfde met de tomaten.
Verhit een scheut olijfolie in een tajine of braadpan.
Doe er de gesnipperde ui en de paprika in, en laat op hoog vuur onder af en toe omroeren een paar minuten bakken.
Doe de poulet en de knoflook (uit de knijper) erbij en laat een paar minuten meebakken; af en toe omscheppen.
Draai het vuur laag en voeg de tomaten, de witte wijn, de verkruimelde bouillontablet, de kurkuma, gember, koriander, komijn en de olijven toe.
Laat alles op een klein pitje zo’n 45 minuten à 1 uur stoven (of langer) tot het vlees mals is. Eventueel wat wijn of water toevoegen als de boel te droog dreigt te worden. Proef op smaak, voeg eventueel nog wat zout toe en geef een paar ferme draaien aan de pepermolen; schep nog even om.
Verdeel over de borden en bestrooi met wat vers gehakte peterselie.
Geef er rijst bij, of aardappels, brood natuurlijk. En vanzelfsprekend een fruitig glaasje rosé.

Do you play cricket?

maart 2, 2017

1252-900-x-2006-e1413312795858

Ik was nog amper in mijn nieuwe dorpje ingehuisd, het was terrasjesweer, dus dat dorp moest dringend verkend worden. Je weet maar nooit of er in zo’n mini-gehucht niet toevallig een adresje zit waar lekker gekookt wordt. In het café, waar ik had aangelegd toen de verhuizers nog onderweg waren, had ik meteen al gehoord dat er qua lunch maar één possibilité is: de crêperie schuin boven de parkeerplaats. Men kuste er verlekkerd de vingers bij, maar mij trof die mededeling als een mokerslag. Ik ben niet zo van de crêpes, toen ik nog in Nederland woonde en met kinderen te maken had, reed ik altijd met een grote boog om van die pannenkoekenhuisjes heen. Het zal ermee te maken hebben dat ik een jeugdtrauma heb overgehouden aan een portie poffertjes op een Rotterdamse kermis. Strontmisselijk geworden, waarschijnlijk waren ze gebakken in bedorven boter of zo, je weet het niet. En mijn moeder had het vast goed bedoeld want ze trotseerde toch maar mooi voor mij die kermis, èn het kotskind dat ze eraan overhield. Die afkeer van gebakken deegplakken en -plukken is nooit meer overgegaan en resulteert ook nu nog in een extreem negatief eetadvies als iemand naar mijn mening vraagt. Verdacht voer!
En dan beland je dus vele jaren later in een Provençaals ‘no-where land’. Geen dokter, geen tankstation, zelfs geen pharmacie (en dat wil in Frankrijk wat zeggen). Mij best, overleven we wel. Maar voor de ‘restauration’ alleen maar zo’n gedoemde crêperie? Heel even overwoog ik de verhuiswagen rechtsomkeer te laten maken. Tot de kroegbazin me bijpraatte en vertelde dat die crêperie zo’n crêperie niet was. Er werd ook aan echt voedsel gedaan, maaltijdsalades, tartare de boeuff met friet, langoustines uit de diepvries, ik zou het maar voor het uitkiezen hebben. Zou het?
Op dag drie van de inhuizing, mijn keuken was nog een zooitje (‘punaise, in welke doos zit de knoflookpers?’), was de echtgenoot de woedende opwinding zat: “Meekomen.”
Van buiten zag de crèperie er niet verkeerd uit, klassiek Provençaals pandje, redelijk terrasje ervoor. “Ik waag het erop”, zei ik manhaftig. En een tikkie nerveus toch wel. Wat, als de kaart toch alleen maar over pannenkoeken ging? Demonstratief weglopen zou een belediging zijn. Niet ècht handig als je pas in zo’n dorp rondloopt.
Ik gluurde de omvangrijke eetzaal in; halfvol, dus plek. Maar het weer was te lekker, ik besloot voor het terras te kiezen. De kaart werd gebracht door een bulkbuikige monsieur met een grijs krullenkransje rond het hoofd en een moddervette Provençaalse tongval. Ik beheers die taal – een beetje – maar dan toch vooral het dialect van m’n vorige dorp, dat vanzelfsprekend mijlenver verschilt van wat in m’n nieuwe dorp op een steenworp afstand gesproken wordt. Maar het klikte meteen. Wat we wilden drinken? “Un rosé, bèn oui!” Hij knikte goedkeurend, en overhandigde de ‘gevreesde’ menukaart.
Goddank ‘slechts’ 15 crêpes. En verder allemaal Provençaalse traditionals! Ik koos voor de salade paysanne en begon tien minuten later aan de worsteling met een Eiffeltoren-hoog opgetast bord vol groenten en vleeswaren, tot mijn verbijstering ook nog eens begeleid door een volle bak patat. Eh, nee…, ik kreeg niet alles op en wist ineens weer in welke verhuisdoos ik thuis de rol plastic doggybagzakjes had gezien.
Aan het aanpalende tafeltje zat iemand met een vrij grote zwarte hond die mij wel goedkeurde; die hond dan. Nog nooit zo’n grote doggybag bij de hand gehad, er verdween vrij veel ‘per ongeluk’ onder tafel. Onopgemerkt, dacht ik, tot z’n baas een praatje aanknoopte. In het Engels. Hij had m’n worsteling goedmoedig gadebeslagen en uit onze conversatie afgeleid dat zo’n ‘étrangère’ ook de taal van Shakespeare wel snapt. Had ie gelijk in, maar zijn openingszet was ronduit verbijsterend: “So, do you play cricket?”
Pardon? Nou ben ik sportjournalist geweest, en nog altijd meer dan geboeid door voetbal en wielrennen. Maar cricket? Echt nooit gesnapt hoe dat spel in elkaar zit. Ik nam nog een slok van mijn rosé en vroeg me af: cricket, hier!?
“Not really”, zei ik dus, “but I beleave it is a great sport”, hij knikte al instemmend, “to doze off by on a sunny sunday…” Ik zag zijn glimlach verstarren en bood snel een glaasje rosé aan om de ergste schade te beperken. Waarop hij meteen enthousiast begon uit te leggen dat het dorp over een perfecte cricketbaan beschikt. En over een cricketclub. En dat men spelers tekort komt.
Ja, dank je de koekoek! Een rare Engelse sport in een niemendal gehucht in de Provence van amper 800 inwoners, gemiddelde leeftijd ver boven de 80. Schat ik, ik moet ze nog natellen.
Onderweg naar de grote stad 21 km verderop, kun je dat cricketveld zien liggen. Nog nooit iemand gezien daar. Behalve de chef grasmaaien dan. Ik heb dus later uitgezocht hoe het in vredesnaam mogelijk is dat dit miniatuur gemeente-tje aan zo’n professionele cricketvoorziening komt. Engelse expats, zo bleek, die met wat ponden in de mairie hebben gestrooid, en wellicht zelfs met Brussel hebben gebeld. Zal ze na Brexit niet meer lukken. Maar dat heb ik maar niet tegen de cricketBrit gezegd.
Voor komende zondag staat er zowaar een match op het programma tegen een Britse club uit de Vaucluse, we zijn van harte uitgenodigd. Misschien ga ik wel even kijken. Z’n hond heeft me gered tenslotte. En bij zo’n cricketmatch kun je inderdaad heerlijk in het zonnetje wegsuffen. Wie weet, word ik wel fan. Maar spelen? Dat doe ik wel met m’n teammate: die grote zwarte hond.