Home

schermafbeelding-2016-09-22-om-16-18-36

 

Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Herfst dus. Dat is ook al wel te merken aan de bruinende blaadjes, al doet het warme, droge weer nog steeds alsof het zomer is. Maar intussen snakt het bos naar water, staat de rivier op z’n laagste punt in jaren en stoft het paadje er naartoe in kurkdroge wolken omhoog. Heerlijk, zo’n lange ‘été indien’, maar dit was nou ook weer niet de bedoeling. Al helemaal niet als je van bospaddenstoelen houdt, want die zijn er niet. In het café wordt hevig geklaagd. Op de vertrouwde – vanzelfsprekend angstvallig geheim gehouden – plekjes staat slechts verdroogd gras. Het paddenstoelenprobleem is zelfs zo groot dat ’t het landelijk journaal haalde. De kans dat er dit seizoen nog iets boven de grond uit piept lijkt minimaal. Tja, en als iets er niet is, wil je het natuurlijk júist eten. In het café vliegen de recepten je om de oren, de een nog lekkerder dan de ander, in elk geval in de waarneming van de smulpaap die zijn eigen bereidingswijze (nou ja, die van z’n vrouw) in geuren en kleuren uit de doeken doet. En die natuurlijk vol vuur wordt tegengesproken door minstens drie anderen met veel betere recepten. Om de een of andere reden zijn het altijd de bejaarde pastisdrinkers die vol vuur aan receptuur doen. Ik heb me nog niet in de discussie durven mengen, nog te vers in het dorp, maar ik luister natuurlijk wel. En dan hoor je dat wildbraad met ‘cèpes’ (eekhoorntjesbrood) veruit favoriet is, met als goede tweede pasta met ‘trompettes de la mort’ (hoorntjes des overvloeds) en flink veel olijfolie. Maar ja, die zijn er niet. Gelukkig hadden ze op de ‘marché paysan’ wel kastanjechampignons, al heb ik zo’n donkerbruin vermoeden dat die echt niet hier uit het bos komen maar gewoon gekweekt zijn.
Werd het toch nog een lekker herfstig hapje. Buiten op het terras, dat wel. Maar daar kan een mens mee leven.

Ingrediënten:
350 gram pasta naar keuze
250 gram (kastanje)champignons
200 gram roquefort
10 cl crème fraîche
1 uitje
2 teentjes knoflook
paar takjes peterselie
handje walnoten
1 afgestreken theelepel gedroogde rozemarijn
peper uit de molen
olijfolie

Bereiding:
Pel en snipper het uitje, pel de knoflooktenen en snij ze fijn.
Snij de harde voetjes van de champignons, veeg eventuele aarde eraf (spoel ze af als de aarde hardnekkig is) en snij ze in plakjes.
Snipper de peterselie fijn.
Hak de walnoten grof.
Brokkel de roquefort in stukjes.
Ze de pasta op in ruim kokend water met een flinke scheut olijfolie erin en kook ze beetgaar.
Gebruik de kooktijd om intussen een scheut olijfolie in een koekenpan te verhitten en daar het uitje in aan te fruiten. Doe er vervolgens de paddenstoelen bij en de knoflook, en laat een minuutje of drie onder voortdurend omscheppen bakken.
Draai het vuur laag en voeg de peterselie, de crème fraîche, de walnoten, de rozemarijn en pas op het laatst de roquefort toe. Geef een paar draaien aan de pepermolen en schep alles op laag vuur voorzichtig door elkaar. Draai het vuur uit.
Doe de beetgare pasta over in een vergiet en schudt het water er goed uit. Niet (!) afblussen onder de koude kraan, maar meteen terug in de pan doen en de saus er doorheen scheppen.
Verdeel de pasta over de borden en geef er wat brood bij om te soppen, en een licht gekoeld glaasje fruitig rood. Plus een lekker trosje druiven toe.

De motorclub

september 21, 2016

schermafbeelding-2016-09-21-om-17-59-51

Hier ergens in de buurt woont een kampioen trialrijden. Met name op zondagochtend is dat te merken, dan gaat ie op de smalle bergpaadjes aan de overkant van de rivier oefenen, liefst met een paar maten. Veel ‘vroemvroem’, afgewisseld met ‘sputtersputter’ en luidkeelse aanmoedigingen; hij neemt zijn sport zéér serieus. Bon, moet kunnen. En als de wind de andere kant op staat heb je er weinig last van. In het café zijn we hem nog niet tegengekomen, daar zie je vooral recreatiewielrenners met een uit de naastgelegen fontein volgetapte bidon (‘eau non-potable’, maar goed), een stokbroodje van de bakker aan de overkant en een excuus-kopje koffie ernaast. Motorvolk dat langs komt – veelal van de categorie loodzwaar en bloedserieus, zowel de motoren als de berijders trouwens – legt zelden aan. We keken dan ook nogal verbaasd op toen er een hele club tegelijk ontspannen het terras kwam opgewandeld. Ze bestelden bier en verloren zich in een levendige discussie over wat ze die dag al aan markante ervaringen en repeterende pech hadden gedeeld. Dat was nogal wat. Ik bekeek ze eens wat beter, ze zagen er op z’n minst een pietsie gedateerd uit. Zeg maar heren op leeftijd in veelgebruikte motorkloffies die beslist niet aan de laatste mode- en veiligheidsnormen voldeden. Gold trouwens ook voor de helmen: model Charles Lindbergh, Snoopy versus The Red Baron, Saint Exupéry, die kant uit. Terwijl ze daar zo gezellig zaten te keuvelen kwamen er met enige regelmaat motoren uit de eerder genoemde categorie voorbij. Er werd niet op of omgekeken, geen belangstelling. En dat was op z’n minst raar. Naar mijn ervaring hebben motorrijders de neiging elkaar met opgestoken hand gedag te zeggen als ze elkaar tegenkomen. En onderling hun megamotoren te bewonderen. De enige keer dat het clubje gezamenlijk opkeek was toen de serveerster de weg overstak met een tweede ronde bier en bijna door zo’n glimmende kolos van de sokken werd gereden. Iedereen was opgelucht dat ze heelhuids de overkant haalde zonder dat zelfs maar het bier over de randen was geklotst; het is een hele geroutineerde serveerster. Met een innemende glimlach plaatste ze de glazen op het tafeltje en kreeg er een verbaal schouderklopje voor.
Niet veel later sprong de hele club ineens overeind toen er een witte bestelbus langskwam. Druk gebarend maanden ze hem tot stoppen. Hij had het gesnapt en ging een parkeerplek zoeken. Na verloop van tijd – voor een parkeerplek moet je hier goed zoeken – kwam hij terug in gezelschap van z’n bijrijder. Die meteen bij aankomst hartelijk werd uitgelachen. Het bleek geen bijrijder, het was de pechvogel van de dag. Ergens halverwege het traject had zijn motor er de brui aan gegeven. Een noodreparatie (of twee, drie) had niet geholpen en dus was hij met motor en al door de bezembestelbus opgeveegd.
Niet aardig, dacht ik eerst, om je motormaat zomaar uit te lachen, je had hem ook verder kunnen helpen. Nou, nee dus. De motoren waarop het gezelschap rondreed stamden allemaal zo’n beetje uit het begin van het gemotoriseerde tijdperk. Het ene antieke ‘koffiemolentje’ nóg excentrieker dan het andere. Reserve-onderdelen? Zelf maken, wegens niet meer aan te komen. Pech? Verhelpen met ducktape, een ijzerdraadje, een fietsbandenplakkertje of iets anders onbeholpens. En nee, geen twee motoren gelijk, dus onderdelen onderling niet uitwisselbaar. Maar uit de luidkeels gevoerde conversatie bleek dat ze er juist daarom de grootste lol in hadden. Tuurlijk was het de bedoeling om heelhuids thuis te komen maar pech onderweg was onderdeel van het plezier, net als geradbraakt op een caféterras bijkomen van een onmogelijke tocht over stuiterpaadjes met een vrijwel ongeveerd vervoermiddel.
Toen ze een tijdje later opstapten ben ik ze achterna gelopen. Ik wilde in elk geval even zien op wat voor wonderlijke machines ze hun traject gingen vervolgen. Ze waren nog mooier dan gedacht. En verdomd, de een na de ander sloeg gewoon aan na een aantal keren trappen. Ik keek ze na terwijl ze de straat uitsputterden, pure nostalgie op wielen.
Op weg naar huis kwamen we ze nog een keertje tegen. Op een mooi stukje land langs de kant van de weg, aan een lange, rijk gedekte tafel met flessen wijn van ‘onze’ cave in de hoofdrol. De motoren netjes op de staanders even verderop in het gras geparkeerd.
“Dat wordt dus voor allemaal de bezemwagen”, grijnsde de echtgenoot.
Ik denk niet dat ze daar echt mee zaten.

schermafbeelding-2016-09-16-om-16-07-16
Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Waarschijnlijk keek hij een beetje beteuterd op zijn bordje. De koning van Polen Stanislas Leszczynski (1677-1766), tevens de schoonvader van de Franse vorst Louis XV, had zojuist tijdens een banket te Nancy zijn dessert voor z’n neus gekregen. Een dessert dat hij kende uit zijn jeugd en dat hij zijn meegebrachte koks graag liet klaarmaken: kougelhopf, een soort smeuïge cake die lekker plakte aan je verhemelte en die je heerlijk smakkend kon wegzuigen. Maar deze ‘hopf’ was wel erg droog uitgevallen. Leszczynski liet met een vingerknip een fles rum aanrukken, overgoot er zijn cake mee en liet z’n dessert door de livreier van dienst in de fik steken, oftewel flamberen. De ‘baba au rhum’ was geboren, al moest ie nog wel een naam krijgen. Er wordt gefluisterd dat de koning het gebak wel wat aan de uitgezakte voorgevel van een oude matronne (baba op z’n Pools) deed denken en dat daar de naam vandaan komt. Maar ook gaat het verhaal dat Leszczynski dol was op de sprookjes van ‘Duizend en een nacht’ en dat hij het toetje naar (Ali) Baba noemde. Er wordt wel meer verteld.
Feit is dat de Parijse patissier Nicolas Strohrer – een afstammeling van de chef-patissier van de Poolse koning – er in 1835 mee aan de haal gaat en er een flinke reputatie mee vestigt. Ook een feit is dat de baba au rhum een populair Napolitaans nagerecht is, maar dat die er limoncello overheen gieten in plaats van rhum. Ik vind beide varianten eigenlijk wel lekker, dus ik eet regelmatig van twee walletjes. De rhum of limoncello wordt er trouwens allang niet meer puur overheen gegoten, maar als siroop (zie recept), dus te flamberen valt er niks meer. En ik versier m’n baba met van alles en nog wat. Variërend van een toefje slagroom en een handje seizoenfruit tot en met een bolletje ijs naar keuze of een huisgemaakt mopje nougat glacé. Kortom, voor mij is een baba au rhum een zompig lik-je-vingers-af basiscaketje om eindeloos mee te klooien. Met dank aan Stanislas.

Inrediënten:

Voor de baba:
150 gram bloem
3 eieren
90 gram kristalsuiker
3 eetlepels melk
70 gramboter (plus een klontje voor het invetten van de vorm)
1 zakje levure chimique (bakpoeder)
snufje zout

Voor de siroop:
25 cl water
120 gram rietsuiker (mag ook bruine suiker zijn)
1 zakje vanillesuiker
4 eetlepels bruine rhum (of limoncello)

Bereiding:
Van de baba:
Scheidt de eieren.
Mix de eierdooiers met de kristalsuiker en een snufje zout tot het een mooie egale crème vormt.
Mix er de boter (op kamertemperatuur en in blokjes) bij, en daarna beetje bij beetje de melk. Voeg beetje bij beetje – al mixend – de bloem toe, plus het bakpoeder.
Verwarm de oven voor op 180 graden.
Klop de eiwitten stijf en spatel ze voorzichtig door het beslag.
Beboter een bakvorm (of kleine vormpjes) en doe het beslag erin over.
Zet de vorm(pjes) in het midden van de voorverwarmde oven en laat een half uurtje garen. Laat afkoelen en haal uit de vorm.

Maak intussen de siroop:
Breng het water in een pannetje aan de kook, doe er de rietsuiker en de vanillesuiker bij en laat op laag vuur doorkoken tot alles gesmolten is. Haal het pannetje van het vuur, laat afkoelen en doe er dan pas de rhum of de limoncello bij; zo blijft het stroperig.

Verdeel de baba over de borden, giet er de siroop overheen en versier naar eigen idee. Geef er vooral een lekker glaasje bij. Ik hou het zelf op een kelkje longo maï, een semi-zoete bio-wijn met een vleugje basilicum, bedacht door Nicolas Rutard, chefkok van het befaamde restaurant/hotel Hélios op het eiland Embiez, eigendom van Paul Ricard. Precies, die van de pastis.

Pokéhond

september 15, 2016

schermafbeelding-2016-09-15-om-17-13-21

 

Er is iets raars met Fabius. Nee, niet de politicus die president is van de Franse Raad van State, maar onze hond. Sinds een paar weken heeft ie ineens buitengewone belangstelling voor de luchtroostertjes tussen de ‘cave’ onder het huis en ons beganegrondse woongedeelte. Het zijn er zo’n stuk of zes, verdeeld over het hele woonoppervlak, en hij heeft het er danig druk mee. Hij slaapt er naast – nou ja, hij kiest er eentje uit om naast in te dommelen – en rept zich overdag met snuffend neusgewriemel van het ene naar het andere roostertje. ’s Nachts ook trouwens, maar dan blaffen we hem vanuit de slaapkamer naar z’n mand. Een ommetje buiten eindigt steevast in een spurt naar het dichtstbijzijnde roostertje: ff checken. “Ze zijn net weg”, roepen we dan. Maar ja, wát ie checkt, geen idee.
We zijn (jawel, ook met hem) naar de cave afgedaald om uit te vinden wat zijn buitengewone belangstelling opwekt. Maar eenmaal beneden is die belangstelling volledig weg, hij kijkt ons een beetje onnozel aan en wil maar één ding: terug naar z’n roostertjes. En eenmaal terug, begint het hele gedoe opnieuw.
‘Loirs’, dachten we in het begin, ’t is tenslotte een soort van jachthond en die relmuizen rennen in en om het huis, en met name tussen de dakspanten van ons onder de nok gelegen kantoor door. Maar meneer toont geen enkele belangstelling als hij eens een dutje naast een bureau doet. En zodra hij wakker schrikt rent hij de trap af om z’n roostertjes te checken. Het buitenleven heeft elke aantrekkingskracht voor hem verloren. Behalve dan dat hij de ‘serieuze’ jachthonden nu het seizoen weer is begonnen, graag uitbundig uitblaft. Mét toestemming trouwens. Ook vanmorgen rond een uurtje of half zes, toen er weer een knallende en schreeuwende moordbrigade met een blooddorstige meute gilhonden langstrok, mochten Fabius en z’n huisvriendinnetje Porta die hele bende van harte afblaffen. Wakker waren we toch al.
Soms blijft er na zo’n jachtsessie een verdwaalde hond achter. Die hoor je dan door de bossen rond het huis scharrelen, de meeste jachthonden krijgen van hun baas een irritant belletje omgebonden. Niet zozeer om te weten waar ie uithangt, maar om het wild op te drijven tot pal voor de lopen van de jagers. Onze honden worden daar terecht razend van en zouden er het liefst achteraan jagen, maar dat doen we maar niet. Dus beperken ze zich tot het erf schoon blaffen en wat spierballengegrom vanachter het hek. Maar sinds Fabius zijn roostertjes heeft ontdekt heeft ie hooguit nog een flauwe blaf vanuit de deuropening over voor zo’n verdwaalde indringer. Daarna haast hij zich weer terug naar een van zijn waakposten.
“Hij speelt Pokémon Go”, grapte de echtgenoot.
“Ja vast! En dan is ie zeker op zoek naar een zeldzame Mewtwo, Moltres en Blastoise. Of misschien wel naar een legendarische Moltres, Zapdos of Articuno.”
“Een wat?” vroeg hij verbaasd.
Ik had ook geen idee, maar ik had er toevallig net een artikel in NRC over gelezen, dus het leek me wel een snedig antwoord. “Figuurtjes”, mompelde ik, om er maar vanaf te zijn.
“Heb je daar niet een mobieltje voor nodig?” vroeg de echtgenoot gevat.
“Ja, en vingertjes. Maarreh, het is etenstijd. Zullen we onze Pokéhond maar eens een volle bak bezorgen?” Want als er één ding is waar Fabius nog meer belangstelling voor heeft dan voor zijn roostertjes, dan is het eten.
Terwijl de ‘maag op poten’ zijn maaltijd naar binnen schrokte onderwierp ik de roostertjes nog maar weer eens aan een inspectie. Niks te zien, niks te horen.
Goeie kans dat er inderdaad Pokémons zitten. En dat honden helemaal geen mobieltje nodig hebben om ze te vinden. Maar ja, vangen hè. Da’s lastig met zo’n roostertje ertussen. Fabius zal nog wel een tijdje ‘in de ban van’ blijven. Al las ik ook dat de hype inmiddels over is. Kunnen we over een tijdje misschien weer een gewone hond rond zien dartelen.

schermafbeelding-2016-09-09-om-17-59-23

 

Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Heet, droog, en dat al weken achter elkaar. We kunnen zo langzamerhand wel gaan spreken van een ‘été indien’, want er lijkt weinig kans op een regendrupje of lagere temperaturen de komende tijd. Dat ‘été indien’ is eigenlijk een beetje rare term voor een Franse nazomer. ’t Is de letterlijke vertaling van ‘Indian summer’ en er zijn vele verklaringen over de oorsprong ervan, maar de meest gangbare is dat het afkomstig is van de eerste kolonisten in het Wilde Westen. Die zagen na een lange hete zomer de winter graag komen, dan bleven de Indianen tenminste een tijdje weg en werden ze niet meer bedreigd en geplunderd. Maar bij aanhoudend mooi weer kwamen die juist nóg een keertje langs. En nee, dat heeft helemaal niets met Frankrijk te maken dus die ‘été indien’ slaat eigenlijk nergens op. In het Nederlands heet zo’n mooie nazomer in de volksmond overigens gewoon ‘oudewijvenzomer’, maar oorspronkelijk komt het begrip uit de Noordse of Germaanse mythologie, waarin noodlotsgodinnen de menselijke levensdraden uitsponnen. Al wordt er ook verteld dat het gaat om een vrouwelijke watergeest met lange witte haren. Of om oude breiende vrouwen en veldspinnen die bij rustig nazomerweer lange draden spinnen. En volgens de definitie van de Dikke Van Dale gaat het gewoon om ‘een ‘nazomer (sept, okt) met mooi hogedrukweer waarin de tuin- en veldspin draden spinnen die door de lucht zweven en in het gezicht voelbaar zijn’.
Hoe dan ook, zo’n warme nazomer nodigt niet echt uit om lang in de keuken te gaan staan. Doen we ook niet. Met dit tonijnprutje zit je zo weer op het terras van een lekker hapje en een glaasje frisse rosé te genieten.

Ingrediënten:
4 grote aardappelen
2 blikjes tonijn op olijfolie (160 gram elk)
120 gram groene olijven (ontpit)
60 gram kappertjes op azijn
3 ansjovisfiles op zout
3 tenen knoflook
1 bosje peterselie
wijnazijn
mayonaise
zwarte peper uit de molen
wat blaadjes sla

Bereiding:
Schil de aardappels en kook ze gaar, giet ze af, maar laat ze in de pan zitten.
Pel intussen de knoflooktenen, hak de peterselie grof, snij de ansjovis in stukjes.
Laat de olijven de kappertjes uitlekken in een zeef.
Open de blikjes tonijn, giet van eentje de olie af.
Knijp de knoflook uit boven de hete aardappels en prak ze erdoor met een stamper.
Doe de peterselie, de olijven de kappertjes, de ansjovis, plus de blikjes tonijn (waarvan eentje dus mét olie en al) in de keukenmachine, prak de tonijn even los. Vermaal alles tot een smeuïge massa, dat kan wel een paar minuten duren; af en toe even stoppen en de boel naar beneden vorken helpt.
Doe de tonijnprut bij de aardappels, samen met een flinke scheut wijnazijn, een dikke klodder mayonaise en flink wat versgemalen zwarte peper, en meng alles goed door elkaar. Blijft de massa te droog, dan nog wat extra mayonaise toevoegen. (Het recept voor mayonaise staat hieronder, maar die mag ook gewoon uit een knijpfles of pot komen hoor.)
Leg wat blaadjes sla op de borden, verdeel de prut erover en geef er stokbrood en een glaasje rosé bij.

Mayonaise:
Ingrediënten:
2 eierdooiers
circa 1 glaasje olijfolie
1 theelepel mosterd
1 eetlepel wijnazijn
fijn zout en peper

Bereiding :
Zorg dat alle ingrediënten op kamertemperatuur zijn. Breek en scheidt de eieren, doe de dooiers in een (niet te grote) kom, doe er de mosterd, wat zout en wat peper bij en roer even voorzichtig door elkaar, en zet er dan de mixer op. Kluts alles stevig door elkaar, en voeg scheutje voor scheutje en in een dun straaltje de olie toe. Blijven kloppen tot de olie volledig is opgenomen vóórdat het volgende scheutje wordt toegevoegd. Na verloop van tijd ontstaat er een dikke mayonaise. Dik genoeg? Dan stoppen met olie toevoegen. Op het laatst druppel voor druppel wat azijn bijmengen, en eventueel wat extra peper en zout naar smaak. De mayonaise kan 1-2 dagen in de koelkast bewaard worden.

Vergeethoekje

september 8, 2016

schermafbeelding-2016-09-08-om-18-33-01

‘Mal hoedje’, dacht ik nog toen we het terras van het aanbevolen restaurant opstapten en de gastvrouw gewaar werden, ‘frivool jurkje ook’, dacht ik er achteraan, ik schatte haar op een jaartje of zestigplus. Dan is een fluffig flinterdun billentikketje op z’n minst gedurfd.
Het was een uurtje of half negen. Het eethuis was ons aanbevolen als een van de betere van de regio en dat wil al heel wat zeggen hier in het achterland; serieuze restaurants zijn dun gezaaid. Als je tenminste uitgaat van wat de verwende buiten-de-deur-eter onder restaurant verstaat, doorgaans toeristenvolk en tweede-huisbezitters. Wij vonden een avontuurtje naar het naburige dorp wel spannend. Hard gewerkt, deadlines gehaald, hapje eten dus, hapje eten plús.
We hadden het niet slechter kunnen uitkiezen. Zelden in zo’n absolute ‘tourist trap’ gevangen gezeten. Maar goed, wie ‘a’ zegt en zo… En het entertainment was van topniveau. Dat begon al bij de ontvangst. Madame zelf had even geen tijd, druk met rekenwerk achter de kassa. De echtgenoot parkeerde nog, ik werd toevertrouwd aan een allervriendelijkste stagiaire die me aan een tafeltje naast de doorloop naar het toilet dacht te parkeren. Waarom, geen idee, het hele terras was nog leeg. En we hadden netjes tevoren gereserveerd. “Ik wil graag een stukje verderop zitten, daar bij de heg” wierp ik tegen. Dat moest met de patronne overlegd. Het hoedje kwam langszij: “U hebt gereserveerd?”
“Zeker wel mevrouw, maar niet naast het toilet.”
“Dat moet ik nakijken.” Ze verdween, ik stond daar maar zo’n beetje en plukte denkbeeldige pluisjes van het tafelkleed.
“Bon”, u mag daar (ze wees naar het uiterste hoekje van het terras, daar waar je zeker weet nooit meer door de bediening opgemerkt te worden) gaan zitten. Is u alleen?”
“Nee madame, de echtgenoot parkeert, er is voor twee gereserveerd.”
Ze zeilde weg, ik ging zitten. En zat. Zonder drankje, de desbetreffende bestelling was blijkbaar ergens halverwege verloren geraakt. De echtgenoot sloot na verloop van tijd aan, buiten adem van het traject dat hij in Usain Bolt-tempo gedacht had te moeten afleggen van de ver verwijderde parkeerplaats naar hier. Niet helemaal gelukt, maar toch een persoonlijk record, een drankje waardig. Ik keek rond. Niemand op het terras keek terug, er was niemand. Ik probeerde oogcontact te maken met een jongen in de deuropening van het restaurant die half ingezakt zijn uitzonderlijke lengte probeerde te compenseren, maar dat werkte alleen in eigen waarneming; hij leek er nog langer door. Ik wapperde zonder resultaat wat uitnodigende gebaren zijn kant uit. Net toe we besloten de drankjes dan maar zelf aan de bar te gaan halen, kwam er beweging in de slungel; hij dook onder de deurpost door naar binnen.
Maar zowaar kwam even later het stagiairemeisje met een notitieblokje langs: “Of we een keuze uit de menukaart hadden kunnen maken?”
“Nee”, zei ik gevat, “maar als u ‘m brengt lukt dat vast wel.”
De echtgenoot keek me waarschuwend aan: “Niet meteen beginnen hè.”
Ik grijnsde onschuldig terug.
De drankjes kwamen, de menukaarten ook, het meisje bleef naast het tafeltje staan en schurkte met enige regelmaat met een raspend geluid haar benen langs elkaar; last van muggenbulten.
“Encore deux minutes?” zei de echtgenoot, wat zoveel wil zeggen als ‘we hebben nog even de tijd nodig, ga intussen in godsnaam wat anders doen.’
“Nou jij niet beginnen hè”, grinnikte ik. Tot ieders opluchting druppelden er nu meer gasten het terras op, uitbundig door de patronne ontvangen en door het meisje naar een tafeltje geleid. Er zat systeem in; de patronne scheidde feilloos de eendagsklantjes van de terugkeerders, die kregen de betere plekken. En de snellere bediening. Wij – als nieuwkomers – hadden bovendien de onvergefelijke fout gemaakt om nog wat bedenktijd te vragen alvorens een keuze uit de kaart te maken. Daar kregen we zo’n 20 strafminuten voor, terwijl we de voorgerechten voor de uitverkoren tafeltjes al langs zagen komen.
De vrolijkheid van het begin ebde weg, al helemaal toen we ten langen leste de gekozen gerechten voor onze neus kregen. De echtgenoot had risotto met gamba’s besteld, dat bleek een miniportie smakeloze droge rijst met te heet gewassen garnaaltjes. Ik had voor de daube met ravioli gekozen, en kwam te zitten met een bordje hardgebakken deegflapjes plus een plas doorgekookte jus waarin hier en daar een flintertje vlees voorbij dreef.
“Blij dat we geen voorgerecht genomen hebben”, zuchtte de echtgenoot mismoedig.
“Van een dessert zie ik ook maar af”, vond ik, “doe maar koffie, en dan wegwezen.”
De stagiaire haalde een half uurtje later de borden van tafel, ik vroeg meteen om de koffie én om de rekening. De koffie kwam, na nog zo’n half uurtje, samen met de lange slungel die de kopjes met veel gevoel voor entertainment naar de tafel struikelde en ze van een riant voetbad voorzag. Dat kwam goed uit, het bocht was niet te zuipen. De rekening kwam niet. Ook na nog een extra kwartiertje niet.
Het was mooi geweest: “Ik ga wel binnen betalen.”
Bij de bar, die tevens als kassa- en reserveringskantoortje dienst deed werd ik uitbundig begroet door de patronne, alsof ze me voor het eerst zag, wat waarschijnlijk ook het geval was nu ze uit haar dagelijkse routine was opgeschrikt en even niet op de automatische piloot liep.
Nadat ik netjes had afgerekend kwam ze zomaar achter haar ‘helpdesk’ vandaan en gaf me twee dikke afscheidszoenen. Ik schrok me kapot. Ook van de rekening.
“Doen we niet meer”, zei ik tegen de echtgenoot terwijl we naar de auto liepen.
Hij mompelde iets onverstaanbaars terug en verdween schielijk achter een boom.
“Wat?!”
“Foute garnaal waarschijnlijk.” Hij kwam een stuk beter achter de boom vandaan dan dat hij er wegdook. “Als je dit maar niet opschrijft.”
“Mwah.”
De maan scheen, de wind was zoel. Bij een glaasje prosecco op eigen terras knapte zelfs ons humeur weer op.
“Je hebt in elk geval weer een stukkie”, zei de echtgenoot.
“Maar je moet er wel wat voor doen”, grinnikte ik terug, “la vie est dure en Provence.”
Werd het toch nog een mooie avond.

Schermafbeelding 2016-09-02 om 17.22.36

 

Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Het was druk bij de ‘cave’ vanmorgen. Normaal zie je er geen hond, behalve dan de adorabele puppy van het meisje van de kassa. Als je geluk hebt dan, het beestje nestelt zich graag onzichtbaar tussen haar rug en die van haar bureaustoel. Een maand of wat geleden was ie er ineens niet, ze had hem thuisgelaten, er moest gebotteld worden. De laatste restjes uit de kelders werden opgeruimd om plaats te maken voor de nieuwe oogst. Dat was te merken. Voor de deur van de ‘cave cooperative’ stond een enorme truck, formaat verlengde oplegger met aanhanger, waarvan de zijkant was neergeklapt en waarbinnen zich een minibottelarij bevond. Compleet met lopende band, kurkenplugger en etiketteermachine. De flessen kletterden vrolijk langs en werden door niet minder vrolijke bottelaars(ters) behendig in kartonnen dozen verpakt. Nog nooit eerder gezien, een ambulante bottelarij, maar het blijkt een opkomend fenomeen waarvan steeds meer wijnboeren gebruik maken om de kosten te drukken.
En vandaag was dus de ‘vendange’ begonnen, de nieuwe oogst. De schoongemaakte ‘cuves’ (opslagtanks) van de cave waren er klaar voor.
De wijnboeren uit de omgeving brengen hun druiven naar de ‘cave’, waar ze hun oogst in de gemeenschappelijke druivenkelder storten en waar dan weer een heel acceptabele ‘vin de pays’ van wordt gebrouwen. De trekkers met aanhangers reden af en aan, de druiven zagen er mooi en mollig uit en smaakten voortreffelijk. Ja, natuurlijk trok ik hier en daar een druifje van een tros; je moet toch weten hoe je wijn van het volgend seizoen gaat smaken. Niks te klagen, leek me.
“Prenne!” riep de druivenboer lachend vanaf zijn trekker, “neem maar, het is een goeie oogst.” Ik nam graag een trosje in ontvangst en bedankte net zo vrolijk.
De echtgenoot en ik gingen een glaasje drinken op het terras van de dorpskroeg om het mooie oogstjaar vieren. Een tafeltje verderop zat een groepje Engelstalige toeristen aan de koffie. Toen er weer een trekker met ruim gevulde aanhanger langs denderde op weg naar de cave werd er onder verbaasde ‘ah’s’ en ‘oh’s’ uitbundig geklapt. Hadden ze toch maar mooi de druivenoogst meegemaakt. Het leek wel een geslaagde crashlanding na een turbulente budgetvlucht.
En zo werd het een fraaie Zuid-Franse ochtend. En kreeg ik maar weer eens herbevestigd waarom ik hier woon. La vie est belle en Provence.

Ingrediënten:
1 rol pâte sablée (zandtaartdeeg)
750 gram druiven (zeg maar, een grote tros)
2 eieren
20 cl crème fraîche
50 gram sucre de canne (rietsuiker o.i.d.)
1 zakje vanillesuiker

Bereiding:
Verwarm de oven voor op 180 graden.
Rol het bladerdeeg uit en verdeel het (met het bakpapier eronder) over een taartvorm. Snij/knip de overhangende randen weg. Prik het deeg over de hele bodem in met een vork en laat de vorm in het midden van de voorverwarmde oven 10 minuten voorbakken.
Was en ontsteel intussen de druiven, laat ze uitlekken in een vergiet en dep ze eventueel droog met keukenpapier.
Breek de eieren in een kom en klop ze los, klop er de suiker, de vanillesuiker en de crème fraîche doorheen.
Haal de voorgebakken taartvorm uit de oven (oven niet uitzetten!), verdeel de druiven over de bodem en giet er het eiermengsel overheen.
Stop de taart weer in de oven en laat hem in zo’n 35 minuten gaar worden.
Daarna laten afkoelen tot lauwwarm en serveren met een koud glaasje zoete witte.