Home



Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Ik overdrijf misschien, maar ik geloof dat er in heel Zuid-Frankrijk geen gezin en ook geen restaurant te vinden is waar géén eigen variant van ‘bourride’ met enige regelmaat op tafel komt. Volgens mij zijn er van die soep in de in de Provence net zoveel varianten als zonuren, en dat zijn er nogal wat: tegen de 3000 op jaarbasis. En nu het eindelijk een beetje lijkt te gaan zomeren vind ik een mooi-weer-soep wel op z’n plaats. ’t Is een licht verteerbare soep ook, geen dikke winterbrij waarbij je volautomatisch visioenen krijgt van Friese doorlopers en Noorse kabeltruien. Nee, deze soep is vrolijk zomers en toch voedzaam genoeg om voor een hele maaltijd door te kunnen gaan. Volgens de overlevering stamt de bourride nog uit de tijd van de Feniciërs; antieke Grieken die in 600 voor Christus naar de Provence kwamen en er de havenplaats Massalia stichtten, het huidige Marseille. Die Grieken brachten trouwens ook de eerste wijnstokken mee waardoor Frankrijk het wijnland werd dat het nu is. Er ging dan ook logischerwijs een ferme plas wijn in de bourride, maar het waren eeuwen later de vissers van Marseille die er ook een glaasje pastis in kieperden. Dat doen de Marseillais nog steeds, en dat moet dan ook nog eens per se een glaasje Pastis de Marseille zijn, maar dat vind ik onzin; alle pastis (Ricard, Pernod, 51, of een van al die andere lokale merken) is goed. Probeer het maar eens. Maar geef er wel een mooi glas Provençaalse rosé naast.

Ingrediënten:
1 kilo filets van verse witvis (baars, brasem, zeeduivel, wijting, heilbot, zonnevis, tarbot, kabeljauw enz.)
koppen en graten voor de bouillon, of een kant-en-klare visfond
12 grote garnalen of rivierkreeftjes
1 grote ui
2 preitjes
1 winterwortel, of vier ‘gewone’
8 tenen knoflook
½ l droge witte wijn
½ l water
1 grote schoongeboende sinaasappelschil
3 takjes tijm
half bosje peterselie
2 laurierbladeren
1 borrelglaasje pastis
peper en zout
3 eierdooiers
olijfolie

Bereiding:
Vraag aan de visboer om de vissen te ontschubben en te fileren als dat nog nodig is. Vraag hem meteen om voldoende graten en vissenkoppen om een liter bouillon van te trekken.
Breng wijn en water in een ruime pan aan de kook. Doe de koppen en graten, plus de sinaasappelschil erbij en laat een uurtje op laag vuur trekken. Giet daarna de bouillon door een zeef in een kom en doe ‘m terug in de pan. Gooi graten en koppen weg.
Bij gebruik van een visfond, de wijn met de fond vermengen (eventueel met water erbij; zie de aanwijzingen op de verpakking) en even door laten koken.
Pel en snipper intussen de ui. Haal het donkere groen, plus het kontje en het buitenblad van de preitjes en snij ze in ringetjes. Pel de knoflooktenen. Schil de wortel en snij in plakjes. Hak de peterselie grof op een paar takjes na.
Voeg alle ingrediënten toe aan de bouillon, behalve het glaasje pastis, de vis en schaaldieren, en hou een paar takjes peterselie en 4 tenen knoflook apart. De andere 4 tenen boven de bouillon uitknijpen.
Laat de bouillon nog circa 20 minuten doorpruttelen, voeg dan de vis en de garnalen of rivierkreeftjes toe en laat alles nog een minuut of tien mee pruttelen. Draai het vuur uit, schep de vis en de schaaldieren uit de pan, doe ze over in een vuurvaste schaal en hou ze warm in de oven op de laagste stand. Breng de bouillon op smaak met peper en zout en laat afkoelen tot matig warm.
Scheidt de eieren. Pers de achtergehouden tenen knoflook uit boven een kom en voeg de eierdooiers plus wat peper en zout toe. Klop of mix de dooiers los, en giet er beetje bij beetje kleine scheutjes olijfolie bij, tot er een dikke mayonaise ontstaat. Voeg daarna net zo lang een soeplepel van de warme bouillon toe tot de mayonaise een soepele crème geworden is. Giet deze al roerend, scheutje voor scheutje, terug in de pan met bouillon zodat de soep mooi gebonden wordt. Verwarm de soep weer tegen de kook aan, en draai het vuur uit. Roer er dan pas het glaasje pastis door.
Verdeel de vis over vier borden en giet er een flinke plas soep omheen. Bestrooi met fijngehakte peterselie. Geef er stokbrood bij, en dat mooie glas Provençaalse rosé.

Geurverbod

do 18 mei 2017

Vanmorgen in het café al bijna traditiegetrouw gezoend door de kroegbazin, ik begin er min of meer bij te horen. ‘En dat was ‘m weer’, wist ik meteen. Ik bestelde nog wel het gebruikelijke glaasje rosé, maar het was duidelijk dat ik er niet veel meer van mee zou krijgen. Proeven is voor een goed deel ruiken, en dat lukt me niet meer met een neus boordevol overdadig opgespoten Patchouli. Ja, dat hippieluchtje uit de jaren zestig bestaat nog en zij heeft het herontdekt. Ik overwoog even m’n wangen te wassen bij de naast het terras gelegen fontein maar dat doe je niet. Niet als je hier in dit dorp nog wat langer denkt rond te hangen en een exit met pek en veren wilt vermijden. Ik heb discreet een punt van m’n overhemd in de rosé gedompeld en een beetje geboend. Dat hielp, we namen er nog eentje.
Kijk, ik hèb geen neus, ik bèn een neus. En als ik vroeger geweten had dat je daar je beroep van kon maken had ik het gedaan ook, want hier in Grasse (nou ja, stukje verderop) stikt het van de laboratoria waar elke neus welkom is. Er werd en wordt de basis gelegd voor de grote parfums van de wereld. Denk Chanel no. 5, L’Air du Temps van Nina Ricci, J’adore van Dior, Hugo van Hugo Boss, alles van Jean Paul Gaulthier, ik noem maar wat. Voor een beetje ‘nez’ wordt in de parfumindustrie een riante vergoeding neergeteld. En ik voldoe aan alle voorwaarden: ik ruik scherp, ik ruik alles, en elke geur kan ik doorgaans tot in de finesses determineren. Dat is geen pretje, althans niet altijd, en bij samengestelde of overheersende geuren is het een ramp. Maar als het je beroep is werk je in een zoveel mogelijk geurvrije ruimte met kleine ‘luchtjes’ die je voorzichtig en op toerbeurt uit keurig afgesloten flesjes op papierstripjes druppelt. Daar snuf je aan, je voegt er een paar samen, haalt er weer eentje weg, gaat naar buiten om je neus op te frissen terwijl de ventilator je werkvertrek schoon zuigt. En begint opnieuw. Net zolang tot je het ideale nieuwe parfum hebt samengesteld. Misschien niet meteen Chanel no. 6, maar toch, best een leuke baan. En na werktijd trek je de deur achter je dicht en hoef je niks meer te ruiken. Nou ja, niet beroepsmatig dan, zo’n neus valt helaas niet uit te zetten. En in het dagelijks leven is dat best een probleem, soms.
Thuis niet, dat heb je het min of meer zelf in de hand. Door vooral géén chemische luchtjeskillers in huis te halen bijvoorbeeld. Zo’n flesje ‘verfrisser’ in het stopcontact? Dacht het niet: dan ruik ik niet alleen de hondenmanden maar ook de hele chemische samenstelling van dat goedje. Spuitbus op het toilet? No go: raampje open. Ouwe sportschoenen met ingebakken zweetlucht? Spuit ze vol met geurverdrijver, trek ze nog één keer een dagje aan en ik flikker ze meteen de vuilnisbak in.
Buiten in de natuur, ook geen probleem. Het riekt hier nu overheerlijk naar verse brem langs het pad, laurier een stukje verderop, voorjaarsvijgen en kersen (nee, geen bloesem, die is al geweest) bij de weide, zompig mos naast de paddenpoel en zuiver water bij de rivier. Als de echtgenoot er tenminste niet met een sigaar naast loopt te dampen, maar ook dat is een natuurlijke geur; dat kan ik hebben.
Maar ik word ronduit chagrijnig als ik ergens een hapje ga eten en aan het belendende tafeltje neemt iets plaats dat al bij binnenkomst de tent uit meurt (om het even op z’n Rotterdams te zeggen, is ook weer herontdekt sinds Feyenoord), zodat de rest van je maaltijd vergald wordt door een lucht waar je tegen aan kunt leunen en je bij elke hap die hele buurchemie mee naar binnen proeft. Geldt trouwens ook voor al die veel te uitbundig opgespoten aftershaves en deodorants; naarmate je een luchtje langer gebruikt ruik je het minder dus hup, omhoog die dosis, tot je als een walmende geurkaars je omgeving teistert.
Er is in de horeca een rookverbod; wie wil dampen wordt naar buiten verbannen. Een prettige sigaar opsteken na een mooie maaltijd mag niet. Ongezond, overlast. Maar met een hele chemische fabriek op je lijf kom je overal ongestoord binnen. Lijkt me ook overlast. En ongezond, want als die dampen jou al niet bedwelmen, dan doen ze het je omgeving wel.
Ik pleit dus voor een totaal geurverbod voor horeca, openbaar vervoer, openbare ruimten en de vrije natuur. Meuren doe je maar lekker thuis.

 

Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Avocado’s in de aanbieding dus ik dacht, inslaan. Hier op de marché kun je ze krijgen in diverse gradaties van rijpheid, maar ik vond mûr (rijp) wel een logische keuze want uit ervaring weet ik dat niet-zo-rijp doorgaans resulteert in een bordje hardgroen ongenoegen, en als je ze even laat liggen in een hoopje bruine rottigheid. Goed gegokt dit keer, want het supergezonde fruit (barstenvol vitaminen in alle soorten en maten, eiwitten, proteïnen, mineralen, vetten en god mag weten wat nog meer) waren perfect eetrijp en lieten zich voorbeeldig manipuleren tot een smakelijk voorgerecht dat ook nog eens appetijtelijk oogde. Maar ja, dat was gisteren. En intussen liggen de overgebleven avocado’s razendsnel verder te rijpen. Misschien moet ik er maar niet zo Provençaalse guacamole (avocado, citroensap, peper, zout) van maken. Maar ja, dat Mexicaanse mixje vind ik eigenlijk niet zo lekker. Daar denken we dus nog even over na. Intussen doen we dit voorgerecht. Kan ook als lunchhapje trouwens, en past perfect in de afvalaanloop naar het komende bikinitijdperk.

Ingrediënten:
2 rijpe avocado’s
1 blikje zalm (100 gram uitlekgewicht)
2 rijpe tomaten
1 handje stevige sla (roquette, ijsberg, o.i.d.)
1 eetlepel kappetjes
1 citroen

Voor de mayonaise:
2 eierdooiers
1 eetlepel mosterd
6 eetlepels olijfolie
1 eetlepel ciderazijn (maar andere mag ook hoor)
1 eetlepel cognac
1 eetlepel ketchup
zout en peper uit de molen

Bereiding:
Doe de eierdooiers, de mosterd en de azijn in een kom, voeg wat zout en een draai of twee uit de pepermolen toe en meng alles even door elkaar. Zet de mixer erop en giet beetje bij beetje de olijfolie erbij tot er een stevige mayonaise ontstaat. Giet er meer olijfolie bij als de saus niet dik genoeg wordt: hoe meer olijfolie, des te dikker de mayonaise, maar maak het niet te gek.
Doe er de cognac en de ketchup bij en roer die erdoor, niet meer mixen.
Snij de avocado’s in de lengte doormidden tot je op de pit stuit, draai de twee helften even in tegengestelde richting zodat ze los van elkaar komen; zet een vork in de pit en wip ‘m eruit.
Pers een helft van de citroen uit, snij de andere helft in 4 partjes en bewaar die.
Bedruppel de avocado-helften met citroensap.
Was de sla en snij die in reepjes.
Snij de tomaten in vieren, haal het kroontje en de zaadlijsten eruit en snij het vruchtvlees in blokjes.
Laat de zalm uitlekken in een zeef of vergiet. Prak de vis los met een vork.
Meng de zalm, de sla, de tomaat en de kappertjes door de saus, doe er eventueel nog wat zout of peper bij.
Verdeel de halve avocado’s over de borden, vul ze ruimhartig op met de zalmsaus – een kop erop mag best. Leg er een partje citroen naast en geef er stokbrood en een glaasje rosé bij.

Ik ben fan van Ewoud Sanders, de maker van de rubriek Woordhoek in NRC/Handelsblad. Even afgezien van wat achtergebleven dierbaar familievolk, is hij eigenlijk wel de prettigste connectie die me nog met het oude vaderland verbindt sinds ik zo’n ruime kwarteeuw geleden naar Zuid-Frankrijk uitweek. Taal, daar draait die rubriek om: gedefinieerd, geduid, gefileerd, gevolgd, gevonden, geschied en vooral gevoeld en geproefd. Ik mag graag in die Woordhoek grasduinen, toch nog iets met Nederland. In de aflevering van vandaag kwamen woorden aan bod die in het Nederlands ontbreken, maar er wellicht wel een plaatsje in zouden moeten krijgen. Prachtige vondsten. Zoals ‘leuterator’ (zeg maar ouwehoer) en ‘Michelinfenomeen’ voor dikdoenerij. Met name die laatste spreekt me aan; in een ver verleden tijd, toen ik nog schreef voor de restaurantgids Lekker, bedacht ik het woord ‘culicinatie’ voor een uit de hand gelopen creatie van de zoveelste hallucinerende keukengod. Ik kom ‘m nog steeds in restaurantrecensies tegen. En de laatste tijd vind ik ook ‘avondblond’ met enige regelmaat terug, een term die ik bedacht voor domme blondjes op leeftijd (sic).
Heb ik geprobeerd uit te leggen, hier in m’n dorp. Een vertrouwelijke babbel met de kroegbazin toen ik aan de toog m’n glaasje kwam verversen; ik vind het onzin om haar het hele lange zebrapad vanuit de kroeg over de doorvoerende départementale naar het terras aan de overkant te laten oversteken als ik net zo goed even de andere kant op kan, en zij intussen de rest van de toogklevers kan bedienen. ‘t Ging over een paar overduidelijk Hollandaise meivakantiegangsters, de fietsen-met-hulpmotor tegen de balustrade van het terras geparkeerd, die op ons ‘heure de l’apéro’ – het was half twaalf – bij hun ‘café au lait’ een croissant van de naastgelegen niet-zo-warme-bakker (het is een depot de pain, alleen voorgeleverde afbaksels) op het caféterras nuttigden. Niet snappend dat dat dus de dood in de pot is voor zo’n dorpskroegje, dat om het hoofd boven water te houden ook in hapjes en lunches doet. Ook niet te kanen, maar daar gaat het niet om. Het ging om het onbegrip van deze dames op leeftijd.
“Avondblond!”, verklaarde ik tegen de fulminerende kroegbazin, die haar handel zag verdampen maar desalniettemin uiterst correct bleef tegenover de beige fietsjackjesbrigade die het bij die ene sloot melk met een kleurtje liet.
“Abondeblonde?” vroeg de cafépatronne verbaasd.
“Non, avondblond”, legde ik uit, “la blonde agée, la blonde grise.”
“Ah! Comme ça.” Ze had het begrepen, zij wel. La Blonde, da’s internationaal. En de term ‘avondblonde’ inmiddels ook. Als je me er maar niet op aanspreekt.

 

Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Bevrijdingsdag in Nederland, maar vanmorgen op het caféterras leek het wel of Holland dat massaal hier is komen vieren. Tikje uitbundig ook, met nogal veel blote bloesjes, korte broeken en teenslippers die niet echt door de temperatuur werden gerechtvaardigd; zowel de kroegbazin als ik gingen in warme wol gekleed. “Landgenoten?” vroeg ze. Hollanders zijn net zo herkenbaar op een Zuid-Frans terras als hun Volvo stationcar naast de boulesbaan. Ik knikte bedremmeld en dook in m’n glas rosé. “Hm, zou je niet zeggen”, lachte ze met een knipoog. Ik besloot het als een compliment op te vatten. En vroeg me intussen af wat die Nederlanders vanavond zouden doen, als in het vaderland het feestgedruis losbarst, en er maar liefst 14 (!) bevrijdingsfestivals plaatsgrijpen waarvan er zoveel mogelijk door bevrijdingsambassadeurs (ik begrijp dat dat dit jaar De Jeugd van Tegenwoordig en De Staat zijn) per helikopter worden langsgevlogen voor een flitsoptreden. En dat het Metropole Orkest is uitverkoren voor het officiële 5-meiconcert op de Amstel. Dat ken ik. Althans Bas van Otterloo, de muziekregisseur van het orkest, en diens echtgenote Katelijne, een prettige jazz-zangeres. Ook ontmoet op een terras, in m’n vorige dorp, aardige mensen, haar CD Cat’s Tale die ze me toen gaf draai ik nog steeds: zij zingt, Bas speelt er bas bij. Hij is de zoon van de helaas veel te jong overleden componist/dirigent Rogier van Otterloo die van 1980-1987 het Metropole Orkest dirigeerde; inderdaad, die van de muziek van Soldaat van Oranje, die vanavond op dat 5-meiconcert wordt uitgevoerd. En zo is het kringetje rond, bedacht ik. Ga ik beslist op tv bekijken, vanavond. Maar ja, dat concert begint al om half negen, dus amper tijd om fatsoenlijk te koken. Bon, bordje pasta op schoot dan maar. Snel klaar, en daarom ook heel bevrijdend.

Ingrediënten:
250 gram penne (of andere pasta)
1 kuipje verse geitenkaas (chavroux bijv.)
1 blikje gepelde tomaten (200 gram uitlekgewicht)
2 verse tomaten
½ bosje verse basilicum
2 teentjes knoflook
sap van ½ citroen
olijfolie
peper uit de molen

Bereiding:
Pel de knoflooktenen.
Snij de basilicumblaadjes in reepjes.
Snij de verse tomaten in vieren, haal de harde kern en de zaadlijsten eruit en snij het vruchtvlees in blokjes.
Laat de bliktomaten uitlekken in een vergiet (druk ze even lichtjes aan om het overtollige vocht eruit te krijgen) en snij ze in stukjes.
Pers de halve citroen uit.
Kook de pasta beetgaar, laat uitlekken in een vergiet (niet afspoelen), doe terug in de pan en zet die op heel laag vuur. Knijp de knoflookteentjes er boven uit, giet er een flinke scheut olijfolie overheen en meng alles door elkaar.
Roer er de gepelde tomaten doorheen en de verse geitenkaas. Laat alles goed doorwarmen maar pas op dat het niet aanbrandt.
Doe er de verse tomatenblokjes, de basilicum, het citroensap en een paar draaien uit de pepermolen bij, schep nog even om en serveer meteen.
Natúúrlijk hoort daar een mooi glas rosé bij.

Beetje stil

do 4 mei 2017

Beetje contemplatieve bui vandaag. Het is er het weer, en er de dag voor, een treurige, regenachtige 4 mei, dodenherdenking in Nederland. En ik zit met een rotgevoel dat ik heb overgehouden aan het debat gisterenavond tussen ‘madame’ Marine Le Pen van het Front National en ‘monsieur le ministre’ Emmanuel Macron van En Marche!, die allebei president van Frankrijk willen worden. En ik vind ze allebei eng. Mevrouw Le Pen (wier vader het Front National oprichtte en een fervent xenofoob en holocaustontkenner is) heeft er jaren over gedaan om die ultra rechtse partij een beetje acceptabeler en minder extreem te maken. Dat leverde haar tijdens de eerste ronde voor de presidentverkiezingen genoeg stemmen op om voor de tweede ronde – dit weekeinde – in aanmerking te komen. Volgens opiniepeilers zou ze zelfs kunnen winnen. Gisterenavond bleek ze kampioen eigen glazen ingooien. Ze ging als een bulldozer het debat in, liet opponent Macron geen moment uitspreken, had haar dossierkennis niet op orde, loog er aantoonbaar lustig op los, overschreeuwde ook de nogal timide debatleiders en verviel uiteindelijk in smalend schamperen. Een van de speerpunten van madame Le Pen was in de voorronde nog dat Frankrijk uit de Europese Unie moest, maar dat zwakte ze af (slechts 28% van de Fransen is voor) en nu moest er een soort van euro komen voor het bedrijfsleven, en de franc terug voor de gewone man. Onhaalbare onzin. Je zal als Frankrijk maar aan die kenau zijn overgeleverd.
“Frankrijk verdient beter”, zei Macron terecht, maar iets te vaak. Hij bleef cool, calm and collected, stoïcijns glimlachend, een ijzig kalme blik uit zijn staalblauwe ogen en pareerde haar opwinding met dossierkennis, ter zake doende argumenten en het voortdurend terugkerend ‘mon project’: zijn plan voor Frankrijk. Allemaal helemaal redelijk, als de keurige bankier die hij is, met het huishoudboekje netjes op orde. En toch mag ik die man niet.
Heeft met z’n ogen te maken. Daar is iets mee. Brigitte Bardot heeft het ook gezien. “Die man heeft ijskoude ogen”, zei ze in de Nice Matin, “en dierenwelzijn interesseert hem niets. Die man heeft geen enkele empatie! Daar moet je niet op stemmen.” Laat onverlet dat BB met een kopstuk van het Front National getrouwd is, dus haar mening zal gekleurd zijn. Maar toch, die ogen…
In mijn idee gaat de presidentverkiezing aanstaande zondag tussen een brulboei en een koele kikker, tussen een xenofobe Frexiste en een calculerende globalist, tussen dit nooit en dat nog minder. “Of je tussen de pest en de cholera moet kiezen”, vonden jongeren die door de krant ‘La Dépeche’ gevraagd werden naar hun stemgedrag. En intussen geven Fransen die er geen trek meer in hebben en niet gaan stemmen uiting aan hun ongenoegen via de hashtag #SansMoile7mai. Tik maar eens in op Twitter. Baggeren verzekerd.
Maar ja, een van de twee zal het toch worden. Waarschijnlijk Macron, ondanks de plotse beschuldiging uit het Le Pen-kamp dat hij een wegsluisrekening op de Bahama’s zou hebben.
En dan denk ik, waar is het Frankrijk gebleven waarop ik ooit verliefd werd?
En nee, daar heb ik geen antwoord op. Misschien morgen, als de zon weer schijnt. Vandaag blijf ik maar even een beetje stil, de woorden zijn al gevonden: https://www.youtube.com/watch?v=4zLfCnGVeL4

 

Zo rond deze tijd duiken overal de bosjes en potjes muguet weer op. In de winkel, op de markt, maar ook in een zomaar geïmproviseerd kraampje langs de weg, want onder bepaalde voorwaarden mogen ook particulieren muguet verkopen. De traditie wil dat je elkaar op 1 mei, de dag van de arbeid, zo’n bosje geurige teerwitte bloemetjes geeft, om geluk te brengen. Dat lukt helaas niet altijd want het spul is razend giftig. Ik heb er ooit twee doodzieke honden aan overgehouden; ze hadden het vaasje om getikt en op de takjes liggen knauwen. Dus ik waarschuw nog maar weer eens…
Wat er zo giftig is aan muguet? Alles! De bloemen, de bladeren; zelfs het water waarin een tuiltje staat is vergeven van glycosiden (chemische stoffen) die voor de giftigheid zorgen. Dus ik hou het spul liever bij ze uit de buurt. Zou ik trouwens ook doen met kleine kinderen over de vloer. Bloemetje in het mondje, likje aan een blaadje, slokje uit het vaasje…. Niet alleen honden doen rare dingen. En ook peuters wil je niet opzadelen met duizeligheid, braken, misselijkheid, buikloop, of zelfs hartritmestoornissen. In de farmaceutische industrie wordt het plantje trouwens wel verwerkt in hartmedicijnen.
De parfumindustrie laat de plantjes juist weer links liggen, ondanks het geweldige parfum van de bloempjes. Je kunt er namelijk geen etherische oliën uit destilleren. Daarom wordt het parfum met behulp van geurstoffen nagemaakt.
Maar goed, het is nu eenmaal traditie om elkaar op 1 mei muguet te geven. Een gebruik dat stamt uit de tijd van de Germanen. Het was het bloemetje van de zachtmoedige godin Ostara, de zus van dondergod Donar, die er de lente mee aankondigde. Maar sinds de komst van het christendom neemt Maria de honneurs waar. En op 1 mei zijn we allemaal aan de beurt.
Kwekers halen alles uit de kast om de meiklokjes op tijd op de markt te krijgen. Dat lukt vrijwel altijd, maar als het voorjaar te nat, te droog of zoals nu te koud is kunnen de prijzen flink de hoogte inschieten. Een takje muguet (dat minimaal zes klokjes moet bevatten, wettelijk bepaald) kost rond de € 1,50. Voor een bosje/potje van drie stuks betaal je tussen de € 12,50- à € 15. En als je dan bedenkt dat er zo’n 60 miljoen takjes over de toonbank gaan, snap je waarom de Franse economie alle reden heeft om de traditie in ere te houden. Niks mis mee, met zo’n welriekende traditie: ’t geeft een aardig opkontje aan de bloemkwekerij, ’t is een mooi gebaar naar vrienden en beminden. Maar ’t wordt een nog mooier gebaar als je ze ook even waarschuwt. Bonne fête!