Home

Geurverbod

do 18 mei 2017

Vanmorgen in het café al bijna traditiegetrouw gezoend door de kroegbazin, ik begin er min of meer bij te horen. ‘En dat was ‘m weer’, wist ik meteen. Ik bestelde nog wel het gebruikelijke glaasje rosé, maar het was duidelijk dat ik er niet veel meer van mee zou krijgen. Proeven is voor een goed deel ruiken, en dat lukt me niet meer met een neus boordevol overdadig opgespoten Patchouli. Ja, dat hippieluchtje uit de jaren zestig bestaat nog en zij heeft het herontdekt. Ik overwoog even m’n wangen te wassen bij de naast het terras gelegen fontein maar dat doe je niet. Niet als je hier in dit dorp nog wat langer denkt rond te hangen en een exit met pek en veren wilt vermijden. Ik heb discreet een punt van m’n overhemd in de rosé gedompeld en een beetje geboend. Dat hielp, we namen er nog eentje.
Kijk, ik hèb geen neus, ik bèn een neus. En als ik vroeger geweten had dat je daar je beroep van kon maken had ik het gedaan ook, want hier in Grasse (nou ja, stukje verderop) stikt het van de laboratoria waar elke neus welkom is. Er werd en wordt de basis gelegd voor de grote parfums van de wereld. Denk Chanel no. 5, L’Air du Temps van Nina Ricci, J’adore van Dior, Hugo van Hugo Boss, alles van Jean Paul Gaulthier, ik noem maar wat. Voor een beetje ‘nez’ wordt in de parfumindustrie een riante vergoeding neergeteld. En ik voldoe aan alle voorwaarden: ik ruik scherp, ik ruik alles, en elke geur kan ik doorgaans tot in de finesses determineren. Dat is geen pretje, althans niet altijd, en bij samengestelde of overheersende geuren is het een ramp. Maar als het je beroep is werk je in een zoveel mogelijk geurvrije ruimte met kleine ‘luchtjes’ die je voorzichtig en op toerbeurt uit keurig afgesloten flesjes op papierstripjes druppelt. Daar snuf je aan, je voegt er een paar samen, haalt er weer eentje weg, gaat naar buiten om je neus op te frissen terwijl de ventilator je werkvertrek schoon zuigt. En begint opnieuw. Net zolang tot je het ideale nieuwe parfum hebt samengesteld. Misschien niet meteen Chanel no. 6, maar toch, best een leuke baan. En na werktijd trek je de deur achter je dicht en hoef je niks meer te ruiken. Nou ja, niet beroepsmatig dan, zo’n neus valt helaas niet uit te zetten. En in het dagelijks leven is dat best een probleem, soms.
Thuis niet, dat heb je het min of meer zelf in de hand. Door vooral géén chemische luchtjeskillers in huis te halen bijvoorbeeld. Zo’n flesje ‘verfrisser’ in het stopcontact? Dacht het niet: dan ruik ik niet alleen de hondenmanden maar ook de hele chemische samenstelling van dat goedje. Spuitbus op het toilet? No go: raampje open. Ouwe sportschoenen met ingebakken zweetlucht? Spuit ze vol met geurverdrijver, trek ze nog één keer een dagje aan en ik flikker ze meteen de vuilnisbak in.
Buiten in de natuur, ook geen probleem. Het riekt hier nu overheerlijk naar verse brem langs het pad, laurier een stukje verderop, voorjaarsvijgen en kersen (nee, geen bloesem, die is al geweest) bij de weide, zompig mos naast de paddenpoel en zuiver water bij de rivier. Als de echtgenoot er tenminste niet met een sigaar naast loopt te dampen, maar ook dat is een natuurlijke geur; dat kan ik hebben.
Maar ik word ronduit chagrijnig als ik ergens een hapje ga eten en aan het belendende tafeltje neemt iets plaats dat al bij binnenkomst de tent uit meurt (om het even op z’n Rotterdams te zeggen, is ook weer herontdekt sinds Feyenoord), zodat de rest van je maaltijd vergald wordt door een lucht waar je tegen aan kunt leunen en je bij elke hap die hele buurchemie mee naar binnen proeft. Geldt trouwens ook voor al die veel te uitbundig opgespoten aftershaves en deodorants; naarmate je een luchtje langer gebruikt ruik je het minder dus hup, omhoog die dosis, tot je als een walmende geurkaars je omgeving teistert.
Er is in de horeca een rookverbod; wie wil dampen wordt naar buiten verbannen. Een prettige sigaar opsteken na een mooie maaltijd mag niet. Ongezond, overlast. Maar met een hele chemische fabriek op je lijf kom je overal ongestoord binnen. Lijkt me ook overlast. En ongezond, want als die dampen jou al niet bedwelmen, dan doen ze het je omgeving wel.
Ik pleit dus voor een totaal geurverbod voor horeca, openbaar vervoer, openbare ruimten en de vrije natuur. Meuren doe je maar lekker thuis.

De Parfumpapy’s

do 6 november 2014

Clipboard01Vandaag na alle regen weer even voor het apéro naar de kroeg geweest om bij te praten. Geen betere nieuwsvoorziening dan het kluitje bejaarde roddelkonten dat -borreltje voor de neus, en bij dit weer snottebel eraan- alles beter, uitgebreider en actueler weet dan de krant, de tv of het internet. Hoe ze het doen? Geen idee, maar ik hou het op de dorpstamtam die véél verder reikt dan het dorp: bouche à l’oreille. Natuurlijk vervormt er van alles onderweg, maar de essentie van het nieuws blijft doorgaans akelig accuraat overeind. Zij wisten vóór de Nice Matin en France 3 van die dode mevrouw die onder de modder verstikt was in Sainte-Blaise in de Alpes-Maritimes. Van het schip dat was aangespoeld op het privé-strand van het Carlton in Cannes. Van de halve meter sneeuw die er inmiddels ligt in de bergen bij ons in de buurt. Van het hondje van de bakker een dorp verderop dat vannacht een hartaanval kreeg en het dankzij mond-op-mondbeademing door zijn baasje overleefde (inderdaad, een hele warme bakker). Van madame Jeanette die op 87-jarige leeftijd haar 84-jarige amant de deur had gewezen (ze zijn kras, bij ons op het dorp) en van de houthandelaar die mij ‘minstens’ een sterre te weinig had geleverd. Ja, ook dat klopte, al is het inmiddels rechtgezet, maar hoe konden zij dat weten? Kortom, de roddels ratelden door de kroeg. En ik was er nog niet eens gezellig bij komen zitten. Dat laatste vergt namelijk enige zelfoverwinning. Nee, een rondje geven is geen punt. Tegen de ferme meppen op de schouder en de wat ondeugender blijken van genegenheid ben ik wel opgewassen. Maar ik moet ze zoenen. Allemaal. Op twee wangen, want zo is de mores hier. En echt, het gaat niet om die snottebel die hier en daar nog niet in een ruim bemeten zakdoek is beland; daar manoeuvreer ik wel langs. Het gaat om de aftershave, de ‘eau après rasage’, waarmee de rimpelwangen rijkelijk worden besprenkeld als de oudere garde het dorp in trekt. De ‘papy’s’ van het dorp houden van decorum, ze lopen er niet voor schobberdebonk bij en ze willen al helemaal niet ruiken als de eerste de beste ‘artisan’, naar zweet; dat doet teveel aan het eigen verleden denken. Een beetje papy giet minstens een halve fles après rasage langs de kin voor hij de deur uit gaat. En omdat de bejaardentoelage van overheidswege minimaal is, en de geursmaak op ontwikkelingsniveau is blijven steken, gaat het doorgaans om vileine vuiligheid met een ‘parfum’ dat het midden houdt tussen insecticide en gootsteenontstopper. Geeft allemaal niks, behalve dan dat die penetrante rotzooi zelfs na twee van de allervluchtigste zoenen niet meer van mijn kaken te schrobben is. Al hou ik de adem in, ik ruik het toch. En ik ruik het na een uurtje nog steeds. Ik ruik het zelfs nog ver voorbij het avondeten en tot diep in de volgende ochtend, ook al heb ik me bij thuiskomst uitbundig onder de douche afgespoeld en een andere outfit aangetrokken. Er zou nog wel mee te leven zijn, ware het niet dat alles wat ik na zo’n zoenbegroeting van de papy’s drink of eet, er naar smaakt. Zelfs een stevige kom huisgemaakte knoflooksoep (daar gaat een hele bol in) is er niet tegenop gewassen.
Mijn man vond aanvankelijk dat ik me aanstelde. Tot hij op nieuwjaarsdag, 25 jaar geleden of zo, voor het eerst en onverhoeds door eentje van hen werd gezoend. Hij heeft het er nog vaak over.
Wat kan ik doen? Ze botweg negeren is onbespreekbaar, bovendien zou ik dan flink wat sappige nieuwtjes missen. Een stevige verkoudheid voorwenden kan, alleen niet het hele jaar rond. Uit de verte wuiven werkt. Soms. Tot ze me erbij roepen natuurlijk, om de vetste roddels van de dag te delen.
“Had je maar niet moeten vertellen wat je werk is”, herhaalt mijn man met enige graagte.
“Maar ik heb ze nooit wat verteld! Ze wéten het gewoon!”
“Smeer jezelf dan onder de goedkope parfumrotzooi”, luidde het voorstel, “dan houdt het vanzelf op.”
“Briljant! Behalve dan dat ik geen goedkope parfumrotzooi heb.”
“Wat staat er dàn in de badkamer?”
“L’Air du Temps! Van Nina Ricci! Dat vinden ze vast verrukkelijk! Bovendien, als ik me met goedkope rotzooi besproei, heb ik vooral mezélf te pakken!”
Ik had een beter idee, dacht ik: “Ik neem gewoon vooráf een flinke kom van m’n eigen knoflooksoep. Dat zal ze leren.”
“Vergeet je niet iets? Die lui zwemmen in de knoflook, die ruiken niks. Vous êtes en Provence, madame.”
Ik geef het op.

’t Zal wel weer een voorbeeld zijn van mijn afwijkende opvattingen, maar parfum associeer ik voornamelijk met de 17e eeuw van Zonnekoning Lodewijk XIV, toen zelfs de edele medemens over toilet, tandpasta noch deodorant beschikte en dus nogal wat stank te camoufleren had. Of met ‘Das Parfum’ van Patrick Süskind, die de bloei van de 18e eeuwse parfumindustrie in Grasse zo treffend beschrijft door er de levensgeschiedenis van de geurloze moordenaar Jean-Baptiste Grenouille doorheen te weven. Stevige, klassieke parfums dus, in niets te vergelijken met de meeste eigentijdse reukwatertjes die weliswaar heftig, maar doorgaans vooral gemeen goedkoop ruiken. Ze staan met elkaar in verhouding als Bach tot Michael Jackson, zullen we maar zeggen. En met de als muziek bedoelde herrie van de verscheiden ‘King of Pop’ doe je me geen genoegen.
Toch vind ik het leuk dat een Niçois, de 38-jarige Franck Rouas, op 7 maart a.s. in Las Vegas de parfumlijn ‘Tribute to Michael Jackson’ lanceert.
Want Rouas is een ondernemend type. Jaren geleden verkaste hij naar Amerika, leefde er zo’n beetje een illegaal en marginaal bestaan, en verdiende af en toe wat door hier en daar tennisles te geven. Los Angeles, Beverly Hills, Las Vegas, die kant uit. Intussen -het bloed kruipt waar het niet gaan kan- rook hij handel in Franse parfums en samen met de ‘neus’ Joseph Rubino uit genoemde parfumstad Grasse zette hij het firmaatje ‘Julian Rouas Paris’ op, gevestigd te Las Vegas. Ze lanceerden een luchtje voor golfers, verzonnen een after-shave en bedachten het parfum ‘Versailles’ dat een behoorlijke hit werd met maar liefst 300.000 verkochte flesjes. Reden genoeg om een eigen standje te huren op de Las Vegas Trade Fair. We schrijven 2 december van het afgelopen jaar, als twee opgewonden handtekeningenjagertjes Rouas vragen of ze even zijn pen mogen lenen.
“Van wie wil je dan een handtekening?”
“Ben je wel helemaal ‘cool’ man? Daar staat de familie Jackson!”
Cool bleef Rouas zeker, want behalve zijn pen gaf hij ook meteen twee flesjes ‘Versailles’ mee: “voor Janet Jackson”.
Binnen de kortste keren duiken er twee indrukwekkende bodygards op in het standje van Rouas. Met ‘an offer you can’t refuse’: vader Joe Jackson is onder de indruk van het luchtje en wil met hem praten. “Ik voelde me erg kleintjes”, bekent Rouas, maar hij grijpt de kans met beide handen aan. Een paar dagen later tekent pa Jackson namens het Jackson-imperium een contract voor de geurtjeslijn ‘Tribute to Michael’. Samen te stellen door ‘neus’ Rubino, exclusief op basis van planten en bloemen die groeien op het landgoed Neverland van Michael.
Rouas en de familie Jackson delen de winst. Met dien verstande dat een deel van de opbrengst naar de ‘goede doelen’ gaat die de popartiest ooit heeft geselecteerd.
Ik zal, ondanks die goede doelen geen flesje ‘Tribute to Michael’ kopen. Ik vind L’Air du Temps’ van Nina Ricci al eigentijds genoeg.
Het zal Rouas ongetwijfeld worst wezen, zijn buit is binnen. En hij krijgt het nog druk: starlet Lindsay Lohan, net weer uit de bak dus binnenkort weer in ‘rehab’, heeft al aangeklopt voor haar eigen luchtje. Ze wil het -heel toepasselijk- Freedom noemen. Rouas lácht niet ‘all the way to the bank’, hij schatert!