Home

In de jaren dat ik hoofdredacteur van het magazine Côte & Provence was, heb ik meer dan eens enthousiast en uit volle overtuiging geschreven over Zuid-Frankrijk in het algemeen, en over ‘mijn’ dorpje in het bijzonder. Dat is me op lokaal niveau niet altijd in dank afgenomen; vrienden maakten me verwijten over het toenemend aantal ‘noorderlingen’. Ze hebben gelijk; steeds meer Nederlanders en Belgen weten de weg naar mijn (dus niet meer zo) geheime gehucht te vinden, met als consequentie dat nogal veel toeristen de afgelopen zomers nogal nadrukkelijk aanwezig waren, en in toenemende mate de komende zomers nóg nadrukkelijker aanwezig zullen zijn. Dat kan dat piepkleine dorpje, ergens vóór de Middeleeuwen tegen een berghelling opgetrokken, slecht hebben. Al een tiental jaren geleden werd onze mini-gemeente uitverkoren tot de eregalerij van ‘les plus beaux villages de France’; een soort nationale erfgoedlijst van pittoreske plaatsjes. Terecht. We hebben wel bordjes met ‘centre ville’, maar zelfs de met kinderkopjes ingelegde ‘Grand’ Rue’ is te smal voor verkeer. De kerk en de ‘mairie’ helemaal bovenin het dorp, zijn uitsluitend te voet bereikbaar. De enige kroeg was vroeger een ‘relais de poste’, waar de postkoetspaarden buiten hun dorst lesten uit de fontein, en de koetsier zich binnen aan de toog laafde. Een ‘status quo’ die duurde tot de spoorlijn zijn intrede deed; vooruitgang. Maar ook die hield op te bestaan, wegens onrendabel, en de voortschrijdende ontwikkeling van het (snel)wegennet. Toch hield ons dorp het lang vol om dorp te blijven: tien jaar geleden kende iedereen iedereen. Roddels reisden per ‘bouche à l’oreille’, de bakker bakte nog, de slager slachtte zelf, en de wijn kwam van de omliggende châteaux, al is dat een wat wijdse benaming voor de paar hectaren amper in cultuur gebrachte wijngaarden waarvan de opbrengst hooguit tot tafelwijn werd opgevoed. Het café was de huiskamer van ons allemaal, en als er een dode begraven moest worden wáren we er ook allemaal: eerst op de begraafplaats, daarna in het café; je wilt wel in stijl afscheid nemen tenslotte.
En toen ging het mis. In het gouden decennium van de jaren negentig van de vorige eeuw kwam het toerisme op gang. Er was geld. In recordtijd -historisch gezien dan- werd ons dorp in de zomermaanden door buitenlanders bezet. Volgens mijn Franse vrienden ben ik mede schuldig.
Daar zit iets in, denk ik weleens. Als ik mijn mond had gehouden en niet voortdurend had geschreven dat het leven hier best aardig is, waren wellicht niet zoveel Hollanders en Vlamingen dat persoonlijk komen controleren. Steeds vaker struikelen we over die ‘gens du nord’; in de kroeg en bij de supermarkt (de bakker, de slager en de kruidenier zijn inmiddels ter ziele) is Nederlands thans de voertaal. Bijkomend probleem: Nederlandstaligen zijn in ons dorp niet populair. Er valt wel aan hen te verdienen (niet veel), maar ze trekken in overdreven mate de aandacht. Met name de Nederlandse toerist is naar de normen van ons dorp luidruchtig en brutaal, terwijl hun kinderen bovendien niet opgevoed zijn. ‘Moet kunnen’, dat is blijkbaar de opvatting van een Nederlander, die op vakantie is. Bij ons op het dorp denken de Fransen (maar ik inmiddels ook) dat de toerist zijn plaats moet kennen.
Enige bescheidenheid wordt op prijs gesteld en een beetje aanpassing óók. Voor zover ik begrepen heb, vinden Nederlanders in Nederland dat van allochtonen op de een of andere manier ‘inburgering’ verlangd mag worden. Waarom willen Nederlanders op vakantie in Frankrijk dan niet een beetje hun best doen zich neer te leggen bij Franse gedragsregels? Franse kinderen worden onmiddellijk tot de orde geroepen als ze op het terras van het café of in een restaurant hun stem verheffen of op hun stoel gaan zitten draaien. Nederlandse (én Belgische) ouders grijpen zelfs niet in als hun kroost het luidkeels op een janken zet, of schreeuwend rond tafeltjes rent. ‘Moet kunnen’. ‘Merde!’, vloekte mijn vriend Josse afgelopen zondag toen zes van de tien tafels op het terras van ons café door luidruchtige noorderlingen met blèrende kinderen bleken opgeëist. De ouders bestelden koffie met veel melk, het nageslacht knoeide met rietjes in flesjes en besmeurde stoelen met gesmolten ijs. Het was een uur of half twaalf,’ l’heure de l ‘apéro’, dus we bestelden een glaasje pastis. Binnen, omdat er buiten geen tafeltjes meer vrij waren. Alain, Francis, Guy, Henri, Isabelle, Marie-Louise en ik voelden ons vreemdeling in ons eigen dorp. “Nederlanders hè?”, priemde bouwvakker Francis een beschuldigende vinger naar het terras. “Jouw schuld!”.
“Duurt niet lang meer”, riposteerde ik, “het is crisis, straks kan niemand meer een vakantie of tweede huis hier betalen, dan komt er geen hond meer. Maar dan heb jij meteen geen werk meer.” “Oók jouw schuld”, mokte hij, toch even aan het denken gezet: “schrijf dan nog maar een stukkie. Enne, mijn glas is leeg”.

En het was zo’n mooie ochtend. Zo eentje waarbij je de luiken van je slaapkamer openklapt en uitkijkt over het fabelachtig fraaie. beetje nevelige, Massif de L’ Estérel, waar net het eerste rood van een veelbelovende morgenstond boven de heuvels uitklimt. Zo’n stílle ochtend: met wat wankele krekels die voorzichtig de achterpoten langs elkaar schrapen om de toon te zetten voor een zondoorstoofde dag. Met wat vluchtig vogelgefladder en verder niets. Zo’n ochtend dus, waarop je besluit tot een lange wandelig met de honden, langs het steile bospad dat van het dorp in het dal naar ons huis in de heuvels klimt. Een kronkelig pad, waar je normaal geen hond tegenkomt, behalve die van jezelf. Word ik ineens bijna plat gereden door een Ferrari. Een Ferrari! Met twee van die veel te jonge patsertjes erin. Gewoon, op mijn bospad. Terwijl een aftandse Eend nog groot nieuws is voor de spaarzaam verspreide zonderlingen die hier al sinds de eerste dagen van de ossenwagen wonen. De stokoude en tandeloze François bijvoorbeeld, die wat scharrelt in tuinonderhoud en die zelf nog zo’n ossenwagen bereden heeft, voor hij hem inruilde voor zijn eerste en tevens laatste Renaultje uit de vorige eeuw. Of Colette en Fernand, die de in hun moestuintje verbouwde groentes lopend naar beneden brengen om ze bij de enige kruidenier in het dorp in het schap te leggen en pas betaald krijgen als er ook wat verkocht wordt. Rustige mensen dus. Die ook liever niet door een Ferrari de berm in geplet willen worden.
Ik kan prachtig schelden in het Frans. Na ruim twintig jaar hier, kan ik het zelfs vlekkeloos in dialect. Wat overigens nog iets anders is dan Provençaals, maar ik red me wel. Wat dat betreft dan. Je moet me dus niet in het holst van de ochtend bijna doodrijden. Dan staat de schrikreactie garant voor een volautomatisch vloeiende woordenstroom van indrukwekkende ‘gros mots’. Het deed de heren niets: ze grijnsden wat en draaiden het volume van de boordradio op stadionsterkte. Onder luid ‘boem, boem, boem’ verdween het rode racemonster de bocht om. Maar een Ferrari ligt een beetje laag. De echte muziek kwam dan ook toen de bodemplaat een aantal meters verder met een schurend geluid klemvast op de rotsige en hobbelige bodem kwam te zitten. Ik heb me nog nooit zo snel uit de voeten gemaakt; ik was niet van plan om voor hulptroepje dan wel tolk/vertaler voor lokaal dialect te spelen. Van mij mochten ze het hele eind terug naar het dorp te voet afleggen. Het heeft zeker twee dagen geduurd voordat een takelwagen die sportauto kwam weghalen. Hoe het verder gaat, weet ik nog niet. Maar wel dat dit blijkbaar mijn nieuwe buren zijn.
Het gebied waar ik woon is de laatste tijd nogal in trek bij types die er volgens mij -en het hele dorp- niet thuishoren. Vroeger woonde je hier omdat je de rust en het simpele leven op het Zuid-Franse platteland wist te waarderen. Of omdat je er geboren was natuurlijk. Maar sinds de kuststrook voller en voller is geworden, rukt de import op naar het achterland. Met import bedoel ik overigens ook Fransen uit noordelijker streken, want voor een Provençaal houdt zijn terroir op bij Aix-en-Provence. Alles daarboven is ‘buitenland’ en met Parijs heeft men hier al helemaal niks te maken. Niks op ook: Parijzenaars vallen slecht. Ze kopen -net als de buitenlanders- de huizen op, voor veel te veel geld. Dus komt een lokaal gezinnetje niet meer aan de bak. Dus loopt het dorp leeg, want de vakantiehuizen worden maar af en toe bewoond. Dus redt de kleine middenstand het ook niet meer en sluiten de winkeltjes. Voorgoed. Tegen de grote supermarkt een eind buiten het dorp valt niet op te concurreren. De bejaarde uitbaatster van het krantenwinkeltje heeft de boel opgedoekt en slijt haar oude dag deels op het lage stenen muurtje voor de plaatselijke makelaardij omdat ze anders helemaal geen mens meer ziet.
En sinds het postkantoortje een geldautomaat voor de deur kreeg, is ook daar de loop eruit. De bejaarden en uitkeringstrekkers die er hun centjes kwamen halen, de vele dorpelingen zonder eigen vervoer, het lokale lagere schooltje dat er eens in de zoveel tijd met een klasje kleintjes op excursie kwam. Ze kunnen er nog maar een paar uurtjes per dag terecht. En binnenkort waarschijnlijk helemaal niet meer. Ons café -het enige in het hele dorp, want het tweede is tegelijk met het onrendabele hotelletje waartoe het behoorde op de fles gegaan- is op sterven na dood. Al die nieuwe ‘buren’ willen namelijk wel allemaal leuk en pittoresk wonen, maar vertier en verantwoorde boodschappen pakken ze toch liever ‘serieuzer’ aan. Net als ‘security’, want met de moderne en vaak ook nog eens beroemde medemens (de Beckhampjes, Elton John, Fergie, Richard Branson, Richard Virenque, Brad Pitt&Angelina Jolie, Keith Richards en natuurlijk tal van BN-ers) kwamen de alarmsystemen en de bewaking, waarbij gorilla’s niet schromen om hele wegen af te zetten en ons, lokaaltjes, bijvoorbeeld het eeuwenoude recht van overpad te ontzeggen. En zo gaat het dorp langzaam dood. De nieuwe tijd, net wat u zegt. En schelden heeft geen zin. Ik kom niet verder dan één woord: nostalgie.

Wie op het Zuid-Franse platteland woont, gaat zelden naar de kust. En al helemaal niet in het ‘seizoen’, dat zijn pieken kent in het voorjaar, de zomer en het najaar; zo’n beetje alle seizoenen behalve de winter dus. De kust is voor toeristen en bij ons op het dorp oordelen ze zo positief niet over dat ‘soort’. Al die buitenlanders met hun tweede huizen in deze buurt, er zijn er maar weinig die na verloop van tijd min of meer ‘accepté’ zijn. In de enige kroeg die ons dorpje rijk is, word ik dan ook steevast misprijzend en meewarig bekeken als ik uitleg dat ik het gewoon leuk vind om af en toe de rustieke stilte van het achterland te verruilen voor de adembenemende drukte van de zeereep. Een terrasje pikken, mensen kijken, rondneuzen in spannende winkeltjes. En natuurlijk uitgebreid lunchen met veel vers zeefruit; een verademing. Waar ik een groot deel van het jaar woon -zo’n antiek gehucht in de heuvels van het achterland waar de everzwijnen je praktisch gedag zeggen- is vis bijna een vies woord. Een normaal mens eet hier vlees. Bij voorkeur van een zelf neergeknald knorrebeest. Grote lappen, lekker rood. Of malse brokken, dagenlang gaar gesudderd in een melange van wijn en Provençaalse kruiden. De enige visgerechten die hier spontaan op tafel komen zijn ‘anchoïade’ (bremzoute ansjovisprut) voor bij de borrel, en ‘brandade de morue’ (puree van geweekte stokvis met knoflook en aardappel) als hoofdgerecht. Uiteraard heeft elke lokale familie haar eigen geheime receptuur.
Ik ben tegen de jacht (van de winter nog bedreigd door zo’n schietgraag ‘natuurmens’ dat op mijn terrein zijn bloedbad hoopte aan te richten; ha, mooi niet!) en ik heb een zwak voor sangliers (evenzwijnen). Vrijwel elke avond trekt er wel een heel gezinnetje langs mijn huis. Aardige beesten, zolang je hen met rust laat. Jaag ze op -zeker met jonkies-, en je kunt rennen voor je leven. De hond van de buurman kan erover meeblaffen.
Toch begrijp ik ze wel een beetje, die stamgasten van ‘mijn’ café, die blij zijn als er sangliers zijn afgeknald. Het zijn kerels, die zwaar lichamelijk werk doen. In de bouw, in het bos of op het land. Een lichte vismaaltijd, daar hebben ze niet genoeg aan. En het vlees van een vers geschoten sanglier wordt -nog steeds- onderling verdeeld.
Voor een frivole vismaaltijd ga ik dus naar de kust. Daar moet je in het hoogseizoen wel wat voor over hebben. De files zijn dan vaak van Nederlands formaat en als je op de bonnefooi gaat, is de kans niet gering dat het restaurant van je keuze ‘complet’ afficheert. Bij je tweede of derde keus zijn er vaak tig wachtenden voor je. Ruim van tevoren reserveren is dus een ‘must’, zelfs in het voor- of naseizoen. Een beetje spontaan aan je heimelijke genoegens qua eten toegeven, is moeilijk geworden. Tenslotte weten de Fransen zelf óók waar het goed is.

Omstreeks 1990 kocht ik een paar muren en een half dak ter hoogte van zo’n schilderachtig dorpje in de Provence. Daarna veranderde mijn leven. Familie en kennissen meenden ineens dat ik rijk was. Ik had immers een ‘huis’ in Frankrijk. Qua gratis vakanties werd ik plotseling enorm populair. Ik begon zelf ook een beetje raar te doen. Zo klopte ik mijn opgelapte huisje troostend op de hermetisch gesloten luiken als ik vanwege mijn werk naar Nederland terug moest. Ik wilde niet weg. In mijn Rotterdamse stamkroeg sprak ik uitsluitend nog over de charmes van Frankrijk in het algemeen en die van mijn beknopte berghut in het bijzonder. Iemand was dat gezeur zo zat dat hij zei: “Maak er dan een blad over”. Dat heb ik toen gedaan, en dat tijdschrift bestaan nog steeds, al ben ik tegenwoordig ‘creatief adviseur’. Voor geïnteresseerden: http://coteprovence.sponsored-media.nl/ .
Door ervaring wijs geworden, ben ik inmiddels allang bevrijd van de romantische ideeën over Frankrijk, die ik had toen ik mijn huisje kocht. Het is fantastisch in de Zuid-Franse subtropen. Maar anders. Daar moet je mee om leren gaan. Dat geldt voor het kopen van een huis. voor zaken doen, en voor het dagelijks leven. En dan ben je erg geholpen met informatie van iemand ter plekke, vandaar dat magazine. Informatie verpakt in verhalen en foto’s, maar ook met heel concrete dienstverlening. Zodat mensen niet dezelfde fouten zouden maken als ik destijds.
Er verschijnen in Nederland meer goede tijdschriften over Frankrijk. Maar ik vind dat Frankrijk niet bestaat. Dat mag ik niet zeggen van president Sarkozy, die het al moeilijk genoeg heeft. Maar ik denk dat de bevolking van Normandië, de Bourgonge of de stedelingen van Parijs, anders in elkaar steken dan mijn buren. In het zuiden gelden andere normen en waarden. En ik denk dat Nederlands die nadrukkelijk voor het zuiden kiezen, anders zijn dan degenen die naar Bretagne gaan. Of naar Parijs of de Vogezen. Dit blog gaat (meestal) over een klein stukje Frankrijk, de Côte d’Azur en de Provence, maar bij elkaar altijd nog groter dan heel Nederland. Ik ga iedere welwillende lezer er enthousiast over bijpraten. Maar wel als journalist, dus ook over de negatieve aspecten. Het moet wel reëel blijven tenslotte.
Als er een blog als dit had bestaan toen ik destijds in de Provence mijn ruïne kocht, dan was me vast veel narigheid bespaard gebleven. Maar ja, dan had ik ook niet zoveel meegemaakt.
Ik wens iedereen veel (leed)vermaak. En op concrete vragen geef ik graag een zo goed mogelijk antwoord.