Vis is vies, hier eet men vlees

Wie op het Zuid-Franse platteland woont, gaat zelden naar de kust. En al helemaal niet in het ‘seizoen’, dat zijn pieken kent in het voorjaar, de zomer en het najaar; zo’n beetje alle seizoenen behalve de winter dus. De kust is voor toeristen en bij ons op het dorp oordelen ze zo positief niet over dat ‘soort’. Al die buitenlanders met hun tweede huizen in deze buurt, er zijn er maar weinig die na verloop van tijd min of meer ‘accepté’ zijn. In de enige kroeg die ons dorpje rijk is, word ik dan ook steevast misprijzend en meewarig bekeken als ik uitleg dat ik het gewoon leuk vind om af en toe de rustieke stilte van het achterland te verruilen voor de adembenemende drukte van de zeereep. Een terrasje pikken, mensen kijken, rondneuzen in spannende winkeltjes. En natuurlijk uitgebreid lunchen met veel vers zeefruit; een verademing. Waar ik een groot deel van het jaar woon -zo’n antiek gehucht in de heuvels van het achterland waar de everzwijnen je praktisch gedag zeggen- is vis bijna een vies woord. Een normaal mens eet hier vlees. Bij voorkeur van een zelf neergeknald knorrebeest. Grote lappen, lekker rood. Of malse brokken, dagenlang gaar gesudderd in een melange van wijn en Provençaalse kruiden. De enige visgerechten die hier spontaan op tafel komen zijn ‘anchoïade’ (bremzoute ansjovisprut) voor bij de borrel, en ‘brandade de morue’ (puree van geweekte stokvis met knoflook en aardappel) als hoofdgerecht. Uiteraard heeft elke lokale familie haar eigen geheime receptuur.
Ik ben tegen de jacht (van de winter nog bedreigd door zo’n schietgraag ‘natuurmens’ dat op mijn terrein zijn bloedbad hoopte aan te richten; ha, mooi niet!) en ik heb een zwak voor sangliers (evenzwijnen). Vrijwel elke avond trekt er wel een heel gezinnetje langs mijn huis. Aardige beesten, zolang je hen met rust laat. Jaag ze op -zeker met jonkies-, en je kunt rennen voor je leven. De hond van de buurman kan erover meeblaffen.
Toch begrijp ik ze wel een beetje, die stamgasten van ‘mijn’ café, die blij zijn als er sangliers zijn afgeknald. Het zijn kerels, die zwaar lichamelijk werk doen. In de bouw, in het bos of op het land. Een lichte vismaaltijd, daar hebben ze niet genoeg aan. En het vlees van een vers geschoten sanglier wordt -nog steeds- onderling verdeeld.
Voor een frivole vismaaltijd ga ik dus naar de kust. Daar moet je in het hoogseizoen wel wat voor over hebben. De files zijn dan vaak van Nederlands formaat en als je op de bonnefooi gaat, is de kans niet gering dat het restaurant van je keuze ‘complet’ afficheert. Bij je tweede of derde keus zijn er vaak tig wachtenden voor je. Ruim van tevoren reserveren is dus een ‘must’, zelfs in het voor- of naseizoen. Een beetje spontaan aan je heimelijke genoegens qua eten toegeven, is moeilijk geworden. Tenslotte weten de Fransen zelf óók waar het goed is.

Kijk, Zuid-Frankrijk!

Een idee van Renée Vonk-Hagtingius, schrijver, journalist, copywriter, vertaler en hoofdredacteur van www.coteprovence.nl

Eén gedachte over “Vis is vies, hier eet men vlees

Geef een reactie

%d bloggers liken dit: