Home

Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken. Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Dit weekeinde sluiten zo’n beetje alle skistations hier in de Alpes-du-Sud, maar dat betekent niet dat het er echt warmer op wordt. Jawel, we hebben een tijdje lekker weer gehad, maar deze week sloeg de kou ineens weer genadeloos toe en was het afgelopen met de buitenlunch. Nachtvorst, ijzige mistral, dat werk. En als verzuiderlijkte noorderling trok ik meteen m’n schippestrui, dikke duffel en dubbele wintersokken weer uit de kast. Evengoed loop ik te rillen, en heb ik meteen geen trek meer in zonnige zomerslaatjes en lichte hapjesniemendalletjes. Ferme kost moet het zijn, troosteten voor gevorderden. Maar ook weer geen stugge winterstoemp, ik ben al depri genoeg. Een tartifle dus. Klinkt fleurig, smaakt smeuïg en kan het sombere gemoed weer een ‘boost’ geven. Een ovenschotel met aardappel, kaas, en uien waarvan de Savoyars zeggen dat ze ‘m hebben uitgevonden, maar hier de Provence weten we wel beter; het waren de Romeinen, die hebben ook hier flink lang rondgehangen en aardig wat recepten rondgestrooid. In de Savoie noemen ze het een tartiflette (aardappel in het arpitan-dialect dat ze daar spraken), en stoppen ze er de plaatselijke reblochon in. Wij noemen ‘m tartifle (naar tartiflâ, uit het arpitan dat ze hier in de Provence spraken) en maken hem liever met Italiaanse gorgonzola. En niks geen spekjes: kipreepjes. Maar wie liever vegetarisch wil laat ze er gewoon helemaal uit. En champignons, en peterselie, en knoflook. En vanzelfsprekend komt er geen boter aan te pas, maar olijfolie. Als je daar niet warm van wordt …

Ingrediënten:
2 grote kipfilets
250 gram (kastanje)champignons
½ bosje platte peterselie
4 aardappelen
2 uien
2 tenen knoflook
200 gram gorgonzola
1 dl room
1 dl witte wijn
olijfolie
zout en zwarte peper uit de molen

Bereiding:
Schil de aardappels en kook ze halfgaar in ruim water met wat zout. Laat ze afkoelen en snij ze in plakken.
Snij intussen de kipfilet in reepjes.
Snij de champignons in plakjes.
Pel en snipper de ui, pel de knoflooktenen.
Hak de peterselie grof.
Snij de gorgonzola in blokjes.
Verwarm de oven voor op 180°C.
Verhit een scheut olijfolie in een ruime koekenpan en bak de kipreepjes er snel in aan, af en toe omroeren zodat ze aan alle kanten bruin worden.
Doe de ui erbij en bak die nog een paar minuten mee, voeg de champignons toe.
Knijp de knoflooktenen er over uit, roer door, laat alles nog even sudderen en draai het vuur uit.
Vet een ovenvaste schaal in en verdeel de helft van de aardappelschijfjes over de bodem. Bestrooi ze met wat peper en zout.
Verdeel de kip/ui/champignonmassa over de aardappellaag, bestrooi met peterselie en leg de resterende aardappelschijfjes daar weer bovenop.
Verdeel de stukjes gorgonzola over de aardappels, meng de wijn en room in een kommetje door elkaar en giet dat gelijkmatig over alles heen.
Laat de schotel in zo’n 30-35 minuten in het midden van de voorverwarmde oven gaar worden.
Stokbroodje erbij, iets van een salade voor de frissigheid, en een lekker glaasje fruitig rood.

Niet-zo-Vlaamse-gaai

do 20 april 2017

“Nee hè! ’t Is weg! Alles!”, meldde ik aan de echtgenoot terwijl ik verbijsterd uit het keukenraam keek. Dat was de zoveelste keer dat de voedertafel voor de nooddruftige overwintervogeltjes in één nacht compleet was leeggeratst. De halve winter niks aan de hand, beleefde roodborstjes, koolmeesjes en een enkele boomklever die beschaafd in de vetbollen en de pinda’s pikten en als dank een vrolijk riedeltje lieten rollen. Normaal gesproken was één keertje per week de boel bijvullen ruim voldoende.
“Roofvogels”, bromde de echtgenoot vanachter het nieuws, maar het had ook ‘rotvogels’ kunnen zijn. Hij vindt die ‘overvoerde achtertuinvogeltjes’ arrogant volk sinds ze zijn goed bedoelde oudbakken stokbrood hebben laten staan en op de nieuwe vetbollen en pinda’s bleven wachten.
Ik vulde de voorraden maar weer aan en stond een tijdje peinzend door het keukenraam naar het af- en aanvliegen van die voorzichtige vederbolletjes te kijken. En schrok met ze mee toen er ineens met veel gekrijs een gigantische bontgekleurde vogel midden op de tafel landde, een zooitje pinda’s aan gort ramde en er vervolgens met een complete vetbol vandoor ging, plastic netje en al. Even later kwam ie terug, voor de rest van de pinda’s. Of het was er nog eentje, maar in elk geval was de voedseltafel binnen vijf minuten afgeruimd.
“Wat was dat?!” zei de echtgenoot, die bij me was komen staan.
“Een Vlaamse gaai! Geloof ik…” Sinds we een paar jaar in Portugal hebben gewoond durf ik dat niet meer met zoveel stelligheid te beweren; daar zag ik ze werkelijk overàl vliegen. En werd er toen smakelijk om uitgelachen. Achteraf bleek het trouwens te kloppen, er zat een hele kolonie in de buurt van waar we woonden. Maakte niet uit, ik word er nog steeds mee gepest. Humor.
“Maar misschien is het niet zo’n Vlaamse gaai”, zwakte ik af.
“Hm”, zei de echtgenoot, en ging aan het werk.
Vanaf toen kreeg ik met enige regelmaat te horen dat “jouw niet-zo-Vlaamse-gaai” de boel weer eens had leeg gevreten. Ook humor.
Dit weekeinde vertelde ik het tijdens de borrel aan de buuf-met-de-moestuin van een eind verderop. Ze begreep het verkeerd: “Un flamant?” riep ze uit, “wil je me dan meteen roepen als hij er weer is!” Een flamingo in onze achtertuin, dat wilde ze wel eens zien.
Na enige herverbeterde uitleg begreep ze dat het om een ‘geai flamand’ ging, en ebde de belangstelling weg. “Die zitten hier bij bosjes.”
Ik keek triomfantelijk naar de echtgenoot. “Ah, les Flamands” knikte hij met neutrale blik, “die zitten overal. Moet je voor oppassen.” De buuf babbelde al weer verder.
“Wat bedoelde jij nou?”, vroeg ik bij thuiskomst, “met oppassen voor Vlamingen?”
“Ben je vergeten wat ons een tijdje terug bij de snacktent overkwam?”
Aj! Dat was ik inderdaad vergeten. En snelle lunch op het dorp bij het enige behoorlijke eethuisje, dat we liefkozend de snacktent zijn gaan noemen. Druk, alle tafeltjes bezet, maar er werd uitsluitend Frans gesproken dus we waanden ons onderling; we babbelden voor het gemak in het Nederlands. Het ging ook over het naastgelegen tafeltje, waar twee verveelde tieners overduidelijk niet blij waren met het door hun ouders gevierde ‘fijn-samen-op-vakantie-gevoel’. Ze hingen lamlendig in hun stoeltjes en hadden alleen oog voor het schermpje van hun mobieltjes. Ik geloof niet dat ze de maaltijd bewust hebben meegemaakt.
Wij vonden er wat van, opvoeding en zo, en dat was niet vleiend, maar ze verstonden ons toch niet. Dachten we.
Toen ze weggingen zeiden de ouders ten afscheid “Dááháágch”, op dat lijzige Vlaamse toontje. Ze hadden dus àlles verstaan. We bloosden beschaamd een groet terug, maar in het voorbijgaan knipoogde de vader olijk. Hij had het óók gesnapt, maar wat moest ie anders.
Neemt niet weg dat zo’n gedachte taalbarrière je slechts schijnveiligheid biedt. Er hoeft maar één Belg in de buurt te zijn of je kunt maar beter in alle talen zwijgen.
“Inderdaad”, gaf ik de echtgenoot gelijk, “Flamands, altijd oppassen.”
In de tuin stond de voedertafel er leeg en verlaten bij. Flamands, ze zitten ècht overal.

Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken. Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Tja, dat gaat dus niet meer hè, een lamsbout in de oven schuiven voor Pasen. Niet als dat lammetje net nog aan je vingers heeft gelikt in je eigen achtertuin (lees hier) om daarna in totale onwetendheid van het hele Paasgebeuren dartel weg te huppelen naar nog zo’n stelletje wolbalen in wording. Je zou er vegetarisch van worden. In elk geval voor mij geen Paasbout dit weekeinde. En dus ook geen bijbehorend recept. In plaats daarvan wordt het een brioche, ook heel Pasig en heel smakelijk om de dag mee te beginnen. Een soort van zoet broodje met een gekookt ei in het midden, je zou het een alternatief eierdopje kunnen noemen dat je samen met je ochtendeitje opeet. In de oorspronkelijke versie uit Nice – Lou Chaudèu – die stamt uit de Middeleeuwen, worden die eieren gekookt in water met diverse kleur-gevers (spinazie voor groen, bieten voor rood, uien met saffraan voor geel enz.) en gaan ze mee de oven in. Tegenwoordig wordt er voedselverf voor gebruikt. Vind ik helemaal niks. Ik bak liever de broches zònder, en kook de eieren apart (hard of zacht, naar ieders wens) en zonder kleurtje, dat doorgaans niet tot de schaal beperkt blijft maar ook het eiwit mee ‘verft’ en afgeeft op het briochebrood.

Ingrediënten:
600 gram bloem
100 gram suiker
75 gram boter op kamertemperatuur
1 zakje korrelgist
20 cl lauwe melk
3 eetlepels eau de fleur d’oranger (oranjebloesemwater)
2 losgeklopte eieren
1 snufje zout
1 ei, losgeklopt met 1 eetlepel water
6 eieren
ahornsiroop (of andere siroop)
gekleurde hagelslag o.i.d.
olijfolie

Bereiding:
Meng in een ruime kom de bloem, de gist, de lauwe melk, het oranjebloesemwater, de boter, de 2 losgeklopte eieren, de suiker en een snufje zout door elkaar. Kneed het mengsel tot een stevige deegbal die niet meer aan de vingers blijft plakken.
Vet en tweede kom in met wat olijfolie, leg het deeg erin, dek de kom af met een theedoek en laat het een uur rusten.
Kneed het deeg opnieuw en verdeel het in 12 gelijke stukken, rol die uit tot ‘knakworstjes’dikte, en vlecht ze twee aan twee aan elkaar. Plak de uiteinden aan elkaar vast, zodat je een rondje krijgt; zeg maar, een gevlochten doughnut met zo’n gat in het midden.
Vet een bakblik in, of bedek het met bakpapier.
Leg de deegrondjes erop, bedek ze met de theedoek en laat ze nog een uurtje rijzen.
Verhit de oven voor op 180 graden.
Bestrijk de deegrondjes met losgeklopt ei, zet de bakplaat in het midden van de voorverwarmde oven en laat de brioches in 20-25 minuten goudbruin en gaar worden.
Haal ze uit de oven, leg ze op een rooster, bestrijk ze met wat siroop en strooi er wat gekleurde hagelslag, amandelschaafsel, of andere decoratie over en laat ze verder afkoelen.
Kook intussen de eieren op de gewenste gaarte, leg in het midden van elk van de brioches een ei en serveer meteen.

Schaapjes in de tuin

do 13 april 2017

En toen hadden we ze ineens op het droge: schaapjes. Een stuk of driehonderd, zomaar van de andere kant van de rivier overgestoken naar onze achtertuin. We kregen er vijf honden en een herder bij. De laatste was eerst wat schuchter, hij was er niet helemaal zeker van of zijn wollige invasie wel was toegestaan. Maar ik kon hem geruststellen; het verzoek om graasgrond dat ie bij de burgemeester van het dorp had neergelegd had ook ons bereikt, en vanzelfsprekend hadden we ‘ja’ gezegd. Het is nogal een godswonder dat er nog steeds herders met spaarzame kuddes rondtrekken door het Provençaalse platteland dat meer en meer met oprukkende toeristenhordes en villabewoners te maken krijgt; ik ben niet voor niks verhuisd van een ooit primitief gehucht dat steeds sneller veranderde in een tourist trap, naar een nog verder afgelegen vlekje op de kaart dat tot nu toe redelijk gezapig is gebleven.
“Dat het nog kàn!”, was dan ook de eerste reactie toen monsieur le maire vroeg of ons terrein onderaan de rivier eventueel begraasd zou mogen worden, “un debroussaillage bio”, zoals hij het noemde.
“Mais oui, bien sûr! Volontiers!”
En zowaar, eind van de dag klingelden de schapen- en geitenbellen vrolijk de openstaande ramen binnen. En ja, dan moet je natuurlijk even kennismaken. We daalden het pad achter het huis af, tot op gepaste afstand van de grazende wolbalen; ik had in de gauwigheid behalve drie bedrijvig rondrennende zwarte honden, twee forse witte patou’s gezien, een beetje afstand bewaren kon geen kwaad. De kranten meldden geregeld over ondoordacht toeristenvolk dat dacht even zo’n schattig lammetje te aaien en er een fikse knauw aan overhield. Deze patou’s kwamen ons meteen afsnuffelen. En porden tegen de broekzakken van de echtgenoot.
“Je hebt toch niet?!”
“Páár brokjes! Da’s alles.”
De patou’s bleven aan z’n voeten zitten tot de herder ze uit de verte terugfloot.
“Die dieren zijn aan het werk hoor.”
Maar de echtgenoot wandelde al achter ze aan naar beneden en even later zag ik hem kniehoog wegzinken tussen de wolzee, hier en daar een lammetje aaiend en een geit aanhalend; de echtgenoot heeft een zwak voor geiten. In een grijs Hollands verleden had hij er zelf een paar. Later, in onze begintijd in Zuid-Frankrijk, bouwde hij een speciale band op met een bruine geit uit de kudde van een buurboer. Caramelle was een beetje bijzonder, als piepklein geitje door de moeder verstoten en min of meer geadopteerd door de herdershonden, wier gedrag ze al snel overnam. Dus liep ze – ook toen ze al ruimschoots volwassen was – als een puppie achter de herder aan en, zodra ze hem zag, ook achter de echtgenoot. Zo’n effect had hij trouwens ook op de ezeltjes van de buurboer die hij regelmatig wat oud brood ging brengen in het naastgelegen weiland. Die langoren stonden op een avond zelfs ineens in de keuken, door de openstaande deur op weg naar m’n versgebakken brood dat op het aanrecht lag af te koelen. “Ach”, zei de buurboer die we gebeld hadden, “ze kwamen zeker op de geur af.” Zou kunnen, ze gingen pas mee naar huis toe we de buurboer een brood als lokaas hadden meegegeven. Maar of ie het gedeeld heeft …
Intussen viel de avond in onze achtertuin en dreven de patou’s de kudde naar het nachtverblijf aan de overkant van de rivier. Het klingelde nog lang, tot ook de laatste lammetjes uitgeblaat waren en de padden uit onze eigen paddenpoel het avondconcert overnamen.
De volgende morgen viel een beetje vroeg: het ochtendconcert van ons huisgespuis – zo rond en uurtje of zeven – was niet gepland en niet te harden. Voor de tuindeur troffen we de reden aan: het piepjonge hondje van de herder, een minuscuul gratenbaaltje dat de echtgenoot meteen van een fikse bak brokken, een stevige hap versvoer en een ferme kluif voorzag: “Hij heeft honger.”
Dat was duidelijk. Binnen no time was alles schoon op.
“En nu?”, vroeg ik, “die gaat nooit meer weg zo.”
Ik zag aan de blik van de echtgenoot dat hij dat beslist niet erg zou vinden.
“We gaan de herder zoeken”, besloot ik. Ik hoefde niet ver te zoeken, hij zat bovenaan de natuurstenen trap die naar het terrein voerde waar de kudde inmiddels weer vredig graasde. Hij zei geen ‘nee’ tegen een kop koffie, maar bij de tweede vroeg hij wel of die wat minder sterk mocht. Dat was niet voor het eerst trouwens, dat zelfs Fransen m’n café serré te straf vinden. Spierballenkoffie, zullen we maar zeggen.
We raakten aan de praat, ik probeerde voorzichtig of dat magere hondje… Maar nee, dat was een cadeau van een collega geweest. Pas vier maanden, en zo mager omdat ie met alle geweld mee wilde met de rest; in de caravan achterlaten ging niet, hij huilde de hele boel bij elkaar. Hij had Bob (naar Bob Marley, vanwege z’n rastahaardos) gekregen nadat een van z’n honden door een auto met haast was platgereden. “Ze was aan het wérk, goddomme!” Ze waren op weg naar de bergen, tijdens de transhumance, van de Provence Verte naar Saint-Étienne-de-Tinée in de Alpes-Maritimes. Twaalf dagen lopen met zo’n troupeau, deels over departementale wegen waar de automobilist zich koning waant en er geen begrip of ruimte meer is voor een traag langstrekkende schaapskudde. Maar hij moest wel. Vervoer per vrachtwagen was niet te betalen en de beesten moesten toch eten, dus ’s zomers de bergen in. Morgen ging ie weer op pad, maar eind van het seizoen kwam hij graag terug. En of hij de foto’s mocht, die ik gemaakt had. “Tuurlijk. Had hij een emailadres of zoiets?”
“Dat niet, hij had geen computer, maar hij zat wel op Facebook, dat kon via z’n mobieltje. Dus als we vriendjes werden …”
Dat zijn we inmiddels. En de foto’s staan als het goed is, inmiddels op z’n pagina. Kijk zelf maar: https://www.facebook.com/profile.php?id=100008630380404&fref=ts

Ierse heimwee… mwah

do 6 april 2017

Een tijdje terug schreef ik een stukkie over Ierland. Over een ouderwets hotelletje in een dorpje aan de kust waarnaar ik nog steeds een beetje heimwee had (staat hier). Kwam door een mooie whiskey tijdens het koken, dat nostalgische gemijmer. Na de maaltijd banjerde ik met de logeerhond en het eigen viervoetige gespuis in de stromende regen langs onze rivier onderaan het huis. Mooi excuus om er na thuiskomst nog eentje te nemen natuurlijk, de echtgenoot zei ook geen nee. Met het glas in de hand bladerde ik door een vers exemplaar van Le Figaro Magazine dat al sinds het weekeinde lag te lonken en kwam – toeval bestaat niet – een reisreportage over Ierland tegen. De Connemara, het dorpje Clifden en zelfs het hotelletje waar ik gelogeerd had. ‘Ach leuk, het bestaat nog’, dacht ik weemoedig, en sloeg de pagina om. Donegal, was ik ook geweest; beroemd om z’n tweeds, we bezochten de fabriek in Castlebar, het hoedje van toen is nog steeds niet versleten en had ik zojuist te drogen gehangen. Cashel House in het gelijknamige plaatsje, waar generaal De Gaulle en z’n vrouw nog hadden gelogeerd; we hadden er in de prachtige oude glazen serre geluncht. En ja! Ashford Castle, ooit eigendom van de familie Guinness – inderdaad, die van het bier – en een tamelijk aftands kasteel vol vergane glorie toen wij er logeerden. Het water waarmee ik m’n tanden poetste smaakte naar schimmel en vrijwel alles was sleets, maar wel sjiek sleets. Met name de indrukwekkende eetzaal met imposante kroonluchters en tot op het bot geboend parket waar we ter afsluiting hadden gedineerd. Voor dat etentje had ik me voor mijn doen behoorlijk opgedoft. Helaas m’n sjieke schoenen vergeten in dat kleine hotelletje aan de kust. Ik moest die hele zaal naar ons tafeltje achterin oversteken op m’n witte Zweedse klompen; dat maakt pokkenherrie, ook als je probeert te sluipen, als zo’n zaal half leeg is. Ik schoot dan ook meteen in het hoogrood toen ik het tafeltje waaraan de wereldberoemde striptekenaar Marten Toonder, de ‘vader’ van Ollie B. Bommel, met zijn echtgenote zat te eten passeerde en hij verstoord opkeek van z’n bordje. Hij keek naar het rode hoofd boven het elegant bedoelde jurkje, de klompen eronder, en verborg zijn glimlach met twinkelende ogen achter zijn servet. Ik zag een stripfiguur geboren worden, en zo voelde het ook. Toonder was hier vaste gast, hij woonde bij wijze van spreken om de hoek, en wist een beetje afleiding tijdens het stille seizoen blijkbaar wel te waarderen, want toen hij na de maaltijd de zaal uitliep knikte hij vriendelijk ten afscheid. Maar ik heb nog maandenlang zijn OBB-strips in de NRC afgezocht naar merkwaardige figuurtjes op klompen.
Ik sloeg Le Figaro dicht en klapte de laptop open. Toch even kijken hoe het er nu allemaal uitziet. Dat viel vies tegen. Clifden stond ineens vol flatgebouwen rondom dat rustieke hotelletje, Ashford Castle is tegenwoordig een ‘luxury resort & spa’ waar regelmatig royalty logeert en je minimaal 565 euro moet aftikken voor een kamer, waar vast geen schimmelwater meer uit de kraan komt. En de tweedfabriek in Castlebar is in 1981 ter ziele gegaan.
“Those were the days”, mijmerde ik tegen de echtgenoot terwijl ik hem bijschonk.”
“Je had er kunnen wonen”, bromde hij terug terwijl de mistral de regen inmiddels tegen de ruiten ranselde, “maar je vond het klimaat te nat.”
Touché. Als Ierland droger en zonniger was geweest, had ik er inderdaad best willen wonen. Toen. Inmiddels ben ik te zeer verprovençaalst om me nog ergens anders thuis te voelen. “Ik heb hier mijn roots”, wierp ik tamelijk theatraal tegen.
“Ja”, stemde hij in, “met zúlke hoosbuien wil je wel wortelen.”
De honden waren inmiddels dringend aan een laatste loopje toe, dat werd weer een nat pak. En de fles was ook al leeg.
Gelukkig heb ik dat hoedje nog. Onverwoestbaar. En waterdicht. Hier op het dorp kennen ze het inmiddels ook, en snappen ze het als ik met fout weer vanonder een Ierse tweed de Franse regen trotseer, nog nooit een rare opmerking gekregen.
Ik haakte het hoedje van de kapstok en trok het tot op m’n ogen terwijl ik achter de echtgenoot en de honden aan het noodweer instapte. Ik dacht terug aan dat hotelletje in Ierland en ik kon zweren dat ik weer de turf uit die haperende openhaard daar rook. Op de terugweg naar huis rook ik m’n eigen kachel, onvervalst Provençaals eiken, hoe vertrouwd wil je ’t hebben?
We zaten in de serre, keken naar de tomeloze regen en hoorden de mistral wellustig gieren.
“Een glaasje marc de Provence dan maar? Als slaapmutsje”, opperde de echtgenoot.
Ik zei geen nee. Ik was thuis.

Open het dorp-dag

do 30 maart 2017

Altijd leuk, zo’n eerste echte ‘open het dorp-dag’. Ik bedoel, vandaag was het zo’n fantastisch mooie dag dat het dorp besloot uit de winterslaap te kruipen, waardoor niet alleen de kroeg de parasols ineens op het terras had staan, maar zelfs de champêtre in korte mouwenpolo liep te folderen (beetje bijverdienen, van zijn officiële maandvergoeding redt ie het niet), en de tamelijk omvangrijke tabagiste ineens met fluoriserend neonrood namaakhaar over straat ging. En korte broek, en enkellaarsjes maar daar durfde ik echt geen foto van te maken. Bovendien, ik zat net lekker aan een terrastafeltje van het kersvers heropende snacktentje van de half-Amerikaanse, die het ineens over de Thaise boeg bleek te gooien: loempiaatjes, curry, saté, bao, maar gelukkig ook nog de vertrouwde fish & chips uit het vorige seizoen waarop m’n Engelse ex-buren regelmatig als vliegen op de stroop afkwamen. Ik moet ze met spoed bellen.
Met een karafje huiswijn van ‘onze’ cave op loopafstand, zat ik helemaal goed.
Nou ja, bijna. Op weg naar het dorp had ik frivool alle raampjes van de voiture opengedraaid. Net een dikke griep achter de rug dus ff lekker doortochten leek me een goed plan. Geheel verfrist en met verwarde stormcoupe stapte ik op het lokale parkeerterrein uit de auto en begon aan de beklimming naar het dorpsplein, voor mijn gevoel van minstens 50 meter onder NAP naar lichtere luchtlagen, want die parkeerplaats ligt letterlijk onder aan het dorp. En de champêtre zorgt er wel voor dat je niet stiekem op de enige invalidenparkeerplek tegenover het café gaat staan; klimmen dus. Boven aangekomen, vond de echtgenoot het nodig om iets over de ‘stormcoupe’ te zeggen.
“Bon, maak ik meteen een afspraak bij de kapper.” Ik stak het straatje over en keek tegen een geblindeerde gevel aan, met een briefje op de dichte luiken: ‘van 28 maart tot 10 april gesloten wegens conjée annuelle’. Heb ik weer. Heel het dorp heropend, kapper dicht. Niet dat die kapper ergens over gaat, maar een centimetertje of twee recht afknippen van de achterste manen, daar waar ik er zelf niet bij kan, is doorgaans geen probleem.
“Doe ik het wel”, bood de echtgenoot spontaan aan. Hij kan nog geen papiertje doormidden knippen, maar het was lief bedoeld. En ’t werd lentefeest, zo aan dat tafeltje met uitzicht op het château aan de overkant en de eerste Engelstalige toeristen aan het belendende tafeltje. De half-Amerikaanse verontschuldigde zich bij hen, bij ons, voor de voortdurend neerdalende ‘pollen’ uit de hoge, oude platanen die boven het terrasje uittorenden, en veegde ze zinloos weg met een doekje, elke keer dat ze ons tafeltje passeerde.
Ik herinnerde me een vergelijkbare dag uit een ver verleden. Er was Hollands bezoek over de vloer, we gingen naar ons (vorige) dorp voor een drankje en wie weet een hapje; die dingen regelen zichzelf. Net als hier en nu, hingen er knoestige stekelbollen in de platanen, die in dit seizoen zo’n beetje openbarsten en voor prikkelige pluisjes zorgen waar je maar net tegen moet kunnen. Ik ben godlof niet allergisch, maar er viel toch een forse regen in de glazen, op de borden, en in de bloes; dat kan vervelend jeuken op plaatsen waar je in het openbaar niet wilt krabben.
“Tering!” vroeg een van de Rotterdamse gasten destijds, “wat is dat voor zooi?”
“O, dat zijn platagnes”, zei ik nonchalant, “zoiets als kastagnes, maar dan net even anders.” Ik vond het zelf wel aardig gevonden.
Hij vond het maar niks. Hij was toch al wantrouwig geworden toen we die ochtend op ons eigen terras van het ontbijt genoten en zijn echtgenote – zo vroeg nog zonder bril – me had gevraagd wat dat toch voor vogels waren, die daar zo stilletjes in de dennen rondom het huis zaten. “Plakvogels” had ik gemelijk geantwoord terwijl ik voor de zoveelste keer de ontbijtrotzooi zonder hulp achter ieders kont opruimde.
Hij was het gaan controleren en kwam terug met de conclusie: “Dat zijn dennenappels!”
“Nou, zie jij ze vliegen dan? Daar had je geen laddertje voor nodig hè.”, kon ik niet laten in onvervalst Rotterdams te antwoorden. Het is nooit meer goed gekomen. En ik heb ook nooit meer een nieuwe vogelsoort verzonnen; zijn er hier spontaan al genoeg van.
Maar een mooie middag werd het intussen wel vandaag. Prima adresje van niks, waar je de hele herfst en winter voor een gesloten deur staat, maar dat dan ineens weer open bloeit als de eerste zwaluwen laag over scheren en je als vanzelf ‘Le printemps est arrivé’ gaat zitten neuriën terwijl je de echtgenoot nog maar eens in tapt uit de karaf rosé en na tweeënhalf uur aan tafel tevreden afdaalt naar je auto op die parkeerplaats daar beneden en vrolijk bedenkt dat andersom beslist lastiger zou zijn geweest. De echtgenoot haalde de autosleutels tevoorschijn. En overhandigde ze – op verzoek – galant. “Als jij dan maar beter rijdt dan dat je zingt…”
“Of dan dat jij knipt”, mompelde ik geheel in de stemming.
Thuis het antwoordapparaat van de kapper ingesproken. Komt goed, die zomercoupe. En de zomer ook.

Hij zei het echt, al heeft ie het natuurlijk “nooit zo bedoeld” en zijn z’n woorden “verkeerd geïnterpreteerd.” Jeroen Dijsselbloem, de voorzitter van de Eurogroep en demissionair minister van Financiën in Nederland, was zich van geen kwaad bewust toen hij het in een Duitse krant zei: “Ik kan niet al mijn geld aan drank en vrouwen uitgeven en vervolgens om uw hulp vragen.” De bewindsman, door een briljante Britse verslaggever die moeite had met het uitspreken van zijn naam ooit aangeduid als ‘Daisselflower’, bedoelde er niks kwaads mee, zei hij later. Maar ja, bij ons in het zuiden hebben we soms aan een half woord genoeg. Natuurlijk ging het wél over ons in de zon, die een beetje flexibel met staatsschulden en zo omgaan. Schulden? On verra en vooral te zijner tijd.
Het verbaasde me niks dat heel Zuid-Europa verontwaardigd op de uitspraken reageerde. De premier van Portugal ging er met gestrekt been in en karakteriseerde de opmerking van de Nederlander als “racistisch, xenofoob en seksistisch”. De Portugees raadde Jeroen aan met spoed zijn Europese biezen te pakken. Een Italiaanse Europarlementariër noemde het “beschamend en schokkend” wat Dijsselbloem had gezegd.
Tja.
Ik dacht: dit is geen misverstandje, maar weer zo’n voorbeeld van noord tegen zuid, klompendenken versus l’art de vivre; ‘and never the twain shall meet’.
De normen en waarden van Calvijn, dat gaat niet in het overwegend katholieke en dus per definitie wat losbandiger Zuid-Europa. Regels zijn regels? Mwah, regels zijn er bij ons vooral om te kijken hoever je te ver kunt gaan.
Schuld en boete? Nou…, niet als je je er onderuit kunt rommelen.
Ik woon al een tijdje in het zuiden, helemaal tevreden. In het begin moest ik wel wennen aan de soepele omgang met de wet en meer van die dingen die in het noorden ‘netjes’ worden genoemd. Tegenwoordig denk ik ook vaak: “ach…”
Normen en waarden? Welke dan? En van wie? Die van het zuiden zijn volgens mij zo verkeerd nog niet. Het hemd is nader dan de rok, ik denk dat het daarop neerkomt.
Je hebt nu in Frankrijk, nee, eigenlijk voornamelijk in het nogal noordelijk gelegen Parijs, een hoop gedoe over gesjoemel in politieke kring. Fake-baantjes voor de kinderen en voor madame, gratis dure kostuums voor monsieur. “Nou én?”, zeggen ze in mijn dorp. Iedereen weet toch dat alle politici ‘pourri’ (rot, zeg maar corrupt) zijn? Niks bijzonders dat ze zich door vrienden peperdure maatpakken van exclusieve stoffen laten toestoppen.
“Had ik ook maar zulke vrienden!”, grijnsde de kasteleinse toen we het er deze week over hadden. “Politiek, da’s pakken wat je pakken kan, al is het maar een pak.”
Ik zat dat na de lunch met een fles marc de Provence binnen handbereik te overdenken in m’n serre. Naar de rivier en de regen luisterend, terwijl een gore griep zich via ogen en neus een weg naar buiten snotterde. Het was zomaar ineens pokkenweer geworden, alarmfase geel afgekondigd. Volgens de météo kwam die wateroverlast rechtstreeks uit het trieste noorden. Fijn, bedankt, ook een leuk ‘cadeautje’.
Heel even peinsde ik: zullen we die Dijsselbloem – binnenkort toch werkloos – van de zomer eens uitnodigen voor wat ‘couleur locale’ hier in de Provence? En hem dan met z’n allen in het café bijpraten over de charme van een wat minder ‘strak in het pak’ zittend leven onder de zon.
Doe maar niet, dacht ik er meteen achteraan. Die man zou zich doodongelukkig voelen in een omgeving waar niets gaat zoals gepland en zoals het volgens hem ‘hoort’. Nee, zoals Rudyard Kipling het in 1889 al zei in zijn beroemde Ballad of East and West: ‘never the twain shall meet’. Dus dat wordt niks.
Niet zolang de Dijsselbloem-achtige calvinisten blijven roepen dat we er in zuiden maar op los hoeren en snoeren en als de buidel leeg is, de hand komen ophouden bij ‘hun’ Brussel voor een korst brood (of een leuke bankgarantie) omdat we even geen tijd hadden om voor onszelf te zorgen.
De arrogantie van de noordeling die geen verstand heeft van levensvreugde, dat is het. In het zuiden heb je gewoon een opgewekter bestaan. Dat steekt blijkbaar. Jammer dan. En dat geld, dat verdienen we heus zelf wel, maar dan op onze manier. En natuurlijk zeggen we ook geen ‘nee’ als er schadevergoeding wordt aangeboden omdat we weer eens overstroomd zijn door tomeloze hoosregens uit het noorden van de vastgeroeste regeltjes.
Inderdaad, ‘La cigale et la fourmi’ uit de fabel van Jean de la Fontaine uit 1668. Over een muzikale krekel die de hele zomer zijn nijvere mierenbuurvrouw vermaakt tijdens haar werk, maar die van madame la fourmi geen hap te eten krijgt als het wintert en hij omkomt van de honger.
In het noorden werd dat verhaal uitgelegd als ‘wie niet werkt, zal niet eten’. Maar De la Fontaine bedoelde juist heel ironisch dat we meer waardering voor (levens)kunstenaars moeten hebben. Maar ja, hij werd dan ook op een wijnchâteau in de Champagne geboren en vierde vakantie in de Provence.