4 mei: over goed en kwaad in de Elzas

za 30 april 2022

Door Caspar Visser ‘t Hooft

Geen hap kwam door mijn keel. Ik had het vaak genoeg gehoord, dat een confrontatie met lelijke dingen je de eetlust kan benemen. Toch had ik mensen die dat van zichzelf zeiden altijd aanstellers gevonden. Nu kon ik dat niet meer, alleen al de aanblik van het copieuze bord choucroute, voor me op tafel, deed me walgen. Om maar niet te spreken van de geur. Verbeeldde ik me dat de varkenspoot en de paar worsten die op de hersenkleurige zuurkool lagen stukken mens waren? Nee, zover ging het – geloof ik – niet. Maar de gedachte aan de meest afschuwelijke martelingen liet me niet los. We hadden zojuist de Struthof bezocht, de plek waar destijds het beruchte concentratiekamp had gestaan, en waarvan genoeg resten zijn overgebleven – nu openluchtmuseum – om een idee te krijgen van de verschikkingen die mensen er hadden ondergaan.

Kwaad: het roze graniet

In 1940 werd de Elzas door de Duitsers geannexeerd, samen met de strook Vogezen die erbij hoort. De heuvels rondom het dorp Natzweiler staan bekend om het roze graniet die er in de bodem ligt. De Duitsers belsloten deze grondstof te exploiteren, bij het gehucht Struthof legden ze een uitgestrekt werkkamp aan. De dwangarbeiders moesten van zonsopgang tot zonsondergang in de steengroeven slopend werk verrichten.

Kwaad: nog luguberder

Al gauw kreeg het kamp een tweede bestemming, nog luguberder. Op de gevangenen werden medische experimenten uitgevoerd. Mensen kregen allerlei soorten gif ingespoten, en dan maar kijken op welke manier ze doodgaan. Daarnaast ordinair folterwerk, executies – in de Struthof staat nog steeds een galg overeind … In een van een van de overgebleven barakken prijkt een bok. Daarop werd het slachtoffer gelegd, hoofd naar beneden, waarna hij net zolang met stokslagen werd bewerkt als er nog leven in hem zat. Op een van de bordjes met uitleg valt te lezen hoe vlak voor de overgave van het kamp, einde 1944, twee vrouwen, Franse verzetsstrijdsters, een goedje kregen toegediend dat hen urenlang grillige, spastische bewegingen deed maken, tot ze er levenloos bij neervielen. In totaal zijn er in de Struthof, en in de paar kleinere annexen in de directe omgeving, zo’n achttienduizend mensen omgekomen.

Nee, die zuurkoolschotel die we na ons bezoek aan het voormalige concentratiekamp in een restaurant aan de voet van de Donon hadden besteld bleef onaangetast. Zelfs het bier smaakte niet – en voordat dat bij niet smaakt…

Goed: sociale bewogenheid

Het dorp Natzwiller ligt in het dal van de Rothaine, een beek die uitkomst op het riviertje de Bruche. Dit dal bepaalt de noordelijke helft van een kleine landstreek die bekend staat onder de oude feodale benaming ‘Ban de la Roche’. Het zuidelijke deel van deze bannerheerlijkheid wordt door een ander dal gevormd, dat van de Chirgoutte, een stroompje dat zijn helder bergwater eveneens in de Bruche stort. In dit zuidelijke dal ligt het dorpje Waldersbach, dat bekend is vanwege zijn pastorie. In de achttiende eeuw woonde daar de dominee en filantroop Jean-Frédéric Oberlin. Ook deze pastorie is nu een museum. In de tijd van Oberlin was sociale bewogenheid nog een nieuw verschijnsel, hij was er een van de eerste vertegenwoordigers van. In zijn ogen werd de christen tot meer dan enkel liefdadigheid geroepen, het ging er hem ook om de sociale omstandigheden van de armen te verbeteren.

Goed: een college in Amerika naar hem vernoemd

In de ‘Ban de la Roche’, achteraf gelegen, diep in de donkere Vogezen, heerste in zijn tijd een grote sociale misère. Dankzij zijn onvermoeibare inzet kwam de landstreek tot ontwikkeling. Landbouw, ambachten en kleine industrie kwamen tot bloei. Tot ver over de grenzen werd het werk van Oberlin besproken en als voorbeeld gezien van hoe je de samenleving kunt verbeteren. Een van de bekendste colleges in Amerika is naar de Elzassische filantroop vernoemd: ‘Oberlin college’, in de staat Ohio. Het was het eerste Amerikaanse college waar naast jongens ook meisjes werden toegelaten, en naast blanken ook zwarten. Een manier om de traditie van goed werk voort te zetten.

Goed en kwaad: twee musea

Ja, en zo heb je, zomaar ergens in Frankrijk, binnen een straal van nog geen tien kilometers twee musea die een volslagen contrast met elkaar vormen, een museum van het kwaad, een museum van het goede. Musea zijn er om de herinnering levend te houden. Moeten we ons het goede herinneren? Ja, altijd. Moeten we ons het kwaad herinneren? Ik weet het niet. Het kwaad is zo banaal, zo altijd-hetzelfde: het maakt kapot, c’est tout. Nee, wat we ons moeten blijven herinneren, dat zijn de slachtoffers van het kwaad. Dat is niet hetzelfde. Een mens is tienduizend keer meer dan het martelwerktuig waar hij aan bezweek: die mens vergeten we niet – de galg, de bok, de gifspuit en de beul, die van deze werktuigen het verlengde werd, en zo zich van zijn menszijn ontdeed, wat is dat de moeite van het zich herinneren waard? Een volgende keer dat ik choucroute eet zal ik denken aan dominee Oberlin, aan alles waar hij voor stond, aan alle goeds die hij heeft verricht, en meer in het algemeen aan al de goede dingen die er zijn. En alle mensen die in de Struthof zijn doodgemarteld neem ik dan in dit denken met me mee. Ik zeg hen: kijk mensen – alsof ze het zelf niet wisten, weten: dat er zoveel goeds is …

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Of reageer met je Facebook account

Scroll naar top