Home

Een poot door de tralies

november 29, 2012

Ze keken elkaar aan door de tralies van het hok. Mijn man stak een hand uit, Rex een poot. Een baas! Liefde op het eerste gezicht. Het heeft drie jaar mogen duren. Toen was Rex op, gesloopt door kanker, en door een traumatisch verleden van langdurige mishandeling.
Hij had het slecht gehad, heel slecht, voor hij door de pompiers in beslag werd genomen en bij de S.P.A. werd afgeleverd; la Société Protectrice des Animaux. Ik heb vaak wat aan te merken op Fransen, maar deze lui deugen. Je krijgt een dier ook niet zomaar mee, daar moet je een redelijk bedrag voor betalen, waarmee ze zich min of meer kunnen bedruipen, al zijn giften altijd welkom. En waarmee ze honden als Rex, die zelden of nooit meer aan een nieuw baasje komen wegens te oud, of ziek, kunnen onderhouden. Rex zat in de afdeling ‘sauvetage’, zeg maar ‘uitzichtloos’. Zo’n hopeloos geval mag je gratis meenemen. Dat wisten we niet, toen we een dag voor dierendag min of meer per ongeluk op het asiel bij Flayosc stuitten. “Ik ga daar niet naar binnen!” riep mijn man al meteen bij het langsrijden. Ik keerde de auto en reed het parkeerterrein op. Ik wist hoeveel hij onze vorige herder Tobias mistte, die door jagers was afgeslacht. Ik vond dat we het een kans moesten geven. “Eentje een beter leven bezorgen, dan kijk je maar langs die andere hokken heen.”
Natuurlijk gaat dat niet, natuurlijk wil je dat hele dierenasiel mee naar huis slepen, wetend dat ook dat niet gaat.
Bij de ‘acceuil’ was men druk met een weglopertje dat zojuist voor de derde keer door de pompiers was afgeleverd, we dwaalden het terrein over. En kwamen uit bij die sauvetage. En bij Rex. Hij mocht mee, onontkoombaar. We hebben een flinke donatie achtergelaten.
Het was wennen, in het begin. Bij elk hard geluid kromp hij ineen, hij sloop schichtig achter je aan als je een stukje ging wandelen. Hij maakte schuchter kennis met onze twee andere (jonge) honden, en vond het niks. Luidruchtig volk.
Ik ben gewend om met m’n handen te praten, maar als hij in de buurt was ging ik er zowat op zitten omdat hij anders dacht dat hij geslagen zou worden. Mijn man kan soms hartgrondig niezen, en dan kwam hij ongerust aangesneld: baas, nee! Na een maand of drie begon het goed te gaan. Zijn vacht, die recht overeind stond van de stress toen we hem kregen, ging eindelijk liggen: ook op z’n gemak.
Drie jaar, meer zat er niet in. Hij zag nog even kans om tijdens een potje voetbal m’n pols te breken, maar dat was geen opzet. Wel een mooie tackle.
En nu was hij oud, op, ziek, dement. Aan oeverloos lijden doen we niet.
Vanmorgen gingen we naar de dierenarts. En kwamen zonder Rex terug.

Schrijverscollectief

november 28, 2012

En ik had ze nog zó gewaarschuwd. Niet doen! Overwinteren in de Provence lijkt leuk, maar echt, ook hier kan het absoluut kloteweer zijn, somber, nat, en nog koud ook.
Weggehoond! Was ik weleens in de Creuse geweest? Een departement in de Limousin, kennelijk ergens in Midden-Frankrijk, daar waren de winters pas afzien. Neu, ze kwamen overwinteren in Zuid-Frankrijk!
Zo’n 750 km rijden, met vier katten en een hond. Ik vond het nogal moedig. Oké, het huis dat mijn man ze had aanbevolen was een schitterende mas van vrienden waar ik zelf wel zou willen wonen. En het ging ook prima, de eerste weken. De hond Momo, de katten, ze voelden zich er binnen een etmaal thuis, en ik houd mijn hart nu al vast voor als ze over vier maanden weer naar huis moeten. Mijn man ziet er intussen tegenop dat hij straks Momo moet missen, een sportieve tennisballen-freak die ook op het centercourt van Wimbledon nog indruk zou maken. Feest, zodra ze elkaar zien.
Het weer zat de afgelopen weken vreselijk mee: prachtige zonovergoten dagen. We gingen naar favoriete eethuisjes waar je nog gewoon op het terras kon zitten, we teisterden de kroeg, als die open was tenminste, want dat hangt van de luimen van de kroegbazin af. En we praatten bij, oeverloos.
Michel en ik kenden elkaar van Twitter, we hadden elkaar nog nooit ontmoet, maar het klikte. Hij schrijft als Michael Berg succesthrillers, ik ‘deed’ twee kookboekjes en debuteer begin volgend jaar met een autofictieve roman.
“Mijn god, een schrijverscollectief”, riep mijn man meteen toen we elkaar allemaal voor het eerst in real life op het terras van het dorpscafé tegenkwamen. Ter plekke besloten hij en Michel’s echtgenote Anna de ‘Stichting slachtofferhulp voor partners van schrijvers’ op te richten: met ‘al dat geouwehoer’ wilden ze niks te maken hebben. Ze trokken zich terug met een stevige borrel, terwijl Michel en ik onder de eeuwenoude plataan van het dorpspleintje uitgeverservaringen uitwisselden (niet best), verhaallijnen bespraken, ontknopingen bedachten en al bijna aan een gezamenlijke culi-thriller begonnen. La vie est belle en Provence.
Deze week sloeg het weer om.
Regen, somberte, geen licht: dat trek ik niet. Anna ook niet, die kwam hier nou juist voor die zomerse winterzon.
“ Eigen schuld, dikke bult”, vonniste mijn man hardvochtig. Ik kreeg het verwijt dat ik Anna en Michel toch niet voldoende had gewaarschuwd voor de ellende van een Provençaalse winter. En als ik dat wél gedaan had, waren het eigenwijze mensen.
Hij wees er ook nog even op dat we vooral nooit propaganda mogen maken voor overwinteren in ons deel van Frankrijk. Hadden we in de zomer al niet genoeg overlast van die toeristen? En van die bezitters van tweede huis-paleisjes in ons dorp, die in juli en augustus én zo rond de kerst luidruchtig feest komen vieren?
Die ons dorpelingen als achterlijke Bartjes proberen weg te zetten.
Maar een enkel keertje vallen overwinteraars mee, moest mijn man toegeven. Hij is al drie keer met Anna naar de kroeg geweest om nader over ´slachtofferhulp´ te overleggen. Zou er subsidie in zitten?
Michel en ik mailen, soms, hoewel hij hemelsbreed maar drie kilometer verderop huist. Schrijvers onder elkaar, geen tijd voor ´gezellige´onderonsjes in het café. Wij wérken.
Met sommige overwinteraars valt best te leven.

Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland verkrijgbaar zijn, te maken. Zoals al mijn recepten. Meer weten, meer recepten? Klik hier voor mijn kookboeken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Deze week ging het op Twitter over zuurkool, en de recepten vlogen me om de oren. Vrijwel allemaal met reuzel, stukken spek, worsten en andere vleeswaren. Ik vind het allemaal niks. Veel te zwaar, veel te ongenuanceerd.
Jawel, eigenwijs als ik ben doe ik het natuurlijk net even anders. Met vis en schaaldieren. Dat kan met ‘n’importe’ welke vissen en zeevruchten, wat er maar in het seizoen is. En omdat dat je al snel op minstens drie, vier zee-ingrediënten en dus op een meer dan riante porties uitkomt, hak ik de moten zalm en kabeljauw in tweeën (na garing, anders heb je pap) en verdeel ik dat alles met de gamba’s netjes over vier bordjes.

Ingrediënten:
500 gram rauwe zuurkool
2 moten zalm
2 moten kabeljauw
8 grote gamba’s
1 ui
1 friszure appel (zoals Granny Smith)
1winterwortel
2 stengels bleekselderij
8 jeneverbessen
2 laurierblaadjes
1/2 bosje platte peterselie
2 tenen knoflook
1/2 liter witte wijn (of meer, als nodig)
1/2 visbouillontablet
olijfolie
versgemalen peper, eventueel zout

Bereiding:
Schil de appel, hak hem in vieren, haal het klokhuis eruit en snij het vruchtvlees in dobbelsteentjes.
Doe de zuurkool in een vergiet en spoel af, laat uitlekken en knijp het restwater eruit. Doe de zuurkool samen met de helft van de witte wijn, de appelblokjes, de jeneverbessen, en de laurierblaadjes in een pan, breng aan de kook en laat op laag vuur minstens een half uur sudderen. Af en toe omscheppen en eventueel wat wijn toevoegen om aanbranden te voorkomen.
Pel en snipper de ui. Schil de winterwortel, snij hem overlangs in tweeën en snij er ragfijne plakjes van. Haal de uiteinden van de selderij, trek de harde draden eraf en snij de stengels eveneens in ragfijne plakjes. Bewaar het loof voor een volgende keer (misschien een soepje?). Snij de peterselie fijn. Pel de knoflook. Pel de gamba’s, haal kop en staart eraf, snij de rug open en verwijder het zwarte darmkanaal.
Verwarm een scheut olijfolie in een pan, en laat de ui glazig worden. Doe de selderij en de wortel erbij, laat op laag vuur een klein kwartiertje moren met het deksel op de pan, en voeg dan de knoflook toe, laat nog een tweetal minuten sudderen en doe alles bij de zuurkool. Roer goed om, doe het deksel terug op de pan en zet uit het vuur uit.
Los de visbouillontablet op in een andere pan, met de rest van de witte wijn, en breng aan de kook. Gooi de gamba’s erin en laat ze in twee minuten gaar worden; schep ze uit de pan, leg ze apart op een bord en hou ze warm in een lauwwarme oven. Doe de moten zalm en kabeljauw in het kookvocht, doe de peterselie erbij, en laat ze met het deksel op de pan een minuut of vijf, zes pocheren. Niet te lang: de lamellen moeten nog mooi glazig zijn. Vis de moten uit het kookvocht, en doe ze bij de gamba’s die in de oven warm, gehouden worden.
Verwarm de zuurkool nog even door, haal eventueel de jeneverbessen en de laurierblaadjes eruit, schep met een schuimspaan oid vier porties uit de pan op de borden. Verdeel er de gamba’s en de vissen over. Laat ieder voor zich bepalen of er nog peper en zout overheen moet. En geef er eventueel aardappel(puree), gebakken aardappeltjes of een gratin bij. Maar dat hoeft niet: ’t is zo al een hele maaltijd hoor! En dan volstaat een stukje (geroosterd) stokbrood ook. Of niks. Alleen is een prettig glaasje rosé erbij wel erg lekker.


Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland verkrijgbaar zijn, te maken. Zoals al mijn recepten. Meer weten, meer recepten? Klik hier voor mijn kookboeken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Het is vandaag op de kop af twee jaar geleden dat ‘pain d’épices’ door de UNESCO op de werelderfgoedlijst werd geplaatst. Weliswaar op aandringen van Kroatië, maar een kniesoor die daarop let, want het oerrecept kwam tijdens de middeleeuwen uit China naar Europa. Dijon claimde het als eerste in Frankrijk en begon een gilde, Reims liet de receptuur vastleggen in een keurmerk voor z’n eigen bakkers, er zijn musea, feesten, en competities koekhuisje-bouwen-à-la-Hans-en-Grietje. En inmiddels is het geurige kruidenbrood (niet te verwarren met ontbijtkoek) zó in Frankrijk ingeburgerd dat je er zelfs hier in het zuiden niet meer omheen kunt. Onderstaand recept is dan ook maar één van de vele. Met een Provençaals tintje, dat wel.

Ingrediënten :
250 gram vloeibare honing
10 cl melk
100 gram boter
250 gram tarwebloem
1 zakje levure chimique (dubbelkoolzure soda/bakpoeder)
1 zakje vanillesuiker
50 gram bruine (of riet-) suiker
1 ei
snufje zout
½ theelepel kaneel
½ theelepel gember
½ theelepel herbes de provence
snufje kruidnagel
snufje nootmuskaat
100 gram gemengde noten (walnoten/hazelnoten/amandelen, fijngehakt)
eventueel wat geraspte kokos en/of sinaasappelschil

Bereiding:
Verwarm de melk (niet laten koken!) en los de honing er in op. Voeg er de boter aan toe en laat ook die oplossen. Haal van het vuur. Doe er dan de bloem bij en meng alles goed door elkaar. Voeg de gist, de bruine/rietsuiker, het ei en het zout toe. Roer goed door. Doe er de kruiden en noten -naar smaak- bij, maar niet teveel; kruiden en noten moeten voor een accent zorgen en niet overheersen. Voeg eventueel nog wat geraspte kokos en/of sinaasappelschil toe.
Verwarm de oven voor op 180-200 graden. Doe alles in een met bakpapier beklede, of ingevette brood- of cakevorm en laat 30-35 minuten bakken. Controleer of het baksel gaar is door er een vork of prikker in te steken; komt die er schoon uit, dan is het goed. Laat afkoelen en schudt uit de vorm. Snij in plakjes en serveer met bijvoorbeeld slagroom, honing of jam.

Méfiez vous des petites

november 15, 2012

Ze zegt het gedecideerd, maar altijd met onverhuld genoegen: “Méfiez vous des petites (pas op voor de kleintjes)”. Ze bedoelt er nooit een kerel(tje) mee, en ze kan het maar beter niet tegen je zeggen. Mijn vriendin Marie-Line is Spaanse van origine, zeg maar gerust de Spaanse furie van het dorp. Ik heb haar ooit haar echtgenoot -een Bask van formidabele afmetingen- aan een oor naar huis zien voeren, een flinke tippel de steile straatjes naar bovenin het dorp langs, nadat hij iets overspeligs had bedacht met het dienstertje uit het café. Dat was niet verstandig, van die Bask. Hij is er ook nooit meer aan begonnen, aan dat dienstertje. Hij had zijn handen meer dan vol aan zijn kleine Spaanse furie. Toch was het een gelukkig huwelijk. Toen hij een paar jaar terug definitief door kanker werd gesloopt, was ze er. Als onverzettelijk steunpunt. Voor hem, voor haar twee zoons, voor al die droeve en verbijsterde mensen van het dorp, voor de vrienden die als een kluitje ontheemden op de parkeerplaats voor het crematorium stonden waar de rook van de voorgaande klant met veel geraas de schoorsteen werd uitgebraakt. We legden in het krappe aulaatje mimosa en violettes op de kist -verdomd moeilijke te vinden in het vroege voorjaar, maar de Bask hield wel van een geintje en zij had het zo besloten. Daarna zoende ze alle aanwezigen met een onvergetelijke glimlach en een onverzettelijk optimisme; er waren nog steeds die twee puberzoons. Een beetje recalcitrant, een beetje stuurloos, een beetje ‘van de wap’ sinds pa en zijn harde hand er niet meer waren. Die opvoeding was nu haar zorg. En die uitdaging ging ze aan. Dat was niet makkelijk. De ene vond thuiskweek van ‘shit’ wel voldoende, de ander had verkeerde vriendjes.
We zijn een paar jaar verder. Beide zoons zijn voortvarend door die kleine Spaanse in het gareel van pa geduwd en gebleven: méfiez vous des petites, tenslotte.
Ze zetten thans zijn bedrijfje in tuinonderhoud voort.
Ik zie ze dagelijks, want ons terrein was een beetje verwaarloosd geraakt. Ik zie ze woest woud tot aanvaardbare proporties terugbrengen, olijfbomen snoeien, dood hout kappen, bergen tuinafval affikken. En ik zie het gelijk van Marie-Line. Maar ik zie ook wat ze haar jongens nog meer heeft bijgebracht: de liefde voor het vak van hun vader, voor de natuur. Dat ene bijzondere bloemetje in het maaiveld mag blijven staan, die nieuwe scheut aan de rozenstruik wordt gespaard, de laurier niet te ver teruggesnoeid zodat hij volgend jaar weer geurend bloeit. Het zijn bomen van kerels, die jongens, net als hun vader. Maar in de nabijheid van die kleine Spaanse zie je ze verschrompelen tot bonsaï-boompjes. Liefhebbende bonsaï-boompjes, dat wel.
Marie-Line kan tevreden zijn. ‘Méfiez vous des petites’, dan komt het helemaal goed.


Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland verkrijgbaar zijn, te maken. Zoals al mijn recepten. Meer weten, meer recepten? Klik hier voor mijn kookboeken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Ik heb de hele week een winterschilder over de vloer. Een aardig joch, daar niet van, maar hij zet alle deuren wagenwijd open, laat honden ontsnappen, en als ik vraag of dan op z’n minst de buitendeuren en de ramen dicht mogen omdat we zo langzamerhand sterven van de kou, roept hij ontzet: “Non non non! Il faut que ça sèche!” Met een beetje mazzel is dat aan het eind van de middag, waarna de haard op vol vermogen aan gaat, en ik de keuken in duik om vooral iets wárms bij elkaar te koken. Vandaag is dat hachis parmentier. Stevige kost, maar daar zijn we dan ook echt aan toe. En dat glas rood, dat wordt wel een flesje hoor. Morgen begint gelukkig het weekeinde, zonder bibberschilder.

Ingrediënten:
8 grote bloemige aardappels
500 gram rundergehakt
4 tomaten
2 uien
4 tenen knoflook
1 kleine rode paprika
handje zwarte olijven, ontpit
2 eetlepels tomatenpuree
1/2 eetlepel herbes de provence
50 gram geraspte Emmental of gruyère
1/2 kruidenbouillontablet
zout, peper
olijfolie, boter

Bereiding:
Schil de aardappels en kook ze gaar in ruim water waaraan de bouillontablet is toegevoegd.
Pel en snipper intussen de ui. Pel de knoflooktenen.
Snij de tomaten in vieren, haal het harde bovenkantje eraf, en het binnenwerk eruit, snij ze in dobbelsteentjes.
Doe hetzelfde met de paprika. Hak de olijven fijn.
Doe een scheut olijfolie en een klontje boter in een braadpan en laat heet worden.
Gooi de uien erin en laat ze even op hoog vuur, onder goed omscheppen, bakken. Voeg de paprika toe en laat een paar minuten meebakken, blijf omscheppen. Voeg het gehakt toe en laat ook dat op hoog vuur een minuutje of wat meebakken, blijf omscheppen. Doe de tomaten erbij, knijp de knoflooktenen er boven uit, en zet het vuur op de laagste stand. Voeg de herbes de provence, de olijven en de tomatenpuree toe, breng op smaak met peper en zout. Doe het deksel op de pan en laat zo’n tien minuten sudderen.
Giet de gare aardappels af, gooi er een flinke scheut olijfolie bij en stamp er een dikke puree van. Eventueel wat olijfolie toevoegen als de puree te dik blijft.
Verwarm de oven voor op 180 graden.
Vet een ovenschaal in en verdeel de helft van de puree over de bodem. Bedek de puree met het gehaktmengsel, en verdeel daar de rest van de puree over. Bestrooi de bovenkant met de geraspte kaas.
Laat de schotel een klein kwartiertje in de voorverwarmde oven gratineren. Serveer lekker warm, met een mooi glas/flesje!

Smakkend over straat

november 5, 2012

Ik weet ook wel dat statistici desgewenst ´bewijzen´ dat het regent als het droog is. Maar er zijn onderzoeken, zoals recent van het Insée (Frans Bureau voor de Statistiek) die ik soms een beetje wil geloven. Over de lunchcultuur dit keer. En ik schrok.
Kennelijk is het zo dat we bij ons in Frankrijk gemiddeld nog maar 40 minuten voor het déjeuner uittrekken. Twintig jaar geleden praatte je over één uur en 40 minuten.
Ik hecht aan een serieuze maaltijd zo omstreeks het middaguur. Tussen twaalf en drie of daaromtrent. En dan niet alleen op zondag. Toen ik vele jaren geleden tot emigratie besloot, was het vooruitzicht op lange lunches beslist een mede-bepalend gegeven. Het kleffe-kaaskadetje-met-mokje-melk in de bedrijfskantine van mijn toenmalige werkgever hielp ook. Ik gruw nog steeds bij die gedachte. En ik kan niet snel genoeg een glaasje rosé bij mijn salade Niçoise intappen om dat doembeeld weg te spoelen.
Dat lukt steeds minder, nu ook in Frankrijk de dagelijkse lunch meer en meer wordt afgewaardeerd.
Volgens het Insée is de klassieke Franse lunch het slachtoffer van de nieuwe tijd. In de grote steden, waar ik overigens liever niet kom, wordt al 40 procent van de lunches met ´snacks´ afgeraffeld. Nog maar 60 procent van de middagmaaltijden wordt in restaurants genoten. En dan is er de vraag wat je onder restaurants verstaat. Is een McDo een restaurant? Ik vind van niet. In mijn optiek is een McDo een ordinaire snacktent. In Frankrijk kun je er wijn bij je bordkartonnen hamburger krijgen, maar met een serieus restaurant heeft het niks te maken. Twee dorpen verderop hebben we aan de doorgaande weg zo´n filiaal. Altijd een bomvol parkeerterrein; ook hier kiest met name de jeugd eerder voor vulling dan voor voeding. Met de traditionele Provençaalse adresjes in de buurt gaat het dus minder jofel.
En de snackterreur gaat verder.
Wat ik in het oude vaderland altijd vreselijk vond, en wat nu ook het Franse openbare leven begint te teisteren, is dat ge-eet op straat. Ik heb niets tegen een Hema-rookworst, of een kroket, en desnoods zo´n haring. Echt, ik gun iedereen zijn eetplezier, iedereen peuzelt maar wat hij of zij lekker vindt. Maar waarom moet ik dat op elk moment van de dag, gewoon op straat, meebeleven? Waarom een intiem genoegen als eten prijsgeven aan de openbaarheid?
Er zijn mooie termen voor gevonden: ´la cuisine de la rue´, ´restauration nomade´. Of als het bijvoorbeeld om sushi gaat: ´pause déjeuner comme voyage gustatif´. Briljant bedacht. Maar ondertussen blijft ik het ordinair vinden, eten op straat. En onaangenaam. Ik wil liever niet geconfronteerd worden met smakkende kaken, stinkende snacks en volvette bekken als ik een trottoir langsloop, een warenhuis bezoek, of een treinstel binnenstap. Eten doe je thuis, of in een daartoe bedoelde eetgelegenheid. Dat is beter voor de middenstand, dat is beter voor mij, en voor al die anderen die er ook niet van gediend zijn om tegen zo’n ongegeneerd malende broodmolen op te lopen. Kwestie van beschaving, vind ik. Maar da’s vast hopeloos ouderwets. Ga ik nu even een superieure drie-gangen-lunch bij elkaar koken.