Antiek R4tje met Zuid-Frankrijkgevoel

Sinds enige tijd rij ik rond in het ultieme Zuid-Frankrijkgevoel. Door een prettige samenloop van omstandigheden kon ik een Renault 4 uit 1974 overnemen. Zo’n antiek vierkant doosje, waar een normaal mens de snelweg niet meer mee opdurft. Geen airbags, geen abs, geen rem- of stuur- bekrachtiging, geen elektrisch bediende ramen, geen automatische portiervergrendeling, geen alarm. Zelfs de meest elementaire eigentijdse speeltjes ontbreken: dus is er geen audiocircus aan boord, maar een radio met twee golflengtes en een antenne die gemaakt is van een metalen kleerhanger. Geen routeplanner; maar de richtingaanwijzers doen het prima. En ik heb een asbak plus bijbehorende sigarenaansteker. Het comfort is geweldig, de bediening eenvoudig en de snelheid overzichtelijk. Vrienden en kennissen hebben mij dus definitief in de categorie fossielen uit de vorige eeuw bijgezet.
Hiervoor reed ik in een bijna pensioengerechtigde Nissan Patrol met alles erop en eraan, inclusief de inmiddels in Nederland zo goed als verboden ‘koeienvanger’. Maar dat ding zat er nu eenmaal op en hier mag het nog. Ook een prima auto, daar niet van, maar het circa drie kilometer lange en extreem smalle pad naar ons huis is zó bultig en kuilig, dat je regelmatig te voet terug moest om de losgerammelde onderdelen bij elkaar te zoeken. Voeg daarbij een hellingshoek van gemiddeld 12%. Met nat weer voorkwam zelfs de vierwielaandrijving niet dat je soms gevaarlijk dicht langs de afgrond slipte en er op sommige stukken een ‘aanloopje’ genomen moest worden om boven te komen. Daar kon die auto natuurlijk niks aan doen; hij was gewoon te zwaar en onhandelbaar voor dit malle traject. Maar bijgevolg had ‘even boodschappen doen’ veel weg van een ‘expeditie Robinson’ en vergde dat een nauwkeurige militaire voorbereiding. Flessen water mee voor onderweg, bergschoenen standaard in de auto en de mobiele telefoon met voorgeprogrammeerde noodnummers binnen handbereik. Na alweer twee lekke banden binnen een week was het mooi geweest.
Een R4tje is -net als de Eend trouwens- in een grijs verleden speciaal ontworpen voor het platteland. Er moesten minstens vier man in passen, de hoofdruimte moest ruim genoeg zijn om de pet of hoed op te kunnen houden en het geheel moest zodanig geveerd zijn dat een mand met eieren zonder problemen naar de markt vervoerd kon worden. De man van wie ik mijn Renaultje kocht, had het ooit zelfs gepresteerd om er een tweetal schapen in te vervoeren door de achterbank eruit te halen. Zo deinden ze zachtjes blatend naar hun nieuwe eigenaar. Dat deinen is slechts één van de vele aantrekkelijke eigenschap pen van mijn R4. Geen kuil in de weg die nog zeer doet, geen bult die je niet de baas bent: het ding staat ‘hoog op de poten’ en vangt elke oneffenheid dankzij de soepele vering uitstekend op. De binnenruimte is riant en herbergt met gemak bestuurder, bijrijder en twee forse honden. En hoewel het motortje beslist geen krachtpatser is, trekt het de hele handel toch soepeltjes naar boven. Slippen is er niet bij.
Is er dan niets op het vehikel aan te merken? Jawel. Het is een ‘classée classique’, wat zoveel wil zeggen als dat het een oldtimer is. Gaat er wat kapot, dan betaal je de hoofdprijs voor nieuwe (doorgaans tweedehands en lang niet altijd originele) onderdelen. Breng je hem naar de garage voor een onderhoudsbeurt, dan begint de ‘mécanicien’ zich al onder de pet te krabben vóór je geparkeerd hebt: “Ah, une voiture de collection. Normalement il faut un traitement special…” en dan hoor je de rekening oplopen. Ook de verzekering is extreem duur in vergelijking met gewone wagens. Maar ja, ik rij wel een volle week rond op één tankje van twintig liter. En kapot gaat ie eigenlijk nooit. Plus: ik kan zelf het oliepeil nakijken en de bandenspanning controleren. Maar het meest van alles ben ik gecharmeerd van het heerlijk ontspannen Zuid-Frankrijkgevoel dat me omarmt als ik achter het stuur van mijn R4 kruip. Met ‘radio Nostalgie’ zachtjes krakend uit het ene speakertje, is de hectiek van alledag ver weg. Bij elke traag genomen bocht in onze bergetappe, ontvouwen zich schitterende vergezichten waarnaar ik al te lang niet meer gekeken had. En stiekem verwacht ik soms de onvergetelijke Louis de Funès, in zijn creatie van neurotische gendarme, die me ineens driftig gebarend de berm in zou kunnen dirigeren: “Trop vite, madame!”, terwijl je met veertig kilometer per uur voortsukkelt. Wat zo’n antiek blikje al niet teweeg kan brengen.

Kijk, Zuid-Frankrijk!

Een idee van Renée Vonk-Hagtingius, schrijver, journalist, copywriter, vertaler en hoofdredacteur van www.coteprovence.nl

Geef een reactie

%d bloggers liken dit: