Het patiënten-proletariaat

Goed, je doet je Duitse herder nog één keer voor hoe het wel had gemoeten, de finale van het WK voetbal halen, en je belandt meteen met een gebroken pols op de ‘urgence’ van het lokale streekziekenhuis. Een fraaie tackle -nadrukkelijk géén overtreding, moet ik erkennen- zorgde ervoor dat ik met het polsgewricht precies op de venijnig scherpe rand van het terras terecht kwam en meteen voor een ruime vier weken buiten spel sta. Ik tik dit bericht dus met één linkervingertje; de rechterarm hangt in een door mijn uiterst handige buurman Joost gefabriceerde katrolconstructie, flexibel nutteloos te wezen boven mijn bureau. Maar daar ging wel wat aan vooraf. Het akkefietje vond plaats rond een uur of zeven ’s avonds. De echtgenoot was bereid me naar de dorpsarts te vervoeren. Volle wachtkamer, en een bekende die riep: “ga liever meteen naar het ziekenhuis, je wordt toch alleen maar doorverwezen”.
Daar was even niet op gerekend. Al een aperitiefje verder, en dan zomaar de weg op naar het zo’n 30 km verder gelegen hospitaal? Maar ja, ik kan kermen als de beste, en echtgenoot nam manmoedig het risico.
Is het de Wet van Murphy dat het dashboard leerde dat de tank vrijwel leeg was? Met een van pijn kreperende patiënt aan boord is het niet prettig tanken. Je wordt raar aangekeken, het zou me niks verbaasd hebben als toeschouwers 112 gebeld hadden en de echtgenoot de nacht in de cel had kunnen doorbrengen. In plaats daarvan werd het een nachtje ziekenhuis voor mij. Opgenomen? Welnee. Ruim vier uur mogen wachten op de urgence. En dat, nádat de administratieve rompslomp was afgehandeld. Je worstelt met een gebroken pols, maar de bureaucratie schrijft voor dat er eerst even naar het kostenplaatje wordt gekeken: hoe en bij wie bent u verzekerd? Dat een patiënt pijn lijdt, is ondergeschikt aan eventuele pijn in de portemonnee van het ziekenhuis.
Na een kwartiertje formulieren-vreten, mócht ik in de wachtkamer plaatsnemen. Sinds wanneer is wachten een gunst of een voorrecht? De echtgenoot toverde een blikje Fanta uit een automaat, zodat ik mijn eigen pijnstillers die godzijdank in mijn tas zaten, kon wegspoelen. De koffiemachine deed het niet.
Terwijl de echtgenoot even buiten verbleef om een dampertje op te stoken, werd ik naar een volgend wachthok verordonneerd. Hij was net te laat terug op de plaats delict, en ik hoorde hem foeteren tegen het blonde blokhoofd dat hem toebeet dat hij achter ‘mijn’ deur niets te zoeken had: “U bent geen patiënt.” Ruim een uur lang zat ik op een krukje naast een brancard en tussen de beademingsapparatuur, tot het me te gek werd en ik de gang opliep -polsje in de knakhouding- om ergens iemand te vinden die me van die @#$%~*&+?! pijn kon verlossen. Ik vond alleen een psychiatrische nooddruftige die ook al uren aan haar lot was overgelaten. Het werd nog heel gezellig; we wisselden zelfmoordtips uit. Tot ze door de blonde Feldwebel en assistenten in een dwangbuis werd afgevoerd. Ze was niet eens agressief! “Waar brengen jullie haar naartoe?” “Pierrefeu”, was het kortaffe antwoord; het lokale gekkenhuis.
Bon. Na een uurtje of twee mocht ik naar de ‘radio’ om een röntgenfoto te laten maken, daarna weer een half uurtje ‘in de wacht’, want de gipskamer was bezet door een aan zijn brancard gekluisterde dronkaard, die zijn gebroken neus voor lief nam en zich niet aan de regeltjes van het ‘we spelen doktertje’ wilde houden. Afgevoerd met onbekende bestemming, maar het zal wel een politiecel geworden zijn.
Met een pols tot achter de elleboog in het gips en een draagband om mijn nek, mocht ik uiteindelijk op eigen kracht op zoek naar de uitgang van het labyrint dat de urgence is. Echtgenoot had mij reeds als vermist opgegeven. Mobiele telefoons mogen niet alleen niet aan in dit Fellini-gesticht, ze zijn er ook nog eens ernstig gestoord, dus werken niet.
“Je leeft nog”, constateerde hij briljant. “Ja, maar morgen moet ik terug”, zei ik moedeloos. “Een chirurg moet er naar kijken en zo iemand was er vanavond niet”.
“Hoe laat?”
“Kwart over elf.”
We waren er stipt om kwart over elf. We moesten dezelfde papieren als de avond daarvoor invullen, ik werd opnieuw afgevoerd naar een ‘geheime’ wachtkamer. En kreeg om half drie nieuw gips. Dat zit te strak. Buurman Joost heeft al aangeboden met behulp van zijn motorzaag voor verlossing te zorgen. Ik wacht het nog even af. Maar ik zeg zeker geen ‘nee’ als een vervolgafspraak weer op oeverloos wachten uitdraait; Joost en zijn cirkelzaag gaan voor de zekerheid mee.

Kijk, Zuid-Frankrijk!

Een idee van Renée Vonk-Hagtingius, schrijver, journalist, copywriter, vertaler en hoofdredacteur van www.coteprovence.nl

Geef een reactie

%d bloggers liken dit: