Home

Een stok achter de deur

april 30, 2015

Clipboard01
Las gisteren in de krant van wakker Nederland dat veel mensen bij wie is ingebroken, zich sindsdien bewapenen. Pistool of mes onder het kussen, knuppel naast het bed, dat werk. Ik snap de reflex, maar ik vind het helemaal niks. Elk wapen dat je in huis hebt, kan zich tegen je keren als je niet sneller dan je belager bent of niet professioneel genoeg om adequaat te reageren.
Ooit, lang geleden en kersvers en onbevangen woonachtig in m’n allereerste huisje hier in de Var, bleek ’s nachts het schuurtje waarin de hoogstpersoonlijk uit Nederland gereden Lelijke Eend stond, te zijn opengebroken terwijl we een paar tuinpadmeters verderop lagen te slapen. Niks gemerkt, het was dan ook een schuurtje van niks met een wrakkig deurtje met meer hang- dan sluitwerk. Maar woest was ik wel, toen de volgende ochtend de vandaaldaad aan het licht kwam. Oké, dat je een wankel deurtje open wrikt om te kijken wat erachter zit, allà. Al vond en vind ik dat je met je tentakels van andermans spullen moet afblijven. Dat je een aftandse autoradio uit een bejaarde Eend rukt en daarmee flink wat schade aanricht, vind ik al een stuk minder verteerbaar. Het ding zat met twee (2!) minuscule snoerstekkertjes en een lullig beugeltje vast; die had je zó kunnen loskoppelen. Dat je -om bij je buit te komen- ook nog eens het hele dak van die 2CV aan flarden snijdt terwijl alle portierdeurtjes van het slot waren, vind ik ronduit ónverteerbaar. Ik wilde wraak! Ik ging aangifte doen. De gendarme van dienst luisterde beleefd, noteerde beleefd en wenste me beleefd ‘nog een mooie dag’.
In het dorpscafé waren ze minder beleefd. “Die hebben jullie in het snotje”, zei de kroegbaas, “verse import, buitenlands onbenul, die komen nog wel een keertje langs voor het betere werk. Je moet je bewapenen.” Hier en daar werd instemmend gemompeld.
“Jachtgeweer! Groot kaliber!”, vond de oude Serge, een immer in oorlogstenue gehuld knoestig type met loensende oogjes die hij bij voorkeur verborg onder de klep van het vettige vaalgroene reclamepetje dat hij ooit bij een doos hagelpatronen van de lokale chasse-et-pêche had gekregen.
“Vlindermes! Mét bloedgleuf!”, suggereerde Miguel, de stukadoor van Portugese afkomst maar in het café bekend als het Spaanse Haantje. Vanwege zijn temperament, en omdat het Iberisch schiereiland voor de dorpelingen hier nu eenmaal vooral uit Spanje bestaat. Miguel kan daar -nog steeds- flink link van worden. Ik verdenk hem er trouwens sterk van zelf zo’n vlindermes ergens in z’n kekke cowboylaarsjes verstopt te hebben.
Er volgden meer suggesties, zonder uitzondering met moord en doodslag tot gevolg. En zo heftig waren mijn wraakgevoelens nou ook weer niet. Ik bedankte beleefd, gaf een rondje en ging op huis aan. Daar drentelden de echtegenoot en een verse vriend (we hadden hem een week eerder leren kennen toen hij de tv-schotel kwam ophangen, het had meteen geklikt) rond de gehavende Eend.
“Ik bestel wel een nieuw dak bij de Mehariclub in Cassis, die doen ook in Eenden”, bood hij behulpzaam aan, “zet ik het er zelf wel op (hij is nogal handig), anders is het helemaal niet meer te betalen.”
“Hoezo?”, vroeg ik argeloos.
“Een Eend is sinds kort een ‘voiture de collection, classée classique’. Een oldtimer zeg maar. Onderdelen zijn peperduur.”
Dat bleek te kloppen. Maar in elk geval hoefde ‘la Deuche’ niet langer toploos de weg op. We parkeerden haar voortaan achter het huis, onder het slaapkamerraam. De door de verse vriend meegebrachte knuppel, eigenlijk een polsdik, handzaam op maat gezaagd stuk hoogspanningskabel met de zwiepende eigenschappen van een politiewapenstok, zette ik achter de voordeur. Voor het geval dat.
“Wil je graag een klap voor je kop?” vroeg de verse vriend bij een volgend borrelbezoek.
“Hoezo?” vroeg ik achterdochtig.
“Als je dat ding daar laat staan, is die inbreker er eerder bij dan jij. Schuif ‘m onder je bed.”
Sindsdien gaan we ongewapend door het leven. Zoek het maar uit. En neem het maar mee, desnoods. Het zijn maar spullen, geen slachtoffers waard.
Er is vele jaren later inderdaad nog een keertje ingebroken (klik hier) en ook toen was ik woest. En opgelucht. Ik moet er niet aan denken dat ik thuis was geweest en een jachtgeweer of een vlindermes had gehad. Of een knuppel.
Die dingen moeten niet in verkeerde handen vallen. De mijne bijvoorbeeld.
Nu, kan ik alleen maar naar de fles grijpen. Aj….

87043477_p
Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

En jawel hoor, daar was ze weer. Ditmaal had Madame Mahmoud, mijn Tunesische vriendin die me hier in huis helpt, een forse fles ‘eau de fleur d’oranger’ meegenomen; helemaal zelf en uiterst clandestien gedestilleerd.
“Vous êtes trop pâle, il vous manque le sommeil et l’appétit, il faut vous soigner!” Madame Mahmoud -Yamina voor mij en andere intimi- duldt in zulke gevallen geen tegenspraak. Als zij vindt dat ik bleek zie, te weinig eet en slecht slaap, dan is dat zo. Ook als in zojuist in de zon heb gezeten, uitgebreid heb geluncht en me geen doorwaakte nacht kan herinneren. Tegenwerpen doe ik allang niet meer, ik zou wel gek zijn. Want als Madame Mahmoud je tot verzorgingsproject heeft verklaard, mag je je handjes dichtknijpen. En niet alleen culinair. Al ligt daar wel, zeer tot wederzijds genoegen, het zwaartepunt. Haar ‘Aïd al-Fitr’ is ook mijn suikerfeest, dat bol staat van de baklava, macroutte, zlabia en andere heerlijkheden die ze voor mee meebrengt. En nu dus zo’n riante fles oranjebloesemwater.
Wat ging ik daarmee doen? Als het aan Madame Mahmoud lag een drupje of wat op het hoofdkussen om lekker te slapen, enkele veegjes langs de slapen voor innerlijke rust, een scheutje in het bad als huidverzorging en in de keuken…. Dat liet ze aan mij over, al wilde ze er wel bij gezegd hebben dat het niet alleen heel lekker, maar ook uitstekend voor de ingewanden was.
Dus nog voor ze naar huis ging heb ik er een crème mee gemaakt. Zodat ze nog snel even kon proeven.
“Mhmm”, vonniste ze, “déjà pas mal.” Wat zoveel betekent als ‘daar wil ik het recept wel van’. Dat staat hieronder. Voor haar heb ik het even in het Frans vertaald.

Ingrediënten:
50 cl melk
30 gram suiker
30 gram maïzena
2 eetlepels eau de fleur d’oranger (oranjebloesemwater)
1/2 citroen
2 eetlepels vloeibare honing
2 eetlepels fijngehakte ongezouten pistachenootjes

Bereiding:
Meng de maïzena met een scheutje melk in een kopje los tot alle maïzena is opgelost. Roer er eventueel een extra scheutje melk bij.
Giet het papje samen met de rest van de melk in een pan, doe er de suiker bij en laat op laag vuur onder voortdurend roeren (met een vork gaat het beste) indikken. Duurt zo’n 10 minuten.
Draai het vuur uit en voeg de fleur de oranger toe. Roer nog even goed door elkaar en verdeel over 4 glazen, coupes of schaaltjes.
Laat zo’n 2 uur opstijven in de koelkast.
Boen intussen de citroen schoon, rasp er ongeveer een eetlepel schil af (zonder wit), snij de citroen doormidden en pers een helft uit. Meng er in een kommetje de honing doorheen.
Hak de pistachenootjes grof.
Haal de crèmeglazen/schaaltjes vlak voor het serveren uit de koeling, verdeel er het honing/citroenmengsel overheen en bestrooi alles met de pistache.

mosselen
Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Op de menukaarten van de restaurants bij mij in de buurt staan onwrikbaar drie mosselbereidingen. In het ene dorp is dat moules frites, in het andere moules marinières, en met je een beetje geluk kun je ook nog ergens moules farcies scoren. Dat is al sinds mensenheugenis zo en dat zal tot in de eeuwigheid zo blijven. De tweekleppers staan bovendien het hele jaar rond op de kaart. Dat kan: het mosselseizoen loopt van ergens juni/juli tot en met april. En niet -zoals mij vroeger is bijgebracht- alleen als de ‘r’ in de maand is. En in de schaarse periode komen ze gewoon uit Spanje, dus aanvoer is er altijd. Niks mis met die Spaanse import trouwens, dikke, malse joekels zijn het. Maar de mooiste mosselen die ik ken zijn toch de ‘moules de bouchot’ uit de Baie du Mont Saint-Michel. Die hebben zelfs een eigen AOP (apellation d’origine protégée) en dat proef je. Nou ja, je merkt dat het topkwaliteit is. Die verdienen dan ook een betere behandeling dan het standaardrepertoire dat de dorpen hier bieden. Bijvoorbeeld de bereiding die onlangs in de kroeg de ronde deed aan het tafeltje van de ‘papies’ die hun kaartspelletje ‘belote’ graag larderen met het uitwisselen van culinaire ervaringen. Niet dat ze kunnen koken, maar over eten ouwehoeren kunnen ze als de beste. Net als opscheppen over welke ‘mamie’ het lekkerst kookt: de hunne natuurlijk. Dit keer ging het over mosselen. Ik heb maar zo’n beetje gevist naar wat er dan zoal op hun bordje was verschenen. Dat werd niet helemaal duidelijk, maar wel wat er ongeveer in en bij moest. Daar heb ik een receptje van gebrouwen. Hieronder het resultaat.

Ingrediënten:
1 kilo mosselen
400 gram spaghetti
400 gram broccoli
4 tenen knoflook
1 ui
2 takjes verse rozemarijn of tijm (of een theelepel gedroogd)
1 glas witte wijn
½ groentenbouillontablet
Peper uit de molen

Bereiding:
Snij de broccoli in kleine roosjes en kook die in ruim water beetgaar. Giet af en zet apart.
Was de mosselen, verwijder de harige uitsteeksels, en gooi alle exemplaren die kapot zijn of open staan, meteen weg. Doe de overige mosselen in een vergiet en laat ze uitlekken.
Pel en snipper de ui, pel de knoflooktenen.
Verhit een scheut olijfolie in een ruime pan en fruit de ui erin aan. Doe er de wijn en de rozemarijn (of tijm) bij, plus de halve bouillontablet, pers de knoflooktenen er boven uit. Breng aan de kook en doe de mosselen erbij. Laat die zo’n 10 minuten met het deksel op de pan doorkoken zodat de schelpen open gaan en de mosselen gaar worden. Draai het vuur uit.
Schep de mosselen met een schuimspaan uit het kookvocht, laat ze afkoelen en haal ze uit de schelp. Hou ze apart.
Kook de spaghetti beetgaar in ruim water met een scheut olijfolie. Laat uitlekken in een vergiet (niet met koud water afspoelen!).
Gooi de mosselen en de broccoli terug in het kookvocht en laat alles goed warm worden. Maal er een paar draaien peper uit de molen bij. Doe de spaghetti erbij en hussel alles door elkaar. Als ook de spaghetti goed is doorgewarmd, de boel er met de schuimspaan (gebruik een vork als hulpsteuntje) uitscheppen en over de borden verdelen. Meteen serveren.
Geef er een glas frisse witte, of een fruitige rosé bij.

Een eigentijdse mensch

april 16, 2015

prise_en_charge_facturation_fuite_eau_canalisation1
Hij heette Guillaume, maar daar kwam ik later pas achter. Bij de eerste kennismaking kon ik niets anders verstaan dan ‘Glhmèu’ wegens een bijzonder eigengereid Provençaals accent, dat ook de rest van de spaarzame conversatie goeddeels smoorde. Maar hij kwam als geroepen.
Gisterenavond stond er in het gangetje tussen woon- en slaapgedeelte ineens een klein plasje op de tegelvloer. Foutje van een van de honden, dacht ik argeloos en dweilde het op. Bij een volgende passage was het terug, en de honden waren gegarandeerd de woonkamer niet uitgeweest. En vanochtend vroeg kletste ik nietsvermoedend door een plas die het halve gangetje besloeg. Lekkage. Maar wat? Waar? Het dak was heel, in de badkamer en in de keuken was alles droog en ook de rest van het huis had nergens last van. Zo’n plas welt bovendien niet ineens uit de grond op, er moést dus ergens iets minder voor de handliggends lekken. Terwijl ik al peinzend de boel stond op te soppen zag ik een minuscuul straaltje water onder de deur van de kapstokkast uitsijpelen. Ik trok de deur open en zag nog een plas. De jassen erboven kurkdroog. Ik haalde de zaklamp en scheen het donkere hol in. Plafond: droog. Zijwanden: droog. Vloer: steeds groter wordende plas. Ik keek nog eens en zag dat er zich linksonder langzaam een onaangename natte plek over het spaanplaten zijwandje uitbreidde. Kwam dat door die plas? Of kwam die plas door die natte plek? En waar kwam die dan wel vandaan? De boiler! Die stond aan de andere kant van het schot, dat moest de boosdoener zijn! Met een grimmige ruk trok ik de toegangsdeur van het boilerhok open. Kurkdroog! Hier waren mysterieuze krachten aan het werk die dringend bezworen moesten worden. Ik belde de loodgieter op het dorp: dépannage moet je dicht bij huis zoeken. Zijn vrouw liet weten dat Jean niet beschikbaar was wegens buikgriep in een vergevorderd stadium en hing tamelijk schielijk op na een getergde brul op de achtergrond. Toch ging even later de telefoon. Jean. Désolé dat ie niet zelf kon komen maar hij had een collega gebeld uit een naburig dorp en die kwam meteen. Zo snel werd ook de verbinding weer verbroken, ik vermoed vanwege onuitstelbaar toiletbezoek.
Er ging een uurtje voorbij, en nog een. Mijn gedweil kon de plas al geruime tijd niet meer bijhouden. In een laatste wanhoopspoging belde ik Jean opnieuw. Er werd niet meer opgenomen. Ik was net achter de computer geschoven om dan maar een verderweg wonende loodgieter te Googelen toen de klopper met een staccato roffel op de voordeur rammelde.
“Glhmèu”, mompelde het hoogbejaarde mannetje dat me vanonder een petje van de lokale bouwmarkt aanglunderde en me een knokig handje toestak.
“Bienvenu!” Ik trok hem schielijk het huis binnen voor hij zich zou kunnen bedenken; loodgieters zijn ook hier een schaars gezaaid edelgewas. En voerde hem mee naar het inmiddels geheel blank staande gangetje.
“Ah bèn”, zei hij terwijl hij zich peinzend over de grauwe stoppelkin wreef, “une fuite”. Ja, daar was ik zelf ook al achter, maar ik hield wijselijk mijn mond.
Glhmèu trommelde met zijn wijsvinger tegen de zijkant van zijn neus en verroerde verder geen vin. Na zeker vijf minuten zo voor de geopende garderobekast gestaan te hebben, schoot hij ineens naar voren en trok met afgemeten rukjes het doorweekte spaanplaat weg. “Voilà”, knorde hij triomfantelijk, “votre fuite”. In het gat glom een tweetal koperen waterleidingen dat bij de koppelingen inmiddels een fonteintje van water rondsproeiden. De leidingen van de boiler, die weggestopt hadden gezeten achter dat dubbele wandje. Glhmèu rommelde wat, draaide wat aan, en het lekken hield op.
“Bèn”, zei hij zakelijk, “dat is dan 66000 francs.”
“Pardon?” schrok ik.
“Ah, nee, ik bedoel 660 francs”, ik reken soms nog in oude francs. Dat zit er nog steeds in, hein”, glimlachte hij verontschuldigend.
“Mag het ook in euro’s?” vroeg ik voorzichtig, “ook die nieuwe francs zijn al een tijdje uitgeteld.”
Even zag ik hem hoofdrekenend de vertaalslag maken naar de 21e eeuw: “Doe maar 40 euro”, zei hij gul. Het leek me een koopje. Maar toen ik het later omrekende bleek het precies te kloppen.
Bij het afscheid stak hij me een eigentijds visitekaartje toe, met daarop zijn naam (Guillaume dus) en zijn emailadres.
Blijkbaar verhulde ik mijn verbazing slecht.
“Je moet wel met je tijd meegaan, hein”, zei hij terwijl hij zijn bouwmarktpetje weer op zijn donzige haardos schroefde. “À la prochaine.”
Ik heb de gang droog gedweild, en iets vroeger een glaasje ingeschonken.

Clipboard01 tarte
Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Al twee dagen zon. Het moet niet gekker worden in de Zuid-Franse subtropen! Het was een zware, natte winter en ook de lente begon nou niet bepaald vrolijk, terwijl Pasen totaal verregende. Dan word je extra chagrijnig als Hollandse journaals en kranten voortdurend melden dat het fraai, prachtig en zelfs schitterend zomerweer wordt daar in het hoge noorden.
Maar het komt goed, we halen het in. Is het niet in de tuin, dan is het wel op het bord. Want toen ik vanmiddag een punt kersverse citroentaart op de keukentafel deponeerde scheen daar zomaar ineens de zon doorheen. Werd het toch nog smullen in de tuin. Vanzelfsprekend met een zonnig glaasje limoncello erbij.

Ingrediënten:

1 rol sablée (zandtaartdeeg, uit het koelvak)

Voor de citroencrème:
2 citroenen
4 eieren
120 gram suiker
70 gram boter

Voor de meringue:
2 eiwitten
100 gram suiker

Bereiding:
Verwarm de oven voor op 210 graden.
Was de citroenen en rasp de gele schil eraf met een fijne rasp, zorg dat er geen wit meekomt. Snij de overgebleven citroen doormidden en pers de helften uit.
Rol de lap deeg uit en bekleed er een ruime bakvorm mee (papier eronder laten zitten!), snij/knip overhangende randjes weg.
Laat de taartbodem een kwartiertje in het midden van de voorverwarmde oven bakken. Haal ‘m eruit.
Maar intussen de citroencrème door in een ruime kom de 4 eieren met de 120 gram suiker los te kloppen met de mixer.
Doe de in stukjes gesneden boter in een pannetje, laat op laag vuur smelten (niet laten koken) en doe er de citroenrasp en het citroensap bij. Roer er de geklopte eieren doorheen en breng al roerend aan de kook. Laat op laag vuur pruttelen en laat de crème indikken tot een stevige massa; dat zal zo’n 3 minuten duren.
Verdeel de dikke crème over de taartbodem, laat afkoelen tot lauwwarm en zet weg in de koelkast om verder af te koelen en op te stijven.
Maak de meringue door in een kom de twee eiwitten en de helft van de suiker stijf te kloppen. Als de boel lekker stevig is, de rest van de suiker er doorheen kloppen. Zet weg tot de citroentaart flink is afgekoeld.
Haal de taart uit de koelkast en verdeel het meringemengsel er overheen. Dat kan door er met een spatel een gelijkmatige laag over uit te smeren. Maar je kunt er ook een spuitzak voor gebruiken. Met een plastic zak waarvan een hoekje is afgeknipt kom je trouwens ook een heel eind.
Zet de versierde taart even onder de hete grill totdat de meringue mooi goudbruin kleurt. Snij er punten van en deel ruimhartig uit.
Lekker met een glaasje zoete witte wijn, of limoncello.

Dascriminatie

april 7, 2015

manet
Het wilde niet, dit weekeinde, met het weer. Normaal gesproken hangen we begin april al in hemdsmouwen rond op het terras, maar zelfs de straffe mistral bleek niet in staat het treurige regengordijn te verjagen. Dus troonden we onze bezoekende Nederlandse vriend die tevens advocaat is, vandaag ter compensatie mee naar het dorpscafé voor wat lokaal vermaak. Het was druk, veel dorpelingen in paasbest pak, een aantal zelfs met das. Nou ja, das. Een smal reepje leer hier, een wollig breiwerkje daar, uit opa’s garderobe geërfde antiquiteiten. De advocatenvriend kon er niet over uit: “Dat kom je bij ons nou echt niet meer tegen,” fluisterde hij achter de hand, om geen aanstoot te geven. ’t Blijft een advocaat tenslotte. “Zelfs niet bij een sollicitatiegesprek. Jasje kan, maar een dasje? Dan val je meteen af. Dat is zó 2.0.”
“Pardon?”
“Dan word je gezien als een echte streber, als een ellebogenwerker, als een gladjakker, een potentiële graaibankier zeg maar. Is het je niet opgevallen dat steeds meer ‘hooggeplaatste pakken’ ook al geen das meer dragen? Claus begon ermee, en de trend zet door. Kijk naar de tv, hoe weinig daar nog dassen op het scherm verschijnen, kijk naar politici, Rutte met zijn open boordje! Dat straalt vertrouwen uit. Die das van Samsom nekt hem.”
“Maar dat is pure dascriminatie!”
De term schoot me, ook een glaasje verder, zomaar te binnen. Hij grinnikte en bestelde nog een rondje: “Nou, als ik zie wat er hier aan dassen rondloopt, is dat misschien niet eens zo’n slecht idee.”
Ik keek om me heen en moest toegeven dat de antiquair aan de overkant van het pleintje er waarschijnlijk wel handel in zou zien.
Toch iets om over na te denken. Ik heb een collectie dassen. Opgebouwd in een voormalig bestaan als razende reporter, waar je als meneer een das en als mevrouw een sjaaltje kreeg van de firma waar je beroepshalve langskwam. Ik koos -dwars als altijd- voor de das, hetgeen soms enige overredingskracht vergde. Ik koester dus halsstroppen van de KLM helikopterclub en van Air France, van Alitalia, TAP, Aer Lingus en Air Afrique, van het Oostenrijks skiverein, het Waals verkeersbureau en de London Football Association, de Hiswa, Unilever, ABN-Amro (toen nog smetteloos), Feyenoord, studentencorps Sint Laurentius, roeivereniging Slagvast, bakkerij Europoort en nog zo het een en ander. Met enige regelmaat knoopte ik er eentje om. Stond me goed, vond de echtgenoot. Maar dat was vroeger. Misschien moest ik zo langzamerhand maar eens…..
“Renée, ça gazouille?” (Alles kits?) Ik schrok op uit mijn overpeinzingen en keek in het iets te rood aangelopen gelaat van Alain, de lokale boulanger in ruste. Dat was hem aan te zien, van broodplankje uitgedijd tot zoete suikerbol sinds zijn pensionering. Over zijn magistrale ‘en bon point’ hing een buikbrede das gedrapeerd met daarop een niets verhullende uitsnede van ‘le déjeuner sur l’herbe’; inderdaad, dat schilderij met die blote dame van Manet, uit 1863. Ze zwaaide vervaarlijk richting mijn glas terwijl Alain zich bukte voor de begroetingskus.
“Bèn Alain. Et comment va tu?”
Hij hield zijn hand op buikhoogte, palm naar onderen, en bewoog hem traag horizontaal heen en weer. Wat zoveel wilde zeggen als ‘gaat wel’.
Ze hadden net de oude Gérard begraven. “Je weet wel, die vroeger de garage twee dorpen verderop had. Toch nog mooi negenentachtig geworden. Hij wilde dat iedereen een das zou dragen op zijn begrafenis, hij hield van netjes als hij uit de smeerkuil was gestapt en zijn ‘bleu de travail’ kon afstropen. Nemen we er eentje op zijn gezondheid?”
Ik had Gérard niet gekend, maar op een respectabele dode moet je klinken en zo’n dorpscafé moet ook overleven, dus knikte ik de kroegbaas bemoedigend toe, terwijl Alain met de dasdame de pastisrestanten uit het vorige glas van zijn mond afdweilde. Toen hij zich aan de bar had teruggetrokken fluisterde ik misschien net iets te vilein tegen mijn advocatenvriend: “Zó 2.0 dit dorp hier. Ze dragen zelfs een das om een dode te plezieren.”
Hij knikte. Even later zag ik hem met de arm om de schouders van Alain, glas pastis in de hand, aan de bar toosten op Gérard. En nog eens. En nog maar eens.
“Dat doet hem vast de das om”, mompelde de echtegenoot, die als ‘caviar-anarchiste’ (zoals ze dat hier noemen) principieel nul dassen bezit.
“Moet kunnen”, grijnsde ik terug, “straks hijst hij zich weer verplicht in zo’n toga uit het jaar nulpuntnul, met zo’n strak vastgeknoopt halsbefje. Hier mag de strop nog eventjes los.”

Clipboard01 Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Wat een spektakel op de NL-tv gisteren (Witte Donderdag) in de aanloop naar Pasen. Jeugdvolk over de vloer, dus geen ontkomen aan en de volume knop op voluit. The Passion ontrolde zich dit keer in Enschede en ik werd er zoals elk jaar een beetje ‘je ne sais quoi’ van. Dat gesleep met een 400 ton wegend verlicht kruis onder begeleiding van popi popliedjes is -zeg maar- niet helemaal mijn ding. In mijn beknopte optiek is er maar één echte passie en dat is de Matthäus Passion van J.S. Bach. Traditiegetrouw vandaag (Goede Vrijdag) her en der in Nederland uitgevoerd. Maar het absolute high-society-event is de uitvoering vanavond in Grote Kerk te Naarden, waar ministers, hoogwaardigheidsbekleders en andere notabelen over elkaar heen struikelen om een fel begeerd plekje te bemachtigen (en gezien te worden) en waarvoor de kaartjes voor het ‘gewone volk’ amper bereikbaar zijn. Ik zal het allemaal graag missen, ik heb een fantastische uitvoering van de Matthäus Passion op dvd. Bijna drie uur kijk- en luistergenot. Wie wil meegenieten: http://allofbach.com/nl/bwv/bwv-244/detail/ Ik heb de link gisteren ook aan het bezoekende jeugdvolk cadeau gedaan, maar misschien ben ik te optimistisch….
Wat dat alles met een receptje voor Pasen te maken heeft? Niks eigenlijk. Iets lekkers klaarmaken met een eitje kan gewoon elke dag. Net als Bach. Of, zoals Frankrijkdeskundige en oprichter van ‘Wonen en leven in Frankrijk’ Wim Bavelaar me ooit toevertrouwde: “Geen dag zonder Bach.” Amen.

Ingrediënten:
4 middelslanke preien (liefst met zoveel mogelijk wit)
4 grote eieren
2 plakjes gerookte zalm
2 sjalotjes of een kleine ui
6 sprieten bieslook
20 gram kappertjes
100 gram verse zachte geitenkaas met kruiden (zoals Boursin Cuisine)
2 eetlepels rode wijnazijn
zout, peper uit de molen

Bereiding:
Pel en snipper de sjalotjes of het uitje, snij de bieslook in ringetjes.
Kneus de kappertjes voorzichtig met de platte kant van een breed mes.
Doe de sjalot (of ui), de bieslook en de kappertjes samen met de verse geitenkaas en de wijnazijn, plus een draai uit de pepermolen in een kom en meng alles voorzichtig door elkaar. Proef op smaak, voeg eventueel nog wat peper en/of zout toe. Zet weg in de koelkast, maar haal de saus er een minuut of tien voor het serveren weer uit.

Haal een stuk van de onderkant van de preien af en snij het bovenste donkergroen weg; alleen het lichtgroene en blanke middenstuk mag meedoen. Haal daar het buitenste blad af. Snij de preien in stukken. Laat ze in een pan in ruim kokend water en een stevige snuf zout in 10-15 minuten gaar worden; ze moeten nog net knapperig zijn. Giet ze af, laat ze even ‘schrikken’ in koud water (anders koken ze door), giet ze opnieuw af en laat ze uitlekken op keukenpapier.
Snij intussen de (te) donkere delen en de middennerf uit de zalmplakken en snij de plakken in dunne reepjes.
Laat de eieren in een pannetje met kokend water en een snuf zout zo’n 4 minuten koken. Giet ze af en laat ook de eieren even schrikken onder de koude kraan. Niet te lang, anders worden ze te koud. Pel ze voorzichtig zodat ze heel blijven.
Verdeel de preien over de borden, giet de saus eroverheen, leg er wat reepjes zalm bij en leg op elk bord een ei. Snij dat vlak voor het serveren in de lengte open zodat het eigeel er mooi uitloopt. Draai er tot slot nog wat peper overheen.
Geef er stokbrood bij om de saus en het eigeel mee op te soppen. Bon Pâques!