De motorclub

schermafbeelding-2016-09-21-om-17-59-51

Hier ergens in de buurt woont een kampioen trialrijden. Met name op zondagochtend is dat te merken, dan gaat ie op de smalle bergpaadjes aan de overkant van de rivier oefenen, liefst met een paar maten. Veel ‘vroemvroem’, afgewisseld met ‘sputtersputter’ en luidkeelse aanmoedigingen; hij neemt zijn sport zéér serieus. Bon, moet kunnen. En als de wind de andere kant op staat heb je er weinig last van. In het café zijn we hem nog niet tegengekomen, daar zie je vooral recreatiewielrenners met een uit de naastgelegen fontein volgetapte bidon (‘eau non-potable’, maar goed), een stokbroodje van de bakker aan de overkant en een excuus-kopje koffie ernaast. Motorvolk dat langs komt – veelal van de categorie loodzwaar en bloedserieus, zowel de motoren als de berijders trouwens – legt zelden aan. We keken dan ook nogal verbaasd op toen er een hele club tegelijk ontspannen het terras kwam opgewandeld. Ze bestelden bier en verloren zich in een levendige discussie over wat ze die dag al aan markante ervaringen en repeterende pech hadden gedeeld. Dat was nogal wat. Ik bekeek ze eens wat beter, ze zagen er op z’n minst een pietsie gedateerd uit. Zeg maar heren op leeftijd in veelgebruikte motorkloffies die beslist niet aan de laatste mode- en veiligheidsnormen voldeden. Gold trouwens ook voor de helmen: model Charles Lindbergh, Snoopy versus The Red Baron, Saint Exupéry, die kant uit. Terwijl ze daar zo gezellig zaten te keuvelen kwamen er met enige regelmaat motoren uit de eerder genoemde categorie voorbij. Er werd niet op of omgekeken, geen belangstelling. En dat was op z’n minst raar. Naar mijn ervaring hebben motorrijders de neiging elkaar met opgestoken hand gedag te zeggen als ze elkaar tegenkomen. En onderling hun megamotoren te bewonderen. De enige keer dat het clubje gezamenlijk opkeek was toen de serveerster de weg overstak met een tweede ronde bier en bijna door zo’n glimmende kolos van de sokken werd gereden. Iedereen was opgelucht dat ze heelhuids de overkant haalde zonder dat zelfs maar het bier over de randen was geklotst; het is een hele geroutineerde serveerster. Met een innemende glimlach plaatste ze de glazen op het tafeltje en kreeg er een verbaal schouderklopje voor.
Niet veel later sprong de hele club ineens overeind toen er een witte bestelbus langskwam. Druk gebarend maanden ze hem tot stoppen. Hij had het gesnapt en ging een parkeerplek zoeken. Na verloop van tijd – voor een parkeerplek moet je hier goed zoeken – kwam hij terug in gezelschap van z’n bijrijder. Die meteen bij aankomst hartelijk werd uitgelachen. Het bleek geen bijrijder, het was de pechvogel van de dag. Ergens halverwege het traject had zijn motor er de brui aan gegeven. Een noodreparatie (of twee, drie) had niet geholpen en dus was hij met motor en al door de bezembestelbus opgeveegd.
Niet aardig, dacht ik eerst, om je motormaat zomaar uit te lachen, je had hem ook verder kunnen helpen. Nou, nee dus. De motoren waarop het gezelschap rondreed stamden allemaal zo’n beetje uit het begin van het gemotoriseerde tijdperk. Het ene antieke ‘koffiemolentje’ nóg excentrieker dan het andere. Reserve-onderdelen? Zelf maken, wegens niet meer aan te komen. Pech? Verhelpen met ducktape, een ijzerdraadje, een fietsbandenplakkertje of iets anders onbeholpens. En nee, geen twee motoren gelijk, dus onderdelen onderling niet uitwisselbaar. Maar uit de luidkeels gevoerde conversatie bleek dat ze er juist daarom de grootste lol in hadden. Tuurlijk was het de bedoeling om heelhuids thuis te komen maar pech onderweg was onderdeel van het plezier, net als geradbraakt op een caféterras bijkomen van een onmogelijke tocht over stuiterpaadjes met een vrijwel ongeveerd vervoermiddel.
Toen ze een tijdje later opstapten ben ik ze achterna gelopen. Ik wilde in elk geval even zien op wat voor wonderlijke machines ze hun traject gingen vervolgen. Ze waren nog mooier dan gedacht. En verdomd, de een na de ander sloeg gewoon aan na een aantal keren trappen. Ik keek ze na terwijl ze de straat uitsputterden, pure nostalgie op wielen.
Op weg naar huis kwamen we ze nog een keertje tegen. Op een mooi stukje land langs de kant van de weg, aan een lange, rijk gedekte tafel met flessen wijn van ‘onze’ cave in de hoofdrol. De motoren netjes op de staanders even verderop in het gras geparkeerd.
“Dat wordt dus voor allemaal de bezemwagen”, grijnsde de echtgenoot.
Ik denk niet dat ze daar echt mee zaten.

Kijk, Zuid-Frankrijk!

Een idee van Renée Vonk-Hagtingius, schrijver, journalist, copywriter, vertaler en hoofdredacteur van www.coteprovence.nl

2 gedachten over “De motorclub

  • vr 23 september 2016 om 11:03
    Permalink

    Leuk verhaal René over een gouwe ouwe club, ik zie zelfs een glimmende motor uit 1916… een beauty.!

    Beantwoorden

Geef een reactie

%d bloggers liken dit: