Op weg naar de kapper, en terug

do 4 februari 2021

Door Renée Vonk-Hagtingius

Gisteren op weg naar de hondenkapper met m’n ‘en voiture’ altijd opgewekte Provençaalse blafkees Fabius. Ik weet niet meer waarom we hem 13 jaar geleden of zo toen hij zijn entree maakte, naar de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken hebben vernoemd. Misschien hadden we die man net op tv gezien, en enthousiast met het nieuwe hondje, werd fabulous waarschijnlijk vanzelfsprekend fabius, zo zal het wel gegaan zijn. Hij heeft er in elk geval nooit naar geluisterd. Ook niet naar ‘kom hier’, ‘viens ici’ of ‘vèn aquí’ in het Provençaals; een dwarskop, het zat er al vroeg in.
Enfin, ik was nog niet op de doorgaande weg naar de stad of zo’n lampje naast de snelheidsmeter sloeg alarm. Ik houd daar niet van, voor je ’t weet, sta je stil, en ik uitte enige verwensingen in bewoordingen die hier voor reproductie minder geschikt zijn. Ik spreek goed Frans, maar volgens de echtgenoot is mijn Frans pas echt overtuigend als er wat te schelden valt. Kind van de straat, ex-Rotterdamse, dan weet je het wel. Fabius begreep als geen ander dat er iets niet oké was en hief een hondse protestsong aan, hij had Pavarotti makkelijk overstemd. Het is onzin, maar bij zo’n fout lampje op het dashboard stel ik altijd de fabrikant van de auto aansprakelijk. Zie je wel: slecht merk! Terwijl de onderhoudsgarage natuurlijk de schuldige is. Zou het? Het seintje van dat rode knipperlichtje gaf aan dat er dringend behoefte was aan brandstof. Oeps, kwam ik geheel onverwacht toch bij mezelf uit, niet opgelet.
In mijn dorp heb je geen tankstation, maar de pomp in de stad moest ik kunnen halen. En vanwege Fabius moest ik daar toch wezen, dus vooral doorrijden, ondanks dat hinderlijke signaal dat me de les las. Ja, ja ja, ik had beter moeten opletten en eerder moeten tanken.
Het is goed afgelopen; we waren nog op tijd ook.
Toen ik zo’n anderhalf uur later – en met een volle tank – Fabius weer kwam ophalen, had hij (ook tot zijn eigen opluchting) een hele jas uitgedaan en ik m’n muilkorf op. Aan zo’n conversatiebeperkende bufferzone zal ik wel nooit wennen, maar ik raakte niettemin in gesprek met de coiffeuse, die blij bleek dat er nog geen derde ‘confinement’ was en haar ‘entreprise’ daarom nu nog open mocht zijn. Bij de vorige rondes had ze moeten sluiten. Dat zou ze geen derde keer meer trekken. “Of ze het ook zou pikken?”, vroeg ik benieuwd.
Zo begon ze over Nederland. Ik had haar ooit verteld dat ik uit Les Pays-Bas stam, nadat mijn nooit meer weg te werken accent me had verraden. Fransen betrappen je er altijd op dat je hun taal alleen maar bijgeleerd hebt en daar word ik dan een beetje somber van. “Nee hoor, je spreekt het perfect, met een ‘tout petit accent charmant’.” Niet goed genoeg, denk ik dan.
De hondencoiffeurse had op tv ‘émeutes’ (rellen) in Nederland gezien. Wat er aan de hand was? Ik legde iets uit over corona-boosheid en dat haar collega’s in Nederland hun deuren gesloten moesten houden, óók als het om het fatsoeneren van mensenharen ging. “Sans coiffeur?!” Het ging haar bevattingsvermogen te boven.
Het was trouwens al de tweede keer in één week dat ik over Nederland werd aangesproken. Eerst door de mevrouw die me in het huishouden meer dan een handje helpt. Ze weet van mijn Nederlandse achtergrond, ze hoort me regelmatig bellen in – volgens haar – volstrekt abracadabra. Maar ook zij had die tv-beelden gezien.
Nederland haalt zelden of nooit de Franse tv. Behalve dan in documentaires over de ‘narcostaat’ of het ‘witwasparadijs’ van Europa.
Ze vertelde me dat rellen in Parijs gewoon zijn, ik vertelde haar dat ik dat wist, ik woon hier al een jaartje of dertig en volg het nieuws. Maar ze had dat oproer in Nederland nooit verwacht. Daar wonen toch alleen rustige, nette mensen? “Zoals jij?” Leg het maar uit.
Ik werd gered door een telefoontje uit Nederland.
Een paar uur later, het kon nog net voor zonsondergang, vroeg ik me bij een glaasje rosé op mijn terras af hoe dat nou kan, zo’n pertinent idee van een land waarvan je eigenlijk niks weet.
Ik moest even denken aan wijlen mijn schoonmoeder die lang geleden heel Frankrijk binnen 24 uur afschafte. Ergens eind jaren zestig geloof ik, kwam ze er – niet geheel op eigen initiatief – met vakantie. Ze beheerste Muloschool-Frans.
Met de Franse keuken had ze geen ‘klik’ zullen we maar zeggen. In het hotel-restaurant waar ze verbleef, herkende ze ‘pommes de terre’ op de menukaart. Ha, aardappelen! Het bleken ‘chips de pommes de terre’: chips! Ze wist genoeg. En pakte haar koffertje, alle vooroordelen weer bevestigd. Fransen? Onbetrouwbaar volk met een moraal van lik-me-vestje, knoflookjunks, in wijn gedrenkte drankorgels, en dat stokbrood rekende ze ook al niet tot het Europees erfgoed. Het is maar goed dat ze niet meer heeft meegekregen dat haar zoon en ik zich in dat vermaledijde Frankrijk uitstekend thuis voelen.

8 reacties op “Op weg naar de kapper, en terug”

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Of reageer met je Facebook account

Scroll naar top