Home

Stoken in een goed huwelijk

september 30, 2012

Vanmiddag thuis geluncht, op het terras, terwijl de regen in pijpenstralen vanaf de overkapping naar beneden denderde, met regelmaat bijgelicht door een formidabele onweersflits. Ik dacht met weemoed terug aan het vorige weekeinde, toen we met vrienden nog bij stralend weer het fête gastronomique vierden op het prachtige terras van de sjieke auberge hoger in de heuvels. Sindsdien is triestheid troef, met alleen maar regen en bliksem. Als je nu naar een restaurant gaat, is het binnen zitten geblazen, en mag je bij de koffie ook al geen sigaartje opsteken.
Bovendien: ik ben nog helemaal niet zover dat ik wil toegeven dat de zomer voorbij is. Ik voel me overvallen door de herfst, die -´t is vast onzin- naar mijn idee in dit deel van de wereld steevast onverhoeds toeslaat. Van de ene op de andere dag is het weer dramatisch anders. Ik ben er nooit op voorbereid, en ik kan er al helemaal niet tegen. Zo´n lange broek zit me de eerste week niet echt lekker en wie dan over ´global warming´ begint, stuur ik smalend de zeiknatte tuin in. Dat zal zo iemand leren.
Wat vandaag ook speelde: het onweer had voor een heftige variant gekozen en dan valt in ons huis met enige (on)regelmaat de stroom uit. Mijn computer kan daar slecht tegen. En ook al opereert ie via een noodaccu, daar zit maar voor een minuutje of wat stroom in, zodat je net je onderhanden stukje kunt saven. Om mysterieuze redenen kiest de bliksem bij voorkeur dagen en uren uit waarin ik met een deadline worstel. ´Chomâge technique´ noem ik het maar als er niet getikt kan worden. Het is trouwens hoe dan ook beter al bij de eerste rommelende donder alle stekkers eruit te trekken, scheelt ook schade aan de overige elektronica.
Kortom: we lunchten vandaag thuis. Mijn man, die het klimaat in Zuid-Frankrijk zelfs ‘s zomers nog aan de frisse kant vindt en ook daarom terug verlangt naar Portugal waar we een paar jaar woonden, pleitte bij wijze van entree voor een warm, winters soepje. Mijn verzet baatte niet, maar ik kreeg hem wel zover dat hij zelf de doperwtenconsommé met kerrie, selderij en sla ging maken. Daarna deden we ‘zijn’ tonijnpasta (zie hier), een bordje bio-brie met een drupje notenolie en balsamicostroop, en huisgebakken knoflookbrood. Plus aardbeien toe, ik ben bang de laatste van het seizoen. Allemaal weggespoeld met een troostrijke witte wijn van het gevaarlijk nabijgelegen Domaine Val d´Iris: adieu tristesse. Mijn sigaartje hielp ook, bij de koffie met calvados.
Ik luisterde dus maar half naar het vertrouwde anti-Franse riedeltje dat mijn man maar weer eens afstak. Dat Frankrijk tot een derde wereldnatie verworden is. Dat we nu al ontwikkelingshulp uit Quatar krijgen.
“Hè, wat?”
“Het Carlton in Cannes, opgekocht door Quatar. Voetbalclub Paris-St. Germain, opgekocht door Quatar. En, weer wat nieuws, Quatar steekt 50 miljoen in een soort hulpfonds voor de Franse banlieus.”
“Nou èn? Als het daardoor beter gaat in die wijken.”
“Jouw Frankrijk kan zijn problemen niet meer aan. Dat is waar het over gaat.”
‘Tnak’, zei het tableau électrique: er was weer stroom, het onweer leek tijdelijk verhuisd, de tv sprong spontaan aan. We hoorden vanaf het terras dat de regering de accijns op bier dramatisch gaat verhogen. Een sixpack kan zomaar 15 procent duurder worden. Of misschien wel 30 procent. In het café ben je straks 5 centimes duurder uit voor een démi. Gemiddeld kost een biertje er dan € 2,61 volgens het INSEE (het Franse bureau voor de statistiek).
“In Portugal was het 85 cent”, vonniste mijn man die liever bier dan wijn drinkt. Ik zag de bui al hangen.
“Kom op”, nam ik een besluit, “ik ruim af. Ga jij maar met de honden lopen.”
Overdreven trok hij zijn laarzen en een regenjas aan. Hij is nog niet terug. Maar dat komt wel goed, straks is er Studio Sport. En heel misschien steek ik zo de open haard wel aan. Even stoken in een goed huwelijk.


Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland verkrijgbaar zijn, te maken. Zoals al mijn recepten. Meer weten, meer recepten? Klik hier voor mijn kookboeken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Ik heb er goed de pest in. De zomer is definitief voorbij en het zwemseizoen gesloten. Het hout voor de haard ligt sinds gisteren op een slordige hoop de helft van de parkeerplaats in beslag te nemen. Die negen kuub mogen we zelf een ‘berge’ lager netjes opstapelen, beschut tegen de aangekondigde hoosregens. Maar het is zowaar een keer op tijd geleverd, en dat is mooi. Van al dat gesjouw en gestapel krijg je trek, stevige trek. Dus we doen niet moeilijk en kijken niet op een calorietje meer. Bovendien zijn we nog wel even bezig met dat hout: die calorieën verbranden vanzelf, daar kan geen sportschool tegenop.

Ingrediënten:
1 rol bladerdeeg (of pakje plakjes)
4 eieren
25 cl vloeibare room (geen slagroom)
100 gram Parmaham
1 preitje
50 gram geraspte kaas (Emmental, gruyère, comté)
50 gram bleu d’Auvergne
25 gram geraspte parmesan
zout, peper, nootmuskaat

Bereiding:
Rol het bladerdeeg uit, of haal de plakjes van elkaar. Beboter een taartvorm en bekleed de bodem en zijkanten met het deeg; snij overstekende randen bij, en zorg (bij plakjes) dat ze goed overlappen; druk even aan. Prik met een vork gaatjes in de hele bodem, en bedek de bodem met bakbonen of met aluminiumfolie die u stevig aandrukt (om teveel rijzen te voorkomen). Verwarm de oven voor op 180 graden en bak de bodem zo’n 15 minuten voor. Laat iets afkoelen en verwijder de bakbonen of de folie.
Snij intussen de Parmaham in ragfijne snippertjes. Haal het buitenste van de prei en snij de onderkant en het donkergroen eraf. Snij de rest in dunne ringetjes.
Scheidt de eieren boven een ruime kom, doe de eierdooiers in een tweede komt. Mix de eiwitten met een snufje zout stijf tot ze in punten blijven staan. Klop in de andere kom de eierdooiers los. Prak de bleu d’Auvergne fijn, doe die bij de eierdooiers en voeg er de geraspte kaas, de parmesan, de room, de Parmaham, de preiringetjes, een snufje nootmuskaat en peper naar smaak aan toe. Meng alles goed door elkaar. Spatel er vervolgens de stijfgeklopte eiwitten door. Giet het mengsel op de voorgebakken bodem in de taartvorm. Bak in 30-35 minuten in de oven (180 graden) af. Laat afkoelen en snij er punten van.

Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland verkrijgbaar zijn, te maken. Zoals al mijn recepten. Meer weten, meer recepten? Klik hier voor mijn kookboeken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Bij de visafdeling van LeClerc vond ik vandaag een paar mooie moten verse kabeljauw. Om er te komen moest ik eerst langs een groot portret plus condoleanceregister dat bij de ingang stond opgesteld, vanwege het overlijden van de grondlegger van het supermarktimperium Edouard LeClerc (1926-2012). Ik heb niet getekend. Ik kende de man niet, en hij was op z’n minst omstreden. Vanwege een dubieus oorlogsverleden (hij zat zes maanden vast wegens vermeende collaboratie) en omdat hij de kleine kruideniers om zeep hielp. Toch kreeg hij diverse hoge Franse onderscheidingen, omdat hij het opnam voor de consument, en de prijzen altijd minstens 2 ½ procent onder het landelijk gemiddelde hield.
Sinds 2006 runt bovendien zijn zoon Michel-Edouard de 750 super- en hypermarché’s, dus ik durf er wel weer te boodschappen: aan erfzonden doen we niet.
Aan foute vissen ook niet, dus niet meteen gaan steigeren bij het idee van kabeljauw op het bordje. Dat kan nog best. Jawel, in de Noordzee moeten vissers er voorlopig met hun tengels vanaf blijven, daar is de kabeljauw zwaar overbevist. Maar als ik de Viswijzer (hier) mag geloven, is er bijvoorbeeld in de Barentszzee en in de Pacific nog een heel gezonde vispopulatie. Even opletten dus in de winkel.

Ingrediënten:
500 gram kabeljauwrug (dos de cabillaud) zonder graat
1 grote ui
3 tenen knoflook
6 grote tomaten
2 laurierblaadjes
½ bosje basilicum
1dl droge witte wijn
50 gram zwarte olijven (ontpit)
zout en vers gemalen peper
bloem
olijfolie, boter

Bereiding:
Spoel de vis af en dep droog met keukenpapier. Controleer op eventueel achtergebleven graten. Ontvel de tomaten (even in heet water dompelen en het velletje eraf trekken), snij ze in parten en haal de zaden eruit. Snij de basilicum fijn, snij de olijven in tweeën. Pel en snipper de ui, schil de knoflooktenen.
Verhit een flinke scheut olijfolie in een braadpan, fruit er de ui in aan, en knijp de knoflook er boven uit als de ui glazig is. Voeg de tomaten toe, plus de witte wijn, en breng op hoog vuur aan de kook. Voeg de olijven toe, plus de basilicum, draai het vuur laag en laat 20 min. pruttelen met de deksel op de pan. Peper en zout de kabeljauw aan beide kanten, en wentel de vis door de bloem. Verwarm een scheut olijfolie samen met een klont boter in een ruime koekenpan en bak de vismoten snel aan twee kanten goudbruin. Laat op laag vuur nog enkele minuten garen. Verdeel de vis over de borden en giet de saus er overheen. Lekker met rijst erbij, maar wat pasta of een stukje stokbrood kan ook.

Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland verkrijgbaar zijn, te maken. Zoals al mijn recepten. Meer weten, meer recepten? Klik hier voor mijn kookboeken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Wijnboeren klagen -net als vrijwel alle boeren trouwens- altijd over de oogst. En mijn buurman van een stukje verder aan het pad, doet er graag nog een schepje bovenop. Ik denk weleens dat hij diep ongelukkig zou worden als hij echt helemaal niets te klagen had. Maar waarschijnlijk is dat niet: als er niks is, verzint hij wel wat. Dus vertelde hij me handenwrijvend dat door de verkeerde regentijd en de foute droogteperiode zijn druivenopbrengst dit jaar extreem laag zou zijn. Wat hij er niet bij zei, was dat die gemaltraiteerde druifjes wel van uitstekende kwaliteit zijn geworden: vol, geconcentreerd, zoet. Uitstekend geschikt voor de taart die ik besloot met de meegegeven trosjes te maken. Het werden er trouwens twee. Eentje voor de buurman, eentje voor thuis. En er past perfect een glaasje buurrosé bij.

Ingrediënten:

Voor het deeg:
200 gram bloem
100 gram boter
½ theelepel zout
1 à 2 eetlepels bruine of rietsuiker
1 dl water

Voor de vulling:
1 kilo zoete druiven
3 eetlepels vloeibare honing
4 granaatappels
2 eetlepels zoete witte wijn (muscat, beaume de venise)

Bereiding:
Voor het deeg: Doe de bloem met de boter in een kom en snij de boter in blokjes met twee messen. Voeg in het midden zout en suiker toe, plus een scheutje water. Spatel alles door elkaar, onder toevoeging van steeds een beetje meer water. Kneed zachtjes tot een bal en rol die door wat bloem. Laat een half uur rusten op een koele plaats. Rol het deeg op een met bloem bestoven werkblad uit tot een lap van ongeveer ½ cm dik. Vet een springvorm heel licht in met wat olijfolie. Verdeel het deeg gelijkmatig over de vorm; snij de overstekende randen af. Prik met een vork gaatjes in de bodem. Laat circa 25 min. in een op 210 graden voorverwarmde oven goudbruin kleuren.
Voor de vulling: Was intussen de druiven, verwijder de steeltjes, snij ze doormidden en ontpit ze indien nodig. Verwarm de zoete wijn en de honing in een pannetje, snij de granaatappels in tweeën en lepel de inhoud leeg in de pan, roer alles tot een saus dooreen. Verdeel de druiven gelijkmatig over de taartbodem, roer de saus nog even door en schenk hem voorzichtig over de druiven.

Dat heb ik dan weer. Aangehouden wegens te hard fietsen. Net de Vuelta achter de kiezen -als kijker dan hè- en dan aangehouden worden wegens roekeloos racegedrag. In die Ronde van Spanje (die ik overigens veel aantrekkelijker vond dan de Tour de France) gierden renners met soms meer dan 100 km per uur en met ware doodsverachting van een steile berg af. Dat gaf kriebels. En hoewel mijn wielerverleden allang in het grote vergeetboek van de huiselijke geschiedenis is bijgeschreven, mag ik toch nog graag een stukje rondfietsen. Als ik in vorm ben, kan ik pieken. En dan haal ik zelfs weleens de 25/30 km in het uur. Maar vandaag, in Cagnes, was het meer een ontspanningsoefening, om het drukke hoofd weer even leeg te pedaleren.
Had je gedacht! Uitgerekend deze week trad er voor het fraaie fietspad langs de zeereep een snelheidsbeperking in werking. En de machtige arm van Hermandad ging dat eens eventjes keurig handhaven. Gisteren trouwens nog niet, wegens rotweer, maar vandaag was men op volle sterkte (2 man) aanwezig.
Ik schrok me werkelijk kapot toen er vanuit de berm een policier municipale voor mijn rijwiel sprong. De hand gebiedend opgeheven: “trop vite, madame!”
Ik kon nog net remmen. “Pardon?” Dit moest een grap zijn. Ook qua uiterlijk had de wetshandhaver veel gemeen met wijlen Louis de Funès.
“U heeft te hard gereden. Mijn collega (hij gebaarde naar ergens achter me) heeft u geflitst met ruim 16 km per uur. En u mag hier maar 10. Er staat een bord dat dat aangeeft. Niet gezien zeker?”
Nee, dat had ik niet gezien, en ik ben later speciaal teruggefietst om het te bekijken: het stond er inderdaad gloednieuw te wezen.
Waarom? Omdat de gemeente Cagnes besloten heeft tot een ‘voetgangersvriendelijk’ beleid: wandelaars gaan -zelfs op het fietspad- vóór, (race)fietsers moeten ontmoedigd worden. Nou ben ik daar niet tegen. Zelfs als fietser heb ik er een pesthekel aan als je uit de toeclips wordt gereden door de een of andere gek die, al slalommend langs voetgangers en recreatiefietsers, Contador wil evenaren.
Maar waarom moet ik 35 euri aftikken omdat ik met zestien (16!) kilometer per uur een ritje langs een riant fietspad rijd? Fietspad dus. Het voetgangerspad ligt er naast en is minstens zo riant. En ik had nog mazzel. Als ik m’n identiteitsbewijs niet bij me had gehad, was ik zonder pardon naar het bureau afgevoerd.
Terwijl ik m’n papieren toonde schoot er een drietal inline-scaters voorbij. “Eh, die rolschaatsers? Die gaan toch echter harder dan 10 km hoor”, probeerde ik onder de boete uit te komen.
“Ah, oui madame, maar dat zijn officieel voetgangers.” Hij keek erbij alsof hij het wiel -welk wiel dan ook- niet snel opnieuw zou uitvinden. Ik heb maar betaald. Tegen zoveel ambtelijk onbenul valt niet op te redeneren. Voortaan ga ik wel ergens anders fietsen. En ik ben vast de enige niet.
Briljant toeristenbeleid, daar in Cagnes.

Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland verkrijgbaar zijn, te maken. Zoals al mijn recepten. Meer weten, meer recepten? Klik hier voor mijn kookboeken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Een typisch Provençaals gerecht, waarop logischerwijze Nice de oudste rechten claimt, omdat er de basisingrediënten van de salade niçoise voor worden gebruikt. Maar eigenlijk is dat onzin: het broodje ‘gezond’ werd al in de grijze oudheid langs de hele côte door vissers meegenomen als snelle en goed houdbare lunchhap. En ook de Italianen kennen het als ‘pane bagnato’. Het betekent niets anders dan ‘nat brood’ en dat is het ook, vanwege de olijfolie en de wijnazijn. Vandaar dat het brood dat je ervoor gebruikt flink stevig moet zijn. Met de ingrediënten kan gevarieerd worden, bijvoorbeeld door een blaadje sla, een enkel radijsje, een zongedroogd tomaatje, wat snippers selderij of iets anders rauwkostachtigs toe te voegen.

Ingrediënten:
4 harde ronde broodjes
3 tomaten
1 ui
15 zwarte olijven, ontpit
4 eieren
1 teentje knoflook
1 kleine groene paprika
400 gram tonijn uit blik
4 ansjovisfilets, op olie
8 blaadjes basilicum
4 takjes peterselie (alleen de blaadjes)
1/2 bosje bieslook
witte peper
olijfolie, wijnazijn

Bereiding:
Kook de eieren hard, laat ze afkoelen, pel ze en snij ze in plakjes. Pel de ui en snij hem in dunne ringen. Snij de paprika in dunne reepjes, snij de tomaten en de olijven in dunne
Hak de basilicum, de blaadjes van de peterselie, en de bieslook grof.
Spoel de ansjovisfilets af onder de kraan en snij ze in tweeën. Giet de tonijn af, en maak los met een vork.
Pel de knoflookteen, knijp hem uit boven een schoteltje.
Snij de broodjes doormidden en besmeer de helften met de knoflookpulp. Sprenkel er ruimhartig olijfolie over en beleg de onderste helften met alle ingrediënten. Bestrooi met peper, sprenkel er nog wat wijnazijn overheen, en klap de broodjes dicht.

Betonhonden

september 4, 2012

Een ferme klop op de deur, we hebben geen bel: de police minicipale. We waren net terug van een rijkelijk besproeide lunch bij een favoriet eethuis. Gewoon werk hoor, een interview. Na thuiskomst hadden we de jongste twee van onze drie honden even op eigen gelegenheid laten luchten. Dat kan, en doorgaans gaat dat goed. Maar soms wil er weleens een onbewaakte en onweerstaanbare vuilniszak op hun pad komen die niet netjes in een verplichte ton is gestald: dat geeft rommel. En dan denk je al gauw dat zo’n dorpsdiender -toch niks beters te doen- daar even een zaak(je) van komt maken. Maar hij kwam voor de weg; hoe het er mee ging. Nou, niet best.
Jawel, het zat er aan te komen. Maar toen we dit huis vonden dachten we echt hier een jaartje of wat rustig te kunnen wonen. Mooi plekje en behoorlijk afgelegen weggestopt, niet helemaal zo privé als we wilden, maar toch; het kon.
Het kon niet. Een maand of wat geleden begonnen de werkzaamheden. Aan een gloednieuw huis, op een tot dan toe ruig en ongerept strekje grond schuin onder ons op de heuvel. En daar moest een weg heen. In één klap ging onze privacy overboord, werd de beplanting die ons van de boze buitenwereld afschermde met wortel en tak uitgeroeid tot aan de piquets die ooit, lang geleden, de officiële erfafscheiding markeerden met het volstrekt dichtgegroeide pad dat functieloos naar beneden leidde. Een door iedereen vergeten chemin communal werd door een stelletje rücksichtsloze bouwarbeiders in luttele dagen omgeturnd in een meters brede landingsbaan waarvan het vliegveld van Nice slechts kan dromen. En aan het eind ervan beton zo ver het oog reikt. Van onze heg en ons bescheiden gazen hekje bleef niets meer over: we hadden vrij uitzicht, en dus ook inzicht. Of dat zomaar kon, vroegen we aan de nijvere bouwvakkers. “Tuurlijk”, meende de aannemer, daar was hij voor ingehuurd. “Maar ons hek dan, en onze heg?” weerlegde mijn man, niet ten onrechte. “Ah, tja”, dat was min of meer een bedrijfsongevalletje. “Kwam later wel goed.”
Het ging ons allemaal wat te snel en in elk geval veel te ver. Maar monsieur le maire hield zich onbereikbaar, al kwam er wel een secondant even kijken. “Nee, nee, er was niks mis met vergunningen”, die zouden de volgende ochtend even razendsnel in orde worden gemaakt. Toen gingen alle alarmbellen pas echt goed rinkelen. Dit kwam niet meer goed.
Ik ben alweer op zoek naar een ander onderkomen, voor de zoveelste keer. Opnieuw ingehaald door de oprukkende overbevolking die zelfs in het Provençaalse achterland hand over hand toeneemt. Ik vind vast nog wel ergens een afgelegen hoeve, een verlaten mas, of een vergeten hameau.
Maar er blijven sporen achter, hier. Want toen het verse beton nog nat was, hebben mijn honden er helemaal per ongeluk een drafje doorheen geploegd; die pootafdrukken zijn mooi mee opgedroogd. Voor eeuwig. Nou ja, in elk geval voor de nieuwe eigenaar.