Home

P1170619Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken. Zoals al mijn recepten. Meer weten, meer recepten? Klik hier voor mijn kookboeken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Een tijdje terug kreeg ik van mijn Tunesische vriendin Madame Mahmoud, die me in de huishouding helpt, een tajine. Ze had er toch een stuk of zes en ze vond dat ik ook maar eens aan zo’n noord-Afrikaanse stoofpot moest. Leuk, lief! Maar ik had geen idee. Dat was snel verholpen. De beknopte cursus die ze me gaf zorgde ervoor dat de tajine inmiddels niet meer uit de keuken weg te denken is. Omdat gerechten die je er in klaar maakt intensiever en puurder lijken te smaken. En het gebruiksgemak telt beslist ook mee; je hebt er geen omkijken naar. Klik hier voor een heldere beschrijving van het gebruik. Geen tajine? Dan lukt het ook in een braadpan of een ovenschaal met deksel. Maar het resultaat is wel wat minder.

Ingrediënten:
4 moten stevige witvis naar keuze, zonder vel
8 grote gamba’s (ongekookt)
1 grote courgette of 2 kleintjes
1 rode paprika
4 tomaten
1 grote ui
5 teentjes knoflook
½ bosje peterselie
½ bosje basilicum
1 citroen
1 theelepel gedroogde oregano
1theelepel gedroogde rozemarijn
½ theelepel gemalen komijn
½ theelepel kurkuma (of saffraan)
olijfolie
peper en zout

Bereiding:
Snij de citroen in tweeën, pers de ene helft uit en snij de andere in partjes.
Doe zo’n drie eetlepels olijfolie in een ruime kom en doe de uitgeperste halve citroen erbij. Voeg peper en zout toe en doe de gedroogde kruiden erbij (oregano, rozemarijn, komijn, kurkuma). Klop alles door elkaar tot een gladde emulsie en proef of er genoeg peper en zout in zit.
Leg de moten vis erin en laat ze er (af en toe omkeren) een half uurtje op een koele plaats in marineren.
Snij intussen de courgette(s) in schijfjes, kopje en kontje weggooien.
Haal kop en kont van de paprika, snij hem in vieren en haal de zaadlijsten eruit, snij de het vruchtvlees in dunne reepjes.
Snij de tomaten in kwarten.
Pel de ui en snij hem in ringen, pel de knoflooktenen en snij ze in ragdunne plakjes.
Snij de peterselie en de basilicum fijn.
Pel de garnalen, haal de kop en staart eraf, snij de rug over de hele lengte in en haal het zwarte darmkanaal eruit.
Verdeel de moten vis, de garnalen en de gesneden groenten (courgettes, paprika, tomaat, citroenpartjes, ui, knoflook) over de bodem van de tajine, bestrooi met peterselie en basilicum (hou een beetje achter voor de garnering) en giet de marinade er overheen.
Zet de oven op 200 graden (niet voorverwarmen) en laat de tajine samen met de oven op temperatuur komen. Daarna nog ongeveer 10-15 minuten laten sudderen; korter of langer, afhankelijk van de gaarheid van de vis en de garnalen. Goed warm serveren, strooi voor het opdienen de achtergehouden peterselie en basilicum over het gerecht. De tajine kan gewoon op tafel maar wel met een onderzetter eronder natuurlijk.

Uniforme hokjesgeest

do 28 augustus 2014

89324f7fa643f0546ab398c38c70f436
Ik ben tegen uniformen in het algemeen, en tegen uniformen voor kinderen in het bijzonder. Ooit was mijn oudste zus bij de padvinderij, iets van kabouter of zo (echt, ik heb geen idee meer wat het exact was). Ze moest een soort van handboek dat associaties opriep met een vage religie uit het hoofd leren en gehuld in een bruin uniformpje met gele das en een dom petje op het hoofd, eens in de week -in mijn ogen- rare dingen doen. Vuur maken met steentjes en strootjes, onnavolgbare zeemansknopen leggen en al saluerend “wij dob dob dob, wij doen ons best” uitkrijten. Ik wilde er niets mee te maken hebben.
Mijn moeder -in het voor ons soort mensen riante bezit van een geërfde Agfa Klak en geëmigreerde familie in Canada en Australië- vond het een absolute ‘must’ dat ook ik en mijn jongere zusje in dat belachelijke en voor ons veel te grote uniform werden vereeuwigd. Met verordonneerde grimlach en de vingers in een soort van saluut tegen dat malle petje geheven. Ik geloof niet dat die foto nog bestaat, tenzij in een ver buitenland, en als het wel zo is mag er wat mij betreft onmiddellijk de fik ik. Noem het een jeugdtrauma, maar uniformen en ik gaan niet samen. In een later leven heb ik diverse aanvaringen met uniformen gehad en voor beide partijen is dat nooit bevredigend afgelopen. Of zij waren de baas, of ik kreeg m’n gelijk, ‘and never the twain shall meet’ om het met Rudyard Kipling te zeggen.
Ik moest dus even slikken toen ik recent in de krant las dat het schooluniform zijn (her)intrede doet. Om te beginnen bij een private school in Marseille. De directrice van Saint-Vincent-de-Paul droomde er naar eigen zeggen al jaren van en na een schoolreisje naar Londen, waar schooluniformen zo’n beetje standaard zijn, maakte ze er serieus werk van. “Ik moet alleen de ouders nog even overtuigen”, liet ze aan Nice Matin weten. Die ouders lieten zich blijkbaar overtuigen, want met de ‘rentrée scolaire’ per 1 september is het uniform een feit.
De voordelen volgens directrice Christine Watiez: “Geen gescheurde jeans meer, geen te korte rokjes, geen naveltruitjes, geen hoge hakken, geen piercings, geen extreme haarcoupes, geen jongens die er als gangsters uitzien en geen meisjes die er als Lolita’s bijlopen.”
Ik zal de laatste zijn om te ontkennen dat de huidige modetrends het een en ander aan goede smaak ontberen, maar dat werd al door alle generaties vóór mij ook gevonden. Moet er dan maar een uniform overheen? Alles bedekken met de grauwsluier van de grootste gemene deler? Elke expressie per definitie de kop indrukken? Kortom, kinderen al in de schoolbanken indoctrineren en omvormen tot de eenheidsworst die ze straks in de maatschappij braaf mogen gaan invullen?
Doet me ergens aan denken. Maar ja, als ik dat hier opschrijf… Ik doe het maar niet. Straks liever even naar het café. Niemand in uniform, behalve de laatste toeristen van het seizoen dan. In hún uniform, maar dat is zelfgekozen. Al word je daar helaas ook niet vrolijk van.

omelet1
Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken. Zoals al mijn recepten. Meer weten, meer recepten? Klik hier voor mijn kookboeken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Het verhaal gaat dat Napoleon, ergens in het begin van de 19e eeuw met zijn troepen op doorreis door Frankrijk, besloot te overnachten in het stadje Bessières. De lokale herbergier serveerde een smakelijke kaasomelet. Daar was de kleine keizer zo van gecharmeerd dat hij opdracht gaf alle eieren in het plaatsje bij elkaar te scharrelen en er een giga-omelet voor al zijn manschappen mee te bakken.
Sindsdien vliegen de records omeletbakken je om de oren. Met als (voor zover bekend) jongste wereldrecord het eibaksel van de koks van Ferreira do Zêzere in Santarém, Portugal, van 6,452.35 kilogram waaraan 145.000 eieren en een pan met een doorsnede van 10.3 meter te pas kwamen.
Ik word daar een beetje misselijk van.
Bovendien vind ik een omelet voor 4 personen al een hele klus. Als het op omkeren aankomt dan. Daar heb ik wat op gevonden. Niks omkeren, gewoon even afbakken onder de grill. Wordt ie nog mooi mollig van ook. Let op! De ovendeur moet wel open blijven en de steel van de koekenpan moet er natuurlijk uitsteken en niet mee grilleren…

Ingrediënten:
8 eieren
½ rolletje geitenkaas
80 gram geraspte parmesan
½ bosje bieslook
16 kerstomaatjes
1 teentje knoflook
1/3 groentenbouillontablet
scheutje witte wijn
olijfolie

Bereiding:
Pel de knoflookteen, snipper de bieslook, snij de kerstomaatjes in plakjes en het halve rolletje geitenkaas in dunne schijfjes.
Breek de eieren in een ruime kom, kruimel er de 1/3 bouillontablet bij, pers het knoflookteentje er boven uit en klop de eieren schuimig met de mixer.
Meng de parmesan er door, plus een klein scheutje witte wijn en de bieslook.
Verhit een scheut olijfolie in een ruime koekenpan met anti-aanbaklaag en giet het eiermengsel erin. Haal de pan van het vuur, verdeel het eiermengsel goed over de bodem en beleg het gelijkmatig met de plakjes geitenkaas en de schijfjes tomaat. Zet de pan terug op het vuur, laat even aanwarmen en draai het vuur dan laag. Schudt de pan af en toe heen een weer terwijl de omelet gaar wordt, zodat die niet vastkleeft. Controleer de bruintegraad door met een vork of mes de zijkant op te tillen en eronder te gluren: goudbruin is de bedoeling.
Zet de oven intussen op de grillstand. Als de grill gloeit, en de omelet aan de onderkant goudbruin en aan de bovenkant nog een beetje zompig is (zie foto), de pan van het vuur halen en vlak onder de grill schuiven om een paar minuutjes na te garen. Als ook de bovenkant goudbruin is en de kaas gesmolten, is ie klaar. Let op! De ovendeur moet wel open blijven en de steel van de koekenpan moet er natuurlijk uitsteken en niet mee grilleren…
Kan zowel warm als koud gegeten worden, dus dat wat overblijft een dagje in de koelkast bewaren is ook geen probleem.

piccata2
Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken. Zoals al mijn recepten. Meer weten, meer recepten? Klik hier voor mijn kookboeken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Ik geloof dat het oorspronkelijk uit Lombardije komt, maar ik ken piccata van mijn eerste kennismaking met Rome, vele jaren geleden. De Piazza di Santa Maria in Trastevere, een klein kerkje met het net zo kleine eethuisje Sabatini er tegenover, een fontein in het midden, wat straatartiesten ernaast. Het kerkje bleef klein, het eethuisje werd een ‘tourist trap’ met tegenwoordig tevens vestigingen in Tokio, Hong Kong en Signapore.Clipboard01
De piccata van toen, werden muffe lapjes platgeslagen kiloknaller in een zuur sapje. Dat kan beter. En dat doen we dus beter. Het gaat om flinterdunne lapjes mals kalfsvlees in een zachtzure citroensaus. Dus niet het grove dikke-lappen-schnitzelwerk voor de uitgehongerde oermens.
Hierbij het basisrecept. Maar dan op z’n Provençaals, à ma façon.

Ingrediënten:
500 gram kalfsfiletlapjes
4 eetlepels boter
3 eetlepels olijfolie
6 cl gevogeltebouillon
9 cl droge witte wijn
sap van 1 kleine citroen
1 teentje knoflook
paar takjes peterselie
bloem
zout en peper

Bereiding:
Vraag aan de slager om hele dunne lapjes kalfsfilet. Leg ze tussen twee velletjes folie en plet ze nog platter als ze te dik zijn; ze moeten echt flinterdun zijn. Dat gaat heel goed met een lege wijnfles of de deegroller. Dep ze droog met keukenpapier. Bestrooi ze bescheiden aan twee kanten met peper en zout.
Pers de citroen uit. Haal de blaadjes van de peterselie en hak ze fijn. Pel het knoflookteentje.
Verdeel een hoopje bloem over een vel aluminiumfolie en haal de lapjes er aan weerszijden door, schudt de overtollige bloem eraf.
Verhit de boter en de olie in een ruime koekenpan. Bak de lapjes er snel in aan: 1 minuut aan elke kant is genoeg. Draai het vuur laag en voeg de bouillon, het citroensap, de wijn, de peterselie en het uitgeperste knoflookteentje toe. Laat nog 2 à 3 minuten sudderen. Verdeel de lapjes over de (bij voorkeur voorverwarmde) borden, schenk er wat van de saus over. Geef er pâtes, brood of gewoon een goed glas wijn bij. Da’s alles.

De schim in het portiek

ma 11 augustus 2014

Border-Collie-5
Gisterenavond na Studio Sport vond mijn echtgenoot dat we nog best even een hapje op het dorp konden gaan eten. Ajax had gewonnen, Feyenoord met de hakken over de sloot een nederlaag weten te voorkomen, bijgevolg weinig kans op supportersruzie in de huiselijke kring, dus ik zei “ja, graag” en greep gretig de telefoon. Voor de ‘tweede zit’ rond negen uur konden we nog terecht. In ‘het seizoen’ is het zelfs in ons gehucht extreem druk qua toeristische voorbijgangers. Ik moest zelfs een paar rondjes rijden voor ik op een ver verwijderde parkeerplaats een plekje kon bemachtigen.
Terwijl we door de steile straatjes omhoog klauterden naar het centrumpje van het dorp, scharrelde er een hond langs. Een prachtige border collie, die had beslist wel een baasje, we besteedden er verder geen aandacht aan. Hij wel aan ons: na een beetje snuffelen begon hij ons te volgen. Dat mocht, we vonden elkaar wel leuk, we wisselden wat luchthartige aanhankelijkheidsbetuigingen uit. Bij ons restaurantje was ie ineens verdwenen.
Na een mooie maaltijd op een prettig terras met uitzicht op de benevelde vallei in de verte, bijgelicht door een wondergrote supermaan, dwaalden we loom weer door het labyrint van dorpsstraatjes naar beneden. Ergens halverwege sloop er een schim uit een portiek en begon ons te volgen. Eerst op een afstandje, maar al snel verkleinde hij de kringetjes die hij om ons heen liep en begeleidde ons zonder aarzelen naar de auto: de border collie, van huis uit een uitstekende herdershond, had blijkbaar besloten dat wij zijn ‘kudde’ waren. Maar ja, hoe nu?
Ik bedankte hem vriendelijk en maakte wat wegwuifgebaren: “Merci, ga nu maar naar het baasje.” Hij deed een stapje terug, wij stapten in.
“Dat was niet aardig van je”, zei mijn man gekwetst terwijl ik achteruit manoeuvreerde. “Hij had vast in willen stappen. Nu zwerft ie de hele nacht over straat, zonder eten, zonder drinken. Hij is vast gedumpt door zo’n vakantievierder. En wie weet hoe lang hij al aan het zwerven is. En wat, als ie straks onder een auto loopt?” Mijn man is erg teerhartig als het om dieren gaat en weet doorgaans mijn schuldgevoel feilloos frontaal te rammen.
Bij de laatste bocht stond ie ons op te wachten, ik remde.
“Goed. Eén kans. Als hij inderdaad instapt mag ie mee. Maar we gaan niet soebatten.” Ik dacht aan het intolerante viervoetige gespuis thuis dat een nieuwkomer beslist met veel bravoure zou afblaffen.
Mijn man zwaaide het portier open, de hond klom meteen bij hem op schoot, alsof hij nooit anders had gedaan.
Thuis brak de hel los zodra de voordeur openging: twee door hun eigen verleden getekende afdankertjes lieten hun territorium niet zomaar afjatten door een willekeurige zwerver. Maar met paaien en aaien lukte het ze aan elkaar te laten wennen; aan het begin van de nacht tolereerde men elkaar in elk geval.
Intussen waren we erachter dat hij een zij was, wel een halsband droeg maar geen tatoeage, en honger had als een paard dus waarschijnlijk al dagen aan het zwerven was.
“Morgen maar de dorpsveldwachters bellen om te kijken of iemand een hond mist”, besloten we voor we naar bed gingen. De verwachte relnacht bleef uit, het bleef zelfs verbazingwekkend rustig, en de volgende dag was er geen bank van z’n plaats gevochten en was er zelfs geen ‘ongelukje’ gedropt.
Ik belde de ‘police municipale’ en kreeg een antwoordapparaat: “Wij zijn met vakantie.”
Ik belde de gendarmerie in het grotere dorp verderop: “Nee, zeg, daar beginnen we niet aan.”
Ik belde de dierenarts: “Tuurlijk, komt u maar langs, kijken we of ie gechipt is.”
Intussen riep mijn man opgetogen vanuit de woonkamer: “Heeej, hij voetbalt! En hij geeft de bal nog terug ook!”
Ik bad in stilte dat er géén baasje zou zijn die hem -sorry, haar- zou missen. Stiekem bedacht ik een naam, voor àls…..
“Ah”, zei de dierenarts meteen bij binnenkomst, “die ken ik, da’s een weglopertje, die zie ik zo eens per maand. Voor de zekerheid las ze de puce uit: “Ja hoor, dat is Vanille.”
Ze belde het baasje en kreeg een antwoordapparaat, wij kregen Vanille mee, plus het telefoonnummer van het baasje, dat op nog geen steenworp afstand van ons bleek te wonen.
Tegen lunchtijd was het raak, een mannenstem belde dat ie ‘dat beest’ wel kwam halen. En tegen het eind van de middag kwam de onvermijdelijke klop op de deur: een vermoeid ogend moedertje met peuter op de arm meldde dat ze voor Vanille kwam. Haar man had het huis niet kunnen vinden.
Het klonk ongeloofwaardig. Net als de rest van haar verhaal. Er was blijkbaar geen enkele moeite gedaan om de hond terug te krijgen.
“Misschien moeten we toch maar eens zo’n penning kopen, voor aan de halsband”, verzuchtte ze. “U moest zeker langs de dierenarts? Ja, dat doet niet iedereen. Nou, bedankt dan maar.”
Ze slofte terug naar haar auto. Vanille slofte achter haar aan, en keek naar mijn smaak net iets te vaak om.
Ik voelde de arm van mijn man om mijn schouders. “Die komt wel terug.”
En hij had het niet over het baasje van Vanille.
Belachelijke naam trouwens, voor een pikzwarte hond. Die van mij proefde een stuk beter. Maar ja.
On verra.

P1040084
Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken. Zoals al mijn recepten.
Meer weten, meer recepten? Klik hier voor mijn kookboeken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Het zomerseizoen is het seizoen vaan de aanlopers en de langskomers. En omdat ze lang niet allemaal aankondigen dat ze komen, en wanneer dan wel, staat er regelmatig op onverwachte tijden volk op de stoep dat na een eerste drankje toch ook wel een hapje lust. Dan wordt het al snel aïoli; een complete maaltijd met een pittige knoflookmayonaise als middelpunt, die eenvoudig valt uit te breiden naar het aantal aanwezigen en de bijbehorende eetlust. Bovendien sta je er niet uren voor in de keuken. Voorwaarde is wel dat er een paar eieren voorhanden zijn, dat er het een en ander in de groentenla ligt, en dat de diepvries ook nog iets vissigs of vlezigs huisvest. Maar dan zijn de variaties ook eindeloos. O ja, en het helpt als er een flesje druivensappigs klaar ligt. Of wordt meegebracht natuurlijk.

Aïoli – basisrecept

Ingrediënten:
2 eierdooiers
1 theelepel mosterd
6 teentjes knoflook
citroensap van een halve citroen
zout en peper
olijfolie (veel)

Aïoli aux herbes

Extra:
½ bosje platte peterselie
½ bosje basilicum
2 takjes dragon
4 takjes citroentijm

Bereiding:
Pel de knoflooktenen en pers ze (knoflookknijper) uit boven een vijzel. Stamp ze met wat zout (gaat makkelijker) tot pulp en voeg wat scheutjes olijfolie toe tot het een smeuïge puree is.
Doe de puree, de mosterd en de eierdooiers in een ruime kom en meng alles goed door elkaar. Voeg dan onder goed kloppen scheutje voor scheutje steeds meer olijfolie toe, tot een heel dikke, stevige mayonaise ontstaat. Hoe meer olijfolie, des te stijver de mayonaise. Pak gerust de mixer of de keukenrobot; dat je alleen een vork zou mogen gebruiken en altijd in dezelfde richting moet klutsen, is onzin. Pers de halve citroen uit en voeg druppelsgewijs toe, maar laat de mayonaise niet te dun worden. Breng op smaak met zout, eventueel wat peper, maar de knoflook is al flink sterk dus niet teveel.
Voor de aïoli aux herbes:
Gebruik van de peterselie en de basilicum alleen de blaadjes, verwijder de stelen. Strip de blaadjes/naaldjes van de dragon en de tijm. Hak alles zo fijn mogelijk en kneus het haksel verder fijn in de vijzel, waaruit je de knoflookpulp hebt geschept (niet afwassen: een spoortje pulp helpt bij het fijnwrijven). Doe de kruidenprut pas op het laatst bij de aïoli en roer alles goed door elkaar. Zet een half uurtje in de koelkast zodat de smaken in elkaar kunnen trekken. Voor gebruik even op kamertemperatuur laten komen, maar haal niet méér uit de koelkast dan je denkt te gebruiken; er zit rauw ei in. De in de koelkast bewaarde aïoli is ongeveer een week houdbaar. Wel goed controleren: zodra het er anders gaat uitzien, of ruiken (al is het maar een klein beetje) meteen weggooien! Een voedselvergiftiging heb je zo.

Aïoli wordt hier (Provence) gegeten met hardgekookt ei, rauwe selderijstengels, kort gekookte wortels en haricots verts, gekookte aardappelen (rattes, roseval, maar krieltjes kunnen ook heel goed) en stokvis, maar eigenlijk kun je net zoveel variëren als je wilt. Ik vind broccoli, gekookte bietjes, komkommer, kabeljauw, zalm, of gamba’s, of (lams/varkens)koteletjes er ook goed bij passen, om maar wat te noemen. Ook met patat vormt aïoli een prima combinatie. En je kunt wat aïoli -beetje verdund met bijvoorbeeld wijnazijn- ook prima gebruiken als sladressing. Vergeet het stokbrood en een koel glas rosé niet!

Een dagje Rome

di 5 augustus 2014

rome duifGoed, ik was dus even in Rome. Niet geheel vrijwillig (zie hier) maar ’t is wel een favoriete stad (ik ga liever niet naar Parijs en nog langer vliegen ook) en dan moet je blij zijn met de kans er zomaar op een doordeweekse donderdag rond te struinen. Dat viel tegen.
Tuurlijk, ik was er al een paar jaar niet geweest, een stad verandert. Maar het begon al bij het vliegveld. Je moet een taxi, de reguliere busverbinding was geen optie, om op tijd voor de afspraak op de ambassade te zijn. En dat ruiken ze hè, die taxichauffeurs. Het standaardtarief à raison van € 48 staat netjes op de flanken van de auto vermeld, en binnen op de rug van de chauffeurszetel. Maar je bent nog niet ingestapt of de prijs schiet omhoog. Wegens? Geen idee, maar ga maar eens in discussie met een verbeten Romein als je overduidelijk haast hebt en de taal maar amper machtig bent.
Bovendien discussiëer ik liever niet met een chauffeur die met zo’n 100 km over de autostrada racet terwijl hij door de stratengids van Rome bladert omdat hij geen idee heeft waar hij je moet afzetten. Had je maar gewoon naar het Colosseum of het Vaticaan moeten willen.
Bon. Na gedane zaken op de ambassade (hulde voor de adequate en vriendelijke dames daar) viel er tijd stuk te slaan; de terugvlucht was pas begin van de avond. Ouderwets rondje Rome dan maar.
Ik heb er een paar vaste stekkies: een terrasje tegenover het Pantheon, een eethuisje in Trastevere, een hotelletje naast het parlementsgebouw aan de Piazza de Montecitorio, en Tazza d’Oro, het beste koffiehuis van de stad. Of misschien wel van de wereld. Ik ben ze allemaal verwachtingsvol langs gegaan. Wat een deceptie.
Opgelucht neerzijgend op dat terras op de Piazza della Rotonda vielen al meteen twee dingen op. Alle katten de normaal gesproken rond het Pantheon zwierven, waren weg en dat is ondenkbaar: er bestaat zelfs een speciale kalender (tophit in de soevenierwinkeltjes) ‘Gatta di Roma’ van die zwervers, die gewoonlijk door passanten en dierenbeschermers vertroeteld worden. Het had iets unheimisch, ik verdenk een kattenmeppende overheid. Ik miste ook de vertrouwde, in het zwart gehulde, extreem krom gebogen bejaarde dames die zich tot de professie van bedelares bekeerd hadden. Ik gaf meestal wel wat, ik bedoel: je zult maar zo armoedig eindigen. Tot ik een keer volstrekt per ongeluk zag hoe ´mijn bedelares´ van misschien wel 100 jaar een paar straten verderop zonder enige assistentie in een Mercedes stapte. Een naïef kind ben ik altijd gebleven. Wat eigenlijk ook zo verkeerd niet is.
De bediening op het terras was overdreven vriendelijk, de prijzen ongelofelijk onvriendelijk.
Hetzelfde gold voor het terrasje van m’n favoriete hotelletje waar ik voor ´old times sake´ alleen maar langs liep: € 18 voor een glaasje bier en een glaasje proscecco. Ik verdenk de crisis.
Gelukkig was er een duif die vond dat ie voor die prijs recht had op onbeperkt borrelzoutjes. Wij vonden dat ie gelijk had. En verder kregen we er een gratis wisseling van de wacht voor het parlementgebouw bij. Maar alleen tot de hoek; zodra de wachters aan de rand van het plein kwamen, slenterden ze -het geweer losjes langs de heup achter zich aan slepend- een zijstraatje in.
Dat eethuisje in Trastevere dan. Sabatini heeft sinds 1958 een reputatie op te houden en dat is tot in deze eeuw goed gegaan. Maar nu zit de sleet er op. Amper een tafeltje bezet (nota bene in het hoogseizoen), een lamlendige bediening en zelfs m’n favoriete gerecht -piccata di vittelo al limone- smaakte smakeloos. Het enige aroma kwam van de ventilator die ruimhartig geparfumeerd water ter verkoeling over ons tafeltje spuugde.
Kopje koffie dan maar, in ´mijn´ koffiehuis´. Maar de begeerde kopjes (ze verkopen er doorgaans àlles, van bonen en balen tot meubilair en serviesgoed) waren ineens niet verkrijgbaar.
We zwierven nog wat rond. Ik heb nog nooit zoveel Chinezen gezien die -aan elkaar klittend- iedereen die de horde dreigde te splitsen van het trottoir elleboogden. En nog nooit zoveel smakeloos verpakt toeristenvlees van ‘all over the world’. Een maatje groter, een paar centimetertjes langer, en de wereld ziet er een stuk aangenamer uit.
Op de terugweg in het vliegtuig zei ik tegen mijn man: “Toch maar liever ons Provençaalse gehucht”. Hij knikte. De rit vanaf het vliegveld naar huis duurde ineens opmerkelijk kort.