Home

De ‘bataves’ zijn hier!

do 31 december 2015

ride-the-sky-4
Gisterenavond tegen twaalven ineens rare doffe knallen. Geen jagers, dat klinkt anders.
En de Monegasken een stuk lager op de berg konden het ook niet zijn, die bleven knalfeesten in Monaco.
Niks afgelast daar, zoals hier in Saint-Tropez en Saint-Raphaël, vanwege dieptreurige terreurdreiging.
Er steeg gejuich op uit de vallei, plus een helder verstaanbaar ‘Potdomme kærel, dat wordt een toppertje môrrege. Cheers!’ Geluid draagt hier nogal ver in een heldere nacht.
Hollanders! Vakantievierders, en zo te horen raszuivere ‘bataves’, blijkbaar bezig met een proefvuurwerkje voor vanavond, oudejaarsavond. Ik overwoog even de gendarmerie te bellen, maar de verraderlijke NL-kliklijnmentaliteit is de mijne niet, dus daar zag ik vanaf. Een brul naar beneden leek me zinloos, men was duidelijk teveel met zichzelf in de nopjes om een ‘autochtoon’ serieus te nemen.
Dus dat belooft wat vanavond. Jawel, ik heb serieus overwogen om de echtgenoot mee op sleeptouw te nemen naar een restaurant. Maar dat hebben we al eens gedaan. Jawel, Sylvestre vier je hier normaal gesproken buiten de deur, bij voorkeur in een heus sterrenrestaurant, al moet je er een jaar voor sparen. En iedereen komt – opgedoft in glitters en glimmers – keurig op tijd, zo ongeveer de enige keer in het jaar dat dat gebeurt. De maaltijd heeft veel weg van een kerstmaal, met één uitzondering: met oud en nieuw eet je oesters. Die staan dus overal op het menu. En die lust ik niet. Althans niet rauw, ik maak ze doorgaans op een bedje van spinazie, gegratineerd met champagnesaus; doen ze niet in zo’n restaurant. De echtgenoot eet bovendien geen vlees, terwijl dat doorgaans rotsvast zit ingemetseld in het verplichte nee-geen-keuzemenu. Waar geheid ook foie gras op figureert, waar we allebei om diervriendelijke redenen van gruwen.
Voorts werkt de staf van zo’n restaurant in moordend tempo naar het hoogtepunt van twaalf uur. Exact op dat tijdstip dient het dessert op tafel te staan, vergezeld van een glaasje bubbels. Daarna barst de nieuwjaarswensgekte los, die in uitbundigheid nogal kan variëren. In de sjieke restaurants geven alle aanwezigen elkaar een keurig handje en toost men op het nieuwe jaar. In het eethuisje om de hoek zijn tegen middernacht ruimhartig de hoedjes, de toetertjes, de serpentines en de spuitbussen met akelige plak-guirlandes uitgedeeld om het feestgedruis luister bij te zetten. De eerste keer dat ik het meemaakte (inburgeren!) vond ik het al helemaal niks. Zeker niet, toen er vervolgens ook nog een dansje moest worden gedaan en uitgerekend die gladjanus uit het dorpcafé lippenlikkend op me afkwam; weigeren is op zo’n pril nieuwjaarsmoment geen optie. Ik heb daarna oprecht nog een paar keer geprobeerd om het leuk te vinden. Dat is niet gelukt. Oud-en-nieuw vier ik uitsluitend nog thuis. Dus ik zet de tv wel wat harder als Herman Finkers straks langskomt. De eerste ‘petards’ zijn alweer losgelaten; gezellig. Ik hoop oprecht dat onze adoptiehond Turc ook tegen het grotere vuurwerkgeweld van straks bestand is.
En mocht de pokkenherrie vanuit het dal vanavond echt te gek worden, dan gooi ik er morgenochtend vroeg – als ze allemaal hun roes nog liggen uit te snurken – knalhard de Brandenburgse van Bach in! Daar kunnen mijn honden heel mooi bij huilen. En verder denk ik met weemoed terug aan de tijd dat je hier met oud en nieuw slechts een enkel eikeltje op het bosmos kon horen ploffen en alleen de stralende sterrenhemel voor ‘vuurwerk’ zorgde.
Iedereen een bonne année, bonne santé, bien arrosé! Behalve die ‘bataves’ in de vallei natuurlijk. Die wens ik van harte een knallende koppijnkater. Mwah, gaat vast vanzelf.

Sopa-de-Ajo-2-MR
Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Hier in Frankrijk hebben we maar één kerstdag, maar daar wordt flink werk van gemaakt dus die telt voor twee. Na alle gestress en geboodschap heeft iedereen dat kerstmenu nu waarschijnlijk wel onder controle. En voor de Hollandse tweede kerstdag staat ook alles vast al gepland, dus daar bemoei ik me niet mee. We gaan meteen maar naar zondag, want dan moet iedereen natuurlijk uitbuiken en bijkomen. Asjeblieft geen ingewikkelde recepten meer en geen copieuze maaltijden. Maar tien tegen één dat er halverwege de dag of zo tegen de avond toch wat begint te knagen. Dan is een licht verteerbaar soepje lang niet verkeerd. Zeker niet als het ook nog eens een pittige oppepper is, zoals deze hartige knoflooksoep. Zo gemaakt en uitstekend voor de spijsvertering. Bon app!

Ingrediënten:
1 liter bouillon (runder of kip)
1 grote ui
8 tenen knoflook
1 preitje
1 ei
1 rood pepertje (of een lik sambal)
1 bosje platte peterselie (of ½ bosje gekrulde)
scheut droge witte wijn
4 sneden boerenbrood
olijfolie
ketjap

Bereiding:
Trek de bouillon van runderschenkel of kipkarkas, of gebruik een bouillontablet.
Pel en snipper de ui.
Pel de knoflooktenen, snij twee tenen in dunne plakjes, de rest gaat straks door de knijper.
Haal het donkere groen, de wortelkont en het buitenste blad van het preitje, snij de rest in dunne ringetjes.
Snij het pepertje doormidden, haal de zaadjes eruit en snij de peper ragfijn. Of gebruik straks een lik sambal.
Hak de peterselie fijn.
Klop het ei los in een kommetje.
Breng de zelfgetrokken bouillon (of een liter water met bouillontablet) aan de kook.
Verhit intussen een scheut olijfolie in een koekenpan en fruit de ui erin aan. Knijp de hele knoflooktenen er boven uit, doe de preiringetjes erbij, plus een scheut witte wijn, roer nog heel even om en kieper de prut in de hete bouillon.
Doe beetje bij beetje het pepertje (of de sambal) erbij en proef elke keer of het pittig genoeg is.
Doe er een scheut ketjap bij; dat geeft een mooi kleurtje en maak het zouter, niet teveel tegelijk dus.
Voeg de peterselie en de apart gehouden knoflookschijfjes toe, roer om en draai het vuur uit.
Daarna het losgeklopte ei onder goed roeren aan de soep toevoegen, zodat er sliertjes ontstaan.
Leg in vier diepe borden een snee brood en giet de hete soep erop. Als dat te machtig is, het brood er los bij geven. Plus een ferm glas rood; dat helpt meteen de knoflookdampen te verdrijven.

Het truffelincident

do 24 december 2015

trufflecoulommiers_31
Bij de grote supermarché een dorp verderop doe ik niet graag boodschappen. Geef mij maar de lokale middenstand, een boertige cave in de buurt en de onvolprezen marché paysan. Maar soms kom je er niet omheen en dan schuif ik toch langs de overvolle schappen waartussen ik me suf zoek naar dat wat ik elders niet kan krijgen. Op mijn rondgang kwam ik langs de vers-toonbank met een enorme uitstalling aan kazen en kon het boven vitrine zwabberende bord waarop werd aangekondigd dat er een speciale aanbieding van truffelbrie was, niet over het hoofd zien. ‘Fabrieksbagger met een chemisch truffelsmaakje’ dacht ik onmiddellijk. Tot mijn oog viel op het bordje dat in de kaas stond geprikt en waarop de naam van een vermaard restaurant hier in de buurt vermeld stond. Dat veranderde de zaak; ik liet een stukje afsnijden en inpakken.
Ik ben dol op lekker eten. En op truffel. Gezien mijn verleden mag dat gerust een wonder heten. Voor m’n werk – redacteur/recensent van de toentertijd bekendste restaurantgids van Nederland – moest ik jarenlang veel te vaak in belachelijk dure restaurants aanleggen. Dat lijkt leuk, maar het was gewoon keihard werken. En dan heb ik het niet over het korte tijdsbestek waarin die hele gids geschreven moest worden. Over de eindeloze carrousel van topkoks en restaurateurs. Wie zat waar, welke coup was er gepleegd, wie ging failliet, waar werd een nieuwe tent geopend, en met wie dan wel, oude chef, nieuw talent, bij voorbaat kansloos, succes verzekerd… Honderden rapporten en menukaarten doornemen, zo’n vijfhonderd recensies schrijven, we maakten dagen van vijftien, zestien uur en als het niet anders kon werkten we desnoods zeven dagen per week en haalden een nachtje door. Ik kon er ook steeds slechter tegen dat je een restaurant kon maken of breken: een goede kritiek zorgde voor meer gasten, soms schoot de omzet zelfs omhoog, een slechte kritiek betekende gegarandeerd een omzetdaling, het verlies van een ster, misschien wel een faillissement. Maar waar ik letterlijk misselijk van werd waren de periodes van het jaar waarin je zes keer per weekend uit eten moest – lunch en diner – zodat je op het laatst al bijna begon te kokhalzen als je zelfs maar etensgeuren rook. Dat heeft me nog lang achtervolgd.
Net als dat wat in de huiselijke kring ‘het truffelincident’ is gaan heten. Een absoluut dieptepunt in mijn restaurantcarrière, ook al was het per ongeluk.
In La Rive, het restaurant van het Amstel Hotel, kreeg ik een dameskaart, zo’n menukaart waar geen prijzen op staan, alleen gerechten. We waren in druk gesprek verwikkeld, de ober drong aan op een keuze. Ik had kort daarvóór voor het eerst van m’n leven truffel geproefd, en zag een voorgerechtje van gerookte aardappel en truffel op de kaart staan. Het leek me heerlijk, en dat was het ook. Ik mocht zelf een truffel uitkiezen uit een zilveren bokaal die de ober met witte handschoenen aan eerbiedig voor m’n neus hield. Ik wees op een kleintje, ik ben niet zo’n grote eter, en dacht dat er wat van over de gerookte aardappel geschaafd zou worden. Niet dus, ik kreeg het hele ding. De eindafrekening voor m’n voorgerechtje bedroeg 120 gulden. Ik heb nooit meer ergens een dameskaart geaccepteerd. Ja toch, vele jaren later in La Tour d’Argent in Parijs, waar een zakenrelatie trakteerde. Bij wijze van hoge uitzondering stond er één prijs op die dameskaart: bij de kaviaar: € 190 per voorafje. Waarschijnlijk om ‘meneer’ straks bij het afrekenen geen hartverzakking te bezorgen als ‘mevrouw’ zonder voorkennis zou hebben gekozen. Ik lust het spul niet, dus dat kwam goed uit.
Maar van een stukje truffelkaas zonder kapsones kan ik heel gelukkig worden. Zeker als ie in de aanbieding is.

Schermafbeelding 2015-12-18 om 14.54.06 Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

De echtgenoot eet geen vlees. En de echtgenoot gruwt van bloedworst, net als ik trouwens. Hij priemde dan ook een beschuldigende vinger naar de dikke, witbestofte worst die ik zojuist vanuit de koelkast naar het aanrecht had overgeheveld.
“Dat gaan wij toch niet eten hè?!”
Ik greep mijn kans: “Tuurlijk wel, ’t is maar een voorafje. Wil jij er wat dunne plakjes van snijden asje? Begin ik alvast aan het hoofdgerecht.”
Vol ongeloof haalde hij het scherpste mes uit de keukenlade en zwaaide er theatraal mee boven de worst: “En hoeveel plakjes dacht ‘madame’ te gaan savoueren?” Met de nadruk op madame.
“Mwah, stuk of drie….”
Met afgewend hoofd zette hij het mes in ‘het monster’ op de snijplank, keek toch maar eens, keek nog eens, en zei toen iets dat ik hier niet zal herhalen, maar dat erop neerkwam dat ik een raszuivere MMS-trut was. Hetgeen klopt: valser dat dat maken ze ze niet.
De echtgenoot had zojuist kennisgemaakt met een onvervalste saucisson au chocolat. Geen voor- maar een nagerecht, dat oorspronkelijk ter hoogte van Lyon het levenslicht zag maar al snel naar het zuiden afzakte en in de aanloop naar kerst op bijna geen enkele Provençaalse dis ontbreekt. Al mag een plakje van deze rijkgevulde chocoladeworst bij een kopje koffie of thee natuurlijk ook.

Ingrediënten:
200 gram pure chocolade (minimaal 70%)
100 gram echte boter (géén margarine of andere onzin)
1 eetlepel suiker
50 gram dikke honing
20 gram amandelen (gepeld, ongezouten)
20 gram hazelnoten (gepeld, ongezouten)
20 gram pistachenootjes (gepeld, ongezouten)
20 gram geconfijte vruchtjes
50 gram petit beurres (of andere harde koekjes)

Bereiding:
Breek de chocolade in stukjes, doe ze in een kom en smelt de choco ‘au-bain-marie’ (door de kom in een pan met heet water te zetten) of in de magnetron.
Hak intussen de noten en de geconfijte vruchtjes fijn.
Breek de koekjes in stukjes.
Haal de kom van het vuur of uit de magnetron zodra de chocolade gesmolten is. Doe de in stukjes gesneden boter samen met de honing bij de chocolade en roer door elkaar. Zet nog even terug op het vuur (wel in die pan heet water hè!) of in de magnetron tot alles mooi versmolten is. Zet de kom op het aanrecht en gooi de noten en de vruchtjes erbij, roer dor elkaar, laat een beetje afkoelen en voeg dan pas de koekstukjes toe; roer alles nog eens voorzichtig door elkaar zodat de boel mooi verdeeld is. Laat tot lauwkoud afkoelen: er moet nog wel wat beweging in de massa zitten, maar hij moet niet meer weglopen.
Leg een ruim vel aluminiumfolie op het aanrecht en schep de choco-massa er aan één kant – over de hele breedte – op. Rol de massa strak in de alufolie, tot een dikke worst. Leg die een uurtje of wat in de koelkast om op te stijven.
Pulk de alufolie eraf en wentel de worst door de poedersuiker, zodat het net een echte bloedworst lijkt. Snij er plakjes vanaf, geef daar eventueel een klodder slagroom bij.

Hoge nood toestand

do 17 december 2015

Vigilance_(United_States_Navy_poster)Zojuist een goede gast naar de aeroport gereden. Vlekkeloos, geen gedoe op het vliegveld, geen problemen onderweg. Dat was wel anders toen hij aankwam. Niet lang daarvoor had president Hollande op tv aangekondigd dat we ‘en guerre’ waren en dat hij de ‘état d’urgence’ had afgekondigd.
In oorlog? Noodtoestand? Toen, voor de tv, moest ik ineens even aan mijn ouders denken die het bombardement op Rotterdam hebben overleefd.
Ik heb nooit eerder in een land ‘in oorlog’ gewoond, waar de ‘noodtoestand’ van kracht is. Raar, en minstens een ongemakkelijk gevoel. De volgende ochtend om een uur of zeven vlogen er straaljagers over mijn huis; ik woon nogal dicht bij het grootste militaire oefenterrein van Europa, er is en luchtmachtbasis in de buurt. Mijn honden blaften woedend terug: ‘Oorlog? Kom maar op’. Tja, makkelijk spierballenblaffen, vanuit een comfortabel bankstel met weinig waakse activiteiten om poten.
Ik lag er wèl wakker van. Oók omdat ik iemand moest ophalen van het vliegveld van Nice. In het relatieve holst van de ochtend.
‘Misschien iets eerder de weg op?’, suggereerde de echtgenoot. En draaide zich nog eens om. Hij wel, met z’n ongecompliceerde luxe-afspraak wat later die dag.
Het voelde niet echt lekker toen ik in de auto stapte. Bij het dorpsschooltje stonden ineens een soort dranghekken, blijkbaar midden in de nacht geplaatst vanwege de van overheidswege verplichte ‘vigilance’. Het leek me een bescheiden verdediging tegen eventueel terrorisme of oorlogsgeweld in ons dorpje.
De rit naar de aeroport verliep zonder problemen; twee péages door en nergens zelfs maar een gendarme gezien. Ik arriveerde dus bijna extreem te vroeg en werd verwelkomd door een brigade machinegeweren die me onderzoekend monsterden. Daar houd ik niet van, maar ik snapte wel dat er even in mijn handtas – in de huiselijke kring bekend als ‘die hutkoffer’ – gekoekeloerd moest worden. Er had inderdaad met gemak een AK7 in verdwaald kunnen raken.
Een best interessante macho schoot in de lach toen hij een rolmaatje opdiepte. De dag ervoor had ik ergens iets opgemeten (‘meten is weten’) en ik was vergeten dat rekenkundige hulpstuk in mijn gereedschapskist terug te leggen. Bij verdere vorsing vond hij ook nog een zestal wegwerpaanstekers (die krijg ik nou eenmaal bij de tabac), twee plastic diepvrieszakjes (mijn doggybags, ik ben geen grote eter) en een paar in alufolie verpakte antihistamine-pilletjes (ik ben allergisch voor wespensteken). Hij bekeek me van top tot teen en weer terug. Even dacht ik dat hij alsnog de even verderop patrouillerende CRS ging inschakelen, maar zijn nieuwsgierigheid won het van zijn achterdochtigheid. Ik bedoel: wie heeft er nou een rolmaatje in haar tasje? We hebben nog een leuke boom opgezet over het inmeten van keukenkastjes.
Het duurde lang voor de gast die ik moest opvangen, door de glazen schuifdeuren zijn acte de présence invulde. Na de landing een hele tijd in de rij gestaan, er was strenge paspoort- en andere controle voor inkomende passagiers, ook als ze uit Schengen-landen kwamen.
Op de terugweg ging het een beetje mis. Vlakbij mijn dorp was er gendarmeriecontrole op een rotonde, we werden ‘staande’ gehouden, zo heet dat, geloof ik. Mijn gast, iemand met een minder Europees uiterlijk, toonde zijn papieren en werd ‘goedgekeurd’. Daarna was ik aan de beurt. Nederlands paspoort, Frans rijbewijs, of ik maar wilde uitstappen. De kofferbak van mijn auto werd doorzocht, ik gefouilleerd. Ik kan nu bevestigen dat er gendarmes met heel koude wandelende handjes zijn. En dat die fouillade eigenlijk door een gendarmette had moeten worden uitgevoerd. Maar godlof mochten we door!
Eindelijk thuis rende ik sneller dan Daphne Schippers naar het toilet: hóógnodig.
‘Noodtoestand?’ informeerde de echtgenoot een beetje besmuikt. En met zichtbaar plezier schonk hij onze gast een klaterend biertje in.

Schermafbeelding 2015-12-11 om 11.37.24

Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Ze waren er weer, bij de marché paysan, coeur de boeuf-tomaten. Van die indrukwekkende vlezige joekels waar je al bijna een hele maaltijd aan hebt, zeker als je ze vult. Leek me – volgestopt met bospaddenstoeltjes en nog zo het een en ander – een prima lunch-hap. Die paddenstoeltjes had ik net nog zien liggen, ergens achterin, in een klein kistje. Ik haastte me terug en zag uit een ooghoek vanaf de zijkant een hooggehakte dame met een riant opgekamd blond kapsel en een klein keffertje op de arm vastberaden naar ‘mijn’ paddenstoeltjes klikklakken. Ik gooide de turbo erop en net voordat ze haar lange laknagels in de vers geurende champignons de bois kon slaan, griste ik het hele kistje onder haar neus vandaan: “Pardon madame, reservée.” Ze keek me nijdig na terwijl ik inwendig grinnikend naar de kassa struinde; was ik die toeriste toch mooi te snel af geweest.
“Dat is dan € 34,75”, wreef de kassaboer van dienst zich tevreden in de handen. Ik keek van de vier tomaten in de milieuverantwoorde papieren zak naar het spanen kistje met champignons en besloot: daar gaan we dan maar eens heel lang van genieten. Want terugzetten? No way!
Bijzonder tevreden geluncht trouwens.

Ingrediënten:
4 grote (coeur de boeuf) tomaten
200 gram champignons (de bois)
½ bosje krulpeterselie
1 klein uitje
2 tenen knoflook
1 klein handje groene olijven (ontpit)
2 volle eetlepels parmesan
2 eetlepels paneermeel
olijfolie
peper en zout

Bereiding:
Verwarm de oven voor op 180 graden.
Ontkap de tomaten en haal het binnenwerk eruit.
Pel en snipper het uitje, pel en snipper de knoflooktenen.
Hak de peterselie fijn, met uitzondering van de dikke stelen.
Snij de olijven in ringetjes.
Boen of spoel de paddenstoelen aardevrij en hak ze in stukjes.
Meng de paddenstoelen samen met de peterselie, de ui, de knoflook en de olijvenringetjes door elkaar. Voeg eventueel nog wat zout en peper toe.
Meng in een schaaltje de parmesan en het paneermeel door elkaar en roer dat door de paddenstoelenmix.
Vul er de uitgeholde tomaten mee en giet er wat olijfolie overheen.
Laat de tomaten op een bakplaat in het midden van de voorverwarmde oven zo’n 20-30 minuten garen.
Warm serveren met wat (stok)brood erbij als het en lunch-hapje is. Maar als groentengarnituur bij een volledige maaltijd kan ook.

Een mannetje voor de deur

do 10 december 2015

Schermafbeelding 2015-12-07 om 16.48.37

Er scharrelde al enige tijd een enigszins verloren type met een schep aan de rand van het terrein. Na een paar dagen ging ik maar eens vragen wat hij nou eigenlijk aan het uitspoken was.
“Ah madame, amélioration routière.” Zijn accent kwam onmiskenbaar van de overkant van de Méditerrannée. En hij was blijkbaar van gemeentewege ingehuurd om de door everzwijnen verwroete bermen van onze chemin communale weer wat te fatsoeneren.
Of het een beetje ging, informeerde ik belangstellend, en of hij wellicht koffie bliefde. ‘Nee’ en ‘ja graag’. Hij wilde aan een uitgebreide uitleg beginnen en leunde al gezellig op zijn schop om me in een vertrouwelijke pose van alle ins en outs van het bermbeheer op de hoogte te brengen, maar het leek me beter om het vooralsnog maar bij die koffie te laten. Ik bracht hem even later zijn kopje en kreeg alsnog de volle laag. Het was allemaal niks gedaan, als hij op deze manier – met alleen een schop – die berm in oude glorie moest herstellen, kon het weleens tot Sint Juttemis duren. Nou ja… hij repte van een andere heilig verklaarde, maar daar weet ik zo gauw geen zinnig spreekwoord bij te verzinnen. Hoe dan ook, hij ging het anders oplossen, zodra hij als ‘entrepreneur indépendant’ budget van de gemeente kreeg.
Blijkbaar is het hem gelukt dat los te peuteren, want eergisteren verscheen er een vrachtwagentje dat een ‘pelle’ loste. Glunderend ploegde meneer Bensouda daarna de bermen af met zijn minigraafmachientje. Hopen verplaatsend, gaten dichtend, groef hij zich een weg lang de weg.
Iets te enthousiast. Gisterenmorgen kwam er een vloekende echtgenoot met ingeschuimde haren onder de douche vandaan. Die bleek inmiddels uitbundig buiten te sproeien; meneer Bensouda had de watertoevoer doorgegraven.
Hij vond het zelf ook heel erg, maar een klein dagje zonder water konden we toch wel? Die pelle moest aan het eind van de dag weer terug naar het verhuurbedrijf! “De kosten! Als hij nou snel zijn werk kon afmaken, repareerde hij – echt waar – ‘de suite’ die waterleiding.”
“Niet blij mee”, mompelde ik enigszins chagrijnig, maar ik bracht hem toch nog zijn kopje koffie, nadat ik de echtgenoot met een ferme fles mineraalwater van diens schuimcoupe had ontdaan.
Meneer Bensouda gromde verder op zijn machientje. Kort na de lunch – ik zat net lekker in een verhaal, de echtgenoot zat ook iets op zijn pc te componeren – patste de elektriciteit. Computers op zwart, gillende ‘onduleur’ (de noodaccu voor stroomuitval) en dan totale stilte, ook Bach’s cellosuites waren het zwijgen opgelegd. Alleen de pelle van meneer Bensouda bromde vrolijk verder.
Hij schrok zich rot toen ik ineens voor hem opdook; ik kan er tamelijk ‘en colère’ uitzien, ook zonder iets te zeggen. Gescholden had ik binnenskamers al, dus ik vroeg slechts hoe hij dit dacht op te lossen, wijzend op de kabels die achter zijn machientje als verloren takkenbossen uit de grond staken. Hij ging “….” (onverstaanbaar) en verdween schielijk met zijn auto.
We wachtten een uurtje en besloten toen dat het mooi geweest was. Ik belde Henri, de bevriende elektriciën van het dorp, die binnen tien minuten aan kwam scheuren, een snelverband aanlegde en constateerde dat de EDF erbij moest komen. We namen een glaasje en wachtten op de officiële stroomleveranciersbrigade. “Chomage technique”, grijsde Henri, maar keek toch een beetje beteuterd in z’n glas toen we niet al te vrolijk reageerden. “Minstens een halve week werk weg, cher ami.” De echtgenoot wees er nog even op dat mijn Frans vooral uitstekend is als er gescholden moet worden. Dat vrolijkte Henri op. Of het was zijn vervolgglaasje. Soit.
De man van de EDF kwam. En vloekte zich in het ondertussen pikkedonker – en slechts bijgelicht door de wankele zaklamp van Henri – een noodreparatie door.
Eenmaal binnen aan vanzelfsprekend ook een glaasje, wilde hij zijn licht wel laten schijnen over de kwestie. “Goed dat u gebeld hebt. Als straks de nachtstroom was aangegaan, was alle elektra in het huis gegrilld geweest.”
We waren hem vanzelfsprekend dood dankbaar. Reddende engel enzo, maar eigenlijk vond ik die forse verschijning met dat kale hoofd en dat dreigende voorkomen een beetje eng. Hij bleek behalve EDF-dépanneur ook nog reservecommandant bij de gendarmerie. En “ha ha, zeker, ja ja”, hij stemde Front National, je vraagt weleens wat om de conversatie gaande te houden. Ook straks bij de tweede ronde? “Natúúrlijk! Al die arabes het land uit.”
Hij werd godlof gebeld, nog ergens een spoedklus. We konden snel en beleefd afscheid nemen. Opgelucht ook, dat meneer Bensouda er geen getuige van was.
Bij het derde drankje ‘pour la route’ onder ons, zei Henri peinzend boven zijn glas: “Il n’est pas de notre, hein.” Hij is er niet een van ons.
Bedoelde hij meneer Bensouda?
“Non non,” die Bensouda was een best kereltje, beetje dom misschien, maar verder niks mis mee. “Non ce type de l’EDF.”
“Gewoon een Provençaal toch?”
“Oui, oui”, maar dat Front National zat hem niet lekker.
Ik snapte ‘m. In mijn dorp stemt meer dan 40% FN, al jaren trouwens. Maar het is toch een minderheid, wilde Henri maar even onderstrepen. Hij stemt al zijn halve leven Parti Socialiste. Over de FN-er waren we het roerend eens.
“Maak je geen zorgen, chère étrangière”, een soort van koosnaampje, en tapte de echtgenoot en mij nog eens royaal bij, “die tweede ronde winnen ze nooit. En dan gaan we nu een pizza eten op het dorp. Ik trakteer.”
We legden aan bij het mini-restaurantje van de Italiaanse schoonmoeder van de Portugese bouwvakker die iedereen het Spaanse haantje noemt. Kasia, de Poolse serveerster van het ‘echte’ restaurant bovenin het dorp die een avondje vrij had, schoof even later bij. Gevolgd door Moustique, die eigenlijk Moustapha heet, en aan zwembadonderhoud doet. En zo werd het nog heel gezellig achter de beslagen ramen van ‘la mama’. Het FN is niet meer ter sprake gekomen.