Regen, liefst met bakken tegelijk

20160412_175750-kopie

En weer is er vandaag geen druppel gevallen. Goed, de televisieweerman voorspelde slechts een enkel buitje. Maar het internet hield het op een paar flinke hoosplenzen aan het eind van de middag en de lokale krant vreesde zelfs hevige onweersbuien en beloofde vanochtend alvast ‘alerte jaune’.

Misschien komt het nog, maar de lucht is gewoon egaal lichtgrijs en er rommelt ook niks in de verte, dus ik heb er een hard hoofd in. Net als zo vaak de laatste weken, waarin de ene na de andere voorspelling niet bleek uit te komen. Het blééf maar mooi weer, met zon en lekker warm.
“Heerlijk toch?” zei bezoek steevast, “jullie boffen maar met zo’n mooie nazomer.”
Nou nee, dat doen we dus niet. Ik ben geen (wijn)boer en ik kijk wel uit om over mooi weer te klagen, maar ik moet die lui wel gelijk geven als ze die hele ‘été indien’ hartgrondig vervloeken. En de hele zomer erbij, want sinds het begin van dit jaar is er slechts 57 ml regen gevallen. Nee, da’s niks, en al helemaal niet genoeg om zonder bijwateren een behoorlijke oogst binnen te halen. En beregenen kost geld, dus er wordt stevig geklaagd in de kroeg.
Maar waar je bijna niemand over hoort – behalve een paar alerte natuurbeheerders – is het bos. Al weken zie ik de blaadjes van de dorstigste bomen slap aan de takken hangen. Zelfs de stoere eiken beginnen het moeilijk te krijgen en kleuren vroegtijdig bruin. Niet vanwege de herfst, maar vanwege watertekort. In het Massif de l’Estérel een kilometertje of wat verderop vallen meren droog en de rivier die onder ons huis langs loopt heeft zo’n angstaanjagend laag niveau dat zelfs de rivierkreeftjesfuikjes van de vriendelijke bejaarde visser aan de overkant boven water zijn gekomen. Hij wist niet hoe snel hij ze weg moest halen om te voorkomen dat de lokale veldwachter ze in het vizier zou krijgen. Niet speciaal omdat zijn gestroop illegaal zou zijn, daar valt altijd wel een mouw aan te passen, maar omdat de champêtre niet alleen dol is op rivierkreeftjes. Hij is bovendien een enorme ouwehoer. “Dan komt ie dus ‘gezellig’ langs” vertrouwde hij me toe, “en dan word ik de hele avond sufgeluld, en dan gaan niet alleen m’n rivierkreeftjes in één keer op, dan gaat ook m’n hele drankvoorraad eraan.”
Ik wenste hem geluk met zijn snelle ingrijpen, maar zag dat er vrijwel niks in z’n fuikjes zat: “Da’s toch nooit genoeg voor een maaltje?”
“Nee, ’t is ook al ver buiten het seizoen. Maar de champêtre weet dat ik een voorraadje in de diepvries heb. En als ie me betrapt móet ik hem wel uitnodigen. Om erger te voorkomen”, voegde hij er ten overvloede aan toe. En klauterde voor zijn leeftijd nog zeer behendig de steile oever op om snel in het struikgewas te verdwijnen.
Daar had hij nóg een goede reden voor. Ergens in de buurt hoorde ik het belletje van een jachthond klingelen. Dat kon maar één ding betekenen: jagers. En die moet je niet in de ‘vrije’ natuur tegenkomen. Al helemaal niet zonder felgekleurd hesje en met twee huishonden, zoals ik. Misschien een verdwaalde speurneus, dacht ik eerst nog optimistisch. Maar toen er een eind verderop een hels gehuil losbarstte wist ik genoeg: wegwezen!
Terwijl we veilig ons eigen erf opdraafden dacht ik aan de ‘moedersanglier’ die ik een paar weken geleden met vier ‘marcassins’ bij de paddenpoel – een mooi bekroosde plas naast de rivier – had gezien. De jonkies speelden in het water en werden er door moeder steevast uit gemept als ze te ver uit de kant dreigden te gaan. Ik heb er minutenlang gefascineerd en doodstil naar staan te kijken. Tot de honden ze ook in de gaten kregen en aansloegen. Het enorme everzwijn keek op, nam een aanvalshouding aan en dreigde dwars door het water heen op ons af te stormen. Ook toen was het wegwezen; ik wist niet hoe snel ik me/ons uit de voeten moest maken.
Maar nu, met een voortijdig dunbebladerd bos en steeds minder schuilplekken, met gebrek aan voedsel en slechts de rivier met z’n drooggevallen oevers zonder beschutting om aan water te komen, zullen het de sangliers zijn die bij het minste gerucht als een haas weg moeten wezen. Een naderende meute jagers of jachthonden aanvallen is geen goed idee. Al lukt het een enkele sanglier weleens om er eentje behoorlijk te beschadigen. En daar worden jagers en jachthonden wild van. Dan mag je als everzwijn hopen dat je sneller bent dan Max Verstappen. Of dat een schot ook meteen het genadeschot is. Of dat het onverwacht gaat hoosregenen. Want dan weten al die stoere jagers niet hoe snel ze weg moeten wezen: naar de kroeg, om bij een boordevol glas pastis over hun heldendaden te verhalen.

Kijk, Zuid-Frankrijk!

Een idee van Renée Vonk-Hagtingius, schrijver, journalist, copywriter, vertaler en hoofdredacteur van www.coteprovence.nl

3 gedachten over “Regen, liefst met bakken tegelijk

  • do 6 oktober 2016 om 19:15
    Permalink

    Mooi verhaal Renée!
    Bij ons wordt er ook veel gejaagd. Ik loop graag hard in de ochtend maar mét lichtgevende hes. En ze jagen hier heel veel op lijsters. De Fazanten zijn beschermd als ze op ons terrein lopen, gelukkig schuilen ze daar vaak. Nee wakker worden door knal, knal en knal is toch even wennen. Gelukkig is daar de oordop. Nog 11 dagen en dan zijn wij ook “Down under Europe”
    Kan niet wachten :)

    Beantwoorden
    • do 6 oktober 2016 om 19:40
      Permalink

      Ja, als je in het bos gaat hardlopen moet je zéker zo’n hesje aan Anne, groot gelijk! Met oordoppen slapen heeft hier trouwens niet zoveel zin. Als er jachthonden langskomen gaan de huishonden af en dat is zó oorverdovend dat doppen echt niet helpen. Alleen een grote bek van de baas ;-]

      Beantwoorden

Geef een reactie

%d bloggers liken dit: