Ik zag op Twitter een berichtje voorbijkomen. Een tweet van een van de hoogste officials van de regionale toeristenorganisatie in mijn departement, Le Var. Ik blijk – ook vanwege mijn magazine Côte & Provence – uitgeroepen te zijn tot een prima ambassadeur (Wat héét! De beste!) van het departement.
“Mooi zo”, dacht ik. En stiekem ook wel: “Eindelijk.”
Uitgelaten huppelde ik van kantoor naar het terras waar de rosé al klaar stond voor de lunch. We hadden een gast aan tafel, of eigenlijk vooral diens sporthond, die zou blijven logeren. Er bleek door de echtgenoot, remplaçant in mijn keuken en verder toch niks te doen behalve een beetje Ajax spelen met die vierpoter, tonijnpasta bereid. Natuurlijk weer niet geheel volgens mijn instructies. Maar onze gast was tevreden, zijn hond lustte ook wel wat, in elk geval een stevig stuk in de saus gedoopte baguette. Een brok chèvre ging er eveneens gretig in.
“Jongens! Ambassadeur!”, riep ik. “Voortaan dus maar netjes excellentie tegen me zeggen!”
Ik hief het glas op zoveel erkenning; ze hieven braaf mee en keken elkaar besmuikt aan. Om voor de hand liggende redenen wordt er wel vaker wat voorzichtig op me gereageerd, maar ik herinner me niet dat ik ooit eerder door drie mannen (ook de hond is een reu) met zoveel wantrouwen besnuffeld werd. Ik zag ze denken: “Rijp voor Maassluis.” Dat moet ik even uitleggen. In m’n geboortestad Rotterdam had je vroeger een rijmpje: Rotterdam, Schiedam, Vlaardingen, Maassluis, trappetje op: gekkenhuis; daar zat het Delta-ziekenhuis voor psychiatrie. Hier in de Var heet dat ‘prêt pour Pierrefeu’, een plaatsje met ook zo’n kliniek, maar het komt op hetzelfde neer.
“Ambassadeur!? Jij? Het idee!” klonk het unisono.
Ik legde uit waarom. En dat ik daardoor zo opgetogen was.
Moet je net gehuwd zijn met een Haarlemmer, die zo’n Nurks uit de Haarlemmerhouttuinen, dat stuk chagrijn uit de Camera Obscura van Nicolaas Beets, nog in de schaduw stelt. Ja ja, ik ken mijn klassiekers, èn de echtgenoot. Ik liet het exposé over de rol van de ambassadeur ‘en général’ in het huidig tijdsgewricht dus geduldig over me heen gaan. Kennelijk hield dat niet veel meer in dan wat recepties aflopen met het risico dat je een fysio moet bellen wegens pijn in je arm; een blessure, veroorzaakt door het vrijwel permanent heffen van te goed gevulde glazen. Dat leek me een sterk staaltje van overdrijving, zijn we in de Provence goed in, maar de echtgenoot excelleert. En na zo’n 17 jaar Provence-promotie middels een prachtblad als Côte & Provence en nog veel meer, kun je me niet wegzetten als ‘receptionista’.
Aan de andere kant, dacht ik: je kunt het qua vak slechter treffen.
Ik testte mijn nieuwe status, knipte met de vingers, en verdomd, mijn glas werd tot de rand toe bijgevuld.
“Een beetje ambassadeur heeft recht op een diplomatiek paspoort”, opperde onze gast vilein. “Hoef je op het vliegveld nooit meer in de rij”. Hij bracht het als een trouvaille.
“Deze ambassadeur heeft helemaal geen paspoort nodig”, gaf ik tegengas, “deze ambassadeur gaat hier nooit meer weg, zelfs niet voor een etmaal over de grens.” Ik bedoel, je bent ambassadeur of je bent het niet. Mijn ambassade is mijn thuishonk tenslotte.
Ik knipte opnieuw met de vingers en ik kreeg zowaar weer bijgevuld. Rosé uit de Var natuurlijk, what else?
Tevreden leunde ik achterover in mijn terrasstoel en sloot even genietend de ogen.
“De ambassadeur verstaat haar vak”, zei onze gast. “Ze pit.”
Toen legde de sporthond de bal in mijn schoot en was ik weer terug op aarde.
De espresso waarmee de lunch bekroond moest worden, zette ik zelf.
En met een zwierig gebaar zette ik er een punt huisgemaakte ‘gateau à la brousse’ naast; ook Provence-promotie.
Mooi vak toch wel, ambassadeur.