Automobiles: het jubeljaar 2018

Peter Hooft is journalist, columnist, levensgenieter en dwarsligger, en een rasmopperaar met ‘joie de vivre’. Hij is tevens auteur van de verhalenbundel ‘Provençaalse Praatjes’ (zie m’n webshop).

Liefhebbers en bewonderaars van Franse auto’s hebben dit jaar heel wat te vieren en te herdenken. Gaat gebeuren op de jaarlijkse Autosalon in Parijs, 4-14 oktober. Ik zal er niet bij zijn, Parijs is een beetje ver, ik ben niet van de feesten en memorials en ik graaf liever als een archeoloog in mijn geheugen.
Daar gaan we. De Citroën 2CV (Lelijke Eend) viert dit jaar zijn 70e verjaardag. Dat rechtvaardigt echt een feest, met champagne en al. Want die 2CV is volgens mij qua idee een stuk briljanter dan bijvoorbeeld de Concorde of de TGV, ik vind de Eend zo ongeveer het toppunt van Franse brille en innovatie. Gedateerd? Zal best, maar als je – nog voor de Tweede Wereldoorlog – als Citroën bedenkt dat er een extreem betaalbare volkswagen moet komen, waarmee je op de altijd (en nog vaak) zwaar geblesseerde weggetjes en paadjes van het platteland ook schadeloos eieren kunt vervoeren en dat lukt, dan ben je als autobouwer een Nobelprijs waard. Essentieel binnen het idee was trouwens ook dat je beschaafd met een hoed op achter het stuur moest kunnen zitten.
Ik heb heel lang ‘Eend’ gereden, mijn laatste was een witte. De ‘poor men’s cabrio’, en laten we wel wezen, technisch superieur en uiteindelijk onverbeterlijk. Je moest destijds wel heel dom zijn als je in Zuid-Frankrijk voor een andere vierwieler koos. Nou ja, dat concurrerende R4-tje van Renault had ook wel wat, en in bepaalde opzichten misschien wel meer. Voor een verhuizing, of zo. De auto’s (of pogingen daartoe) van Louis Renault werden in de Eerste Wereldoorlog al (en voor eerst) voor troepentransport ingezet, de Slag aan de Marne. Maar voor innovatieve techniek moest je bij André Citroen zijn, een ingenieur met een Amsterdamse familie-achtergrond. Ondernemer In Parijs, daar werd Citroen veranderd in Citroën, marketing ‘avant la lettre’.
Hele avonturen met mijn Eenden beleefd. Uitgerekend toen het een keer flink begon te regenen, kreeg ik het roldakje niet dicht, ter hoogte van de Gorges du Verdon begonnen de remmen raar te doen en op de autoroutes werd het een beetje linke soep als je heuvel op naar z’n drie terug moest schakelen. Ik verblijf in het ‘arrière-pays’, la Provence Verte. Heel veel mensen rijden er nog in een 2CV. Soms vraag ik: ”Mag ik even mee?“ Nostalgie? Zal wel. Maar verdomd, het is nog steeds een belevenis! Dat uit duizenden te herkennen geluid van het geringe motortje, die doordachte klapraampjes, dat nooit overtroffen veercomfort.
Op zijn 70e verjaardag is het straks in Parijs dubbel feest, want er kan tegelijkertijd getoast worden op de 50e van de Méhari. Ook zo’n bewijs van Franse progressieve creativiteit, de Eend als ‘jeep’, maar dan van plastic. Ik heb er een paar gehad. Het werd rouwverweking toen mijn legergroene werd verkracht door een gearroseerde wijnboer op een tractor aan wie het fenomeen van de achteruitkijkspiegel nog niet bekend was. Bij dat accident raakte mijn toenmalige hond dermate psychisch gewond dat hij daarna negatief begon te blaffen zodra hij een Méhari ontwaarde. Ik heb er nooit meer eentje bezeten. Ze staan – ook bij dealers – nog weleens te koop. Ik heb nu een andere hond, maar ja, iets van € 12.000 schijnt vandaag de dag een normale prijs te wezen voor een zoveelstehandsje en dat vind ik iets minder normaal. Geldt trouwens ook voor de Eenden-prijzen, moet je denken aan € 7.000 à € 9.000. Heb je wel een goeie, ‘gerestaureerd’ en al. Ik denk dan: een Eend restaureren, hoezo? Nou ja, veel andere oude kunst, iets van zo’n Van Gogh of zo, wordt ook gerestaureerd.
Moet ik het ook en vooral nog hebben over de 70e verjaardag van de Citroën HY, dat geribbelde busje, ook in 1948 gepresenteerd. Na de Eend de tweede geboorte van een Citroën-legende in één jaar. Als je tegenwoordig wat gaat eten bij een eigentijdse ‘food truck’, tien tegen één dat ze dan in zo’n HY wat voor je opwarmen, of althans iets bereiden. Het slaat nergens op, maar ik denk steeds, ha!, een HY. Dan zit het met het eten ook wel snor. Wat vaak het geval is, maar ik garandeer niks. Ofschoon de bijnaam van het busje, destijds in Parijs vaak ingezet voor het transport van arrestanten, ‘panier à salade’ was.
Er valt in de Franse autobranche dit jaar nog veel meer te jubileren. De Peugeot 203 werd ook in 1948 tijdens die Salon gelanceerd, al heette dat toen niet zo. Het was gewoon onthullen, door er een sober laken vanaf te trekken. Prima auto, heel modern ook, maar qua expo-attractie natuurlijk volstrekt kansloos vergeleken bij de 2CV.
De Peugeot 504 dateert uit 1968 en viert dus voor de vijftigste keer zijn verjaardag. Volgens mensen die er echt verstand van hebben de beste Peugeot ooit. Dat zal wel kloppen. Je hoeft maar ergens in Afrika rond te neuzen en je komt ze overal tegen. Als taxi’s en ook als ‘taxi de brousse’ voor als je buiten de stad moet wezen. Dat bewijst een soort onverslijtbaarheid; leer mij het Afrikaanse wegennet en de taxichauffeurs daar kennen.
Ik had niks met Peugeot. Wel een Frans paspoort heeft ie, maar amper iets van een opwindend ‘art de vivre’. ’t Is een rare gedachtekronkel, maar in mijn beleving waren Citroëns op een bepaalde manier frivool katholiek en Peugeots eerder streng protestant, beetje Calvijn, niet lekker geveerd ook. Een Citroën vergaf je pech, op een Peugeot werd je dan kwaad.
Tegenwoordig komen ze uit dezelfde stal: PSA. In oktober zullen ze stellig heel kostenbewust samen een herdenkingsdienst annex jubileumfeest organiseren. Oecumene, zou je kerkelijk kunnen zeggen. Ik zit toch meer in de sfeer van de teloorgang. Een Citroën is géén Peugeot, dat was zo en dat is zo.
Peter Hooft

Kijk, Zuid-Frankrijk!

Een idee van Renée Vonk-Hagtingius, schrijver, journalist, copywriter, vertaler en hoofdredacteur van www.coteprovence.nl

Geef een reactie

%d bloggers liken dit: