Catastrophe naturelle

“We komen sonderen”, verklaarde de jongen met het petje terwijl hij in het holst van de ochtend naast het terras uit zijn bestelbus sprong. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Ik kwam net omhoog geklauterd van een loopje met de honden en de kat langs de rivier. En vroeg, nog half buiten adem, of ze wel aan het juiste adres waren. Dat waren ze. Zijn collega knikte me vriendelijk toe, trok de achterdeuren van de bus open en vouwde een paar rijplaten uit. In de laadruimte zag ik een soort van kruising tussen een mini-stoommachientje en een baby-tractor staan. Met een druk op de afstandsbediening van de jongen met het petje kwam het tot leven; er ging een zwaailicht aan en knarsend en piepend op z’n metalen rupsbanden kwam het ding geheel zelfstandig de rijplaten afgekacheld. Met een stramme bocht zwaaide het apparaat richting de trap naar de cave, waar hij door de collega van de jongen met het petje gedienstig afgeholpen werd door steeds een houten balkje op de volgende tree te leggen.
Toen ik van de ergste verbazing bekomen was vroeg ik aan het petje wat ze dan wel precies kwamen sonderen. En waarom ik van niks wist. En of ze dachten dat ik daar zomaar toestemming voor zou geven. Nu was het de beurt aan het petje om verbaasd te zijn. “Maar mevrouw, u bent een catastrophe naturelle!” Dat vindt de echtgenoot soms ook, maar dat kon het petje niet weten. Die toonde me een orderbon. Hij moest in opdracht van de gemeente alle huizen in de omgeving van ons dorp controleren. Door de droge zomer van het afgelopen jaar was het grondwaterpeil ernstig gezakt, met als gevolg dat huizen waren gaan verzakken en scheuren. Van ‘Parijs’ had ons dorp – net als een aantal omringende dorpen – de status catastrophe naturelle gekregen. Zeg maar: overmacht door natuurgeweld. Als er schade werd vastgesteld, kon je voor een vergoeding in aanmerking komen. Mooi. Alleen, ik hàd geen schade. En ik had ook wel graag voor deze ochtendlijke invasie gewaarschuwd willen worden. Volgens het petje had ik een brief van de gemeente gekregen, volgens mij niet. Maar dat deed er nu niet meer toe, ze waren er. En ze gingen niet meer weg voor ze hun werk gedaan hadden, het rapport moest volledig zijn dus álle huizen moesten gesondeerd.
“Heeft u misschien een buitenstopcontact?”
“Wat gaan jullie precies doen?” wilde ik eerst weten, indachtig de wankele stroomvoorziening hier ten plattelande waardoor we de computers voor de zekerheid altijd via een ‘onduleur’ (accu/omvormer) laten werken. “Als dat apparaat van jullie stevige trek heeft, gaat het feest niet door hoor.”
“Nee”, schoot het petje in de lach, “’t alleen om m’n mobieltje in te pluggen, daarop kan ik de resultaten aflezen.” Hij wees naar de ‘groupe électrogène’ (generator) die zijn kompaan inmiddels naast het busje had geparkeerd. “Daar komt onze stroom vandaan. We gaan op de hoeken van het huis wat gaten boren, daar gaat een sonde in en dan kunnen we zien of de boel verzakt is. Dat is alles.”
“En hoelang hebben jullie werk?”
“Twee dagen”, klonk het nonchalant, en nee bedankt, koffie hoefden ze niet. Ramadan hè.”
Half gerustgesteld ging ik naar binnen, om me even later te pletter te schrikken van een enorme pokkenherrie. Er werden gaten gedrilboord in de keiharde rotsgrond waarop het huis is gebouwd. De echtgenoot kwam onthutst uit het kantoor gesneld: “Wat the f*ck!?” Hij wist nog van niks. Ik legde het uit.
Het werd een onrustige ochtend. Wellicht vrat dat apparaat dan niet onze stroom, het zorgde wel voor een permanente dreun door het hele huis zodat ook de computers stonden te trillen. Twee dagen zou deze ellende duren. Twéé dagen! Ik zag m’n geest al dwalen. En tenminste één computer naar de kloten gaan.
En ineens, om twaalf uur, viel alles weldadig stil. Ik ging kijken wat er gebeurd was. Voor de deur van de cave stond het apparaat zachtjes te piepen, het zwaailicht draaide in slow motion rond. Geen spoor van petje & kompaan te ontdekken, ook de bestelbus was weg. Pas aan het eind van de volgende ochtend kwamen ze terug, om het apparaat op te halen.
“Wat is de uitslag?” vroeg ik nieuwsgierig.
“Dat weten we pas als de metingen bestudeerd zijn”, zei het petje.
“En wanneer hoor ik dat?”
“Nou, als alle gegevens verzameld zijn wordt er een rapport opgemaakt. Dat gaat naar de gemeente, die stuurt het dan weer door naar Parijs, daar wordt het bestudeerd, daarna wordt het met een toe- of afwijzing teruggestuurd naar de gemeente, die gaat het dan bestuderen en dan beslist de burgemeester of en aan wie er wat wordt uitgekeerd. Dat kan nog wel een maand of wat duren. Of er gebeurt helemaal niks natuurlijk”, knipoogde hij vrolijk terwijl hij achter het stuur sprong. ‘Catasprohpe naturelle’ dacht ik cynisch, terwijl ik de bus nakeek.
Op weg naar het terras struikelde ik zowat over de kat die geconcentreerd met een pootje in de grond zat te porren. Ik schoof hem opzij en keek in een heel smal en diep sondage-boorgat. Op de bodem zag ik een dood muisje. Ook een catastrophe naturelle. Word je niet door een kat gepakt, dan wel door een boorploeg. We hebben tijdens het apéro een glaasje op het muisje gedronken.

Kijk, Zuid-Frankrijk!

Een idee van Renée Vonk-Hagtingius, schrijver, journalist, copywriter, vertaler en hoofdredacteur van www.coteprovence.nl

6 gedachten over “Catastrophe naturelle

Geef een reactie

%d bloggers liken dit: