Home

Hij zei het echt, al heeft ie het natuurlijk “nooit zo bedoeld” en zijn z’n woorden “verkeerd geïnterpreteerd.” Jeroen Dijsselbloem, de voorzitter van de Eurogroep en demissionair minister van Financiën in Nederland, was zich van geen kwaad bewust toen hij het in een Duitse krant zei: “Ik kan niet al mijn geld aan drank en vrouwen uitgeven en vervolgens om uw hulp vragen.” De bewindsman, door een briljante Britse verslaggever die moeite had met het uitspreken van zijn naam ooit aangeduid als ‘Daisselflower’, bedoelde er niks kwaads mee, zei hij later. Maar ja, bij ons in het zuiden hebben we soms aan een half woord genoeg. Natuurlijk ging het wél over ons in de zon, die een beetje flexibel met staatsschulden en zo omgaan. Schulden? On verra en vooral te zijner tijd.
Het verbaasde me niks dat heel Zuid-Europa verontwaardigd op de uitspraken reageerde. De premier van Portugal ging er met gestrekt been in en karakteriseerde de opmerking van de Nederlander als “racistisch, xenofoob en seksistisch”. De Portugees raadde Jeroen aan met spoed zijn Europese biezen te pakken. Een Italiaanse Europarlementariër noemde het “beschamend en schokkend” wat Dijsselbloem had gezegd.
Tja.
Ik dacht: dit is geen misverstandje, maar weer zo’n voorbeeld van noord tegen zuid, klompendenken versus l’art de vivre; ‘and never the twain shall meet’.
De normen en waarden van Calvijn, dat gaat niet in het overwegend katholieke en dus per definitie wat losbandiger Zuid-Europa. Regels zijn regels? Mwah, regels zijn er bij ons vooral om te kijken hoever je te ver kunt gaan.
Schuld en boete? Nou…, niet als je je er onderuit kunt rommelen.
Ik woon al een tijdje in het zuiden, helemaal tevreden. In het begin moest ik wel wennen aan de soepele omgang met de wet en meer van die dingen die in het noorden ‘netjes’ worden genoemd. Tegenwoordig denk ik ook vaak: “ach…”
Normen en waarden? Welke dan? En van wie? Die van het zuiden zijn volgens mij zo verkeerd nog niet. Het hemd is nader dan de rok, ik denk dat het daarop neerkomt.
Je hebt nu in Frankrijk, nee, eigenlijk voornamelijk in het nogal noordelijk gelegen Parijs, een hoop gedoe over gesjoemel in politieke kring. Fake-baantjes voor de kinderen en voor madame, gratis dure kostuums voor monsieur. “Nou én?”, zeggen ze in mijn dorp. Iedereen weet toch dat alle politici ‘pourri’ (rot, zeg maar corrupt) zijn? Niks bijzonders dat ze zich door vrienden peperdure maatpakken van exclusieve stoffen laten toestoppen.
“Had ik ook maar zulke vrienden!”, grijnsde de kasteleinse toen we het er deze week over hadden. “Politiek, da’s pakken wat je pakken kan, al is het maar een pak.”
Ik zat dat na de lunch met een fles marc de Provence binnen handbereik te overdenken in m’n serre. Naar de rivier en de regen luisterend, terwijl een gore griep zich via ogen en neus een weg naar buiten snotterde. Het was zomaar ineens pokkenweer geworden, alarmfase geel afgekondigd. Volgens de météo kwam die wateroverlast rechtstreeks uit het trieste noorden. Fijn, bedankt, ook een leuk ‘cadeautje’.
Heel even peinsde ik: zullen we die Dijsselbloem – binnenkort toch werkloos – van de zomer eens uitnodigen voor wat ‘couleur locale’ hier in de Provence? En hem dan met z’n allen in het café bijpraten over de charme van een wat minder ‘strak in het pak’ zittend leven onder de zon.
Doe maar niet, dacht ik er meteen achteraan. Die man zou zich doodongelukkig voelen in een omgeving waar niets gaat zoals gepland en zoals het volgens hem ‘hoort’. Nee, zoals Rudyard Kipling het in 1889 al zei in zijn beroemde Ballad of East and West: ‘never the twain shall meet’. Dus dat wordt niks.
Niet zolang de Dijsselbloem-achtige calvinisten blijven roepen dat we er in zuiden maar op los hoeren en snoeren en als de buidel leeg is, de hand komen ophouden bij ‘hun’ Brussel voor een korst brood (of een leuke bankgarantie) omdat we even geen tijd hadden om voor onszelf te zorgen.
De arrogantie van de noordeling die geen verstand heeft van levensvreugde, dat is het. In het zuiden heb je gewoon een opgewekter bestaan. Dat steekt blijkbaar. Jammer dan. En dat geld, dat verdienen we heus zelf wel, maar dan op onze manier. En natuurlijk zeggen we ook geen ‘nee’ als er schadevergoeding wordt aangeboden omdat we weer eens overstroomd zijn door tomeloze hoosregens uit het noorden van de vastgeroeste regeltjes.
Inderdaad, ‘La cigale et la fourmi’ uit de fabel van Jean de la Fontaine uit 1668. Over een muzikale krekel die de hele zomer zijn nijvere mierenbuurvrouw vermaakt tijdens haar werk, maar die van madame la fourmi geen hap te eten krijgt als het wintert en hij omkomt van de honger.
In het noorden werd dat verhaal uitgelegd als ‘wie niet werkt, zal niet eten’. Maar De la Fontaine bedoelde juist heel ironisch dat we meer waardering voor (levens)kunstenaars moeten hebben. Maar ja, hij werd dan ook op een wijnchâteau in de Champagne geboren en vierde vakantie in de Provence.


Ik zag op Twitter een berichtje voorbijkomen. Een tweet van een van de hoogste officials van de regionale toeristenorganisatie in mijn departement, Le Var. Ik blijk – ook vanwege mijn magazine Côte & Provence – uitgeroepen te zijn tot een prima ambassadeur (Wat héét! De beste!) van het departement.
“Mooi zo”, dacht ik. En stiekem ook wel: “Eindelijk.”
Uitgelaten huppelde ik van kantoor naar het terras waar de rosé al klaar stond voor de lunch. We hadden een gast aan tafel, of eigenlijk vooral diens sporthond, die zou blijven logeren. Er bleek door de echtgenoot, remplaçant in mijn keuken en verder toch niks te doen behalve een beetje Ajax spelen met die vierpoter, tonijnpasta bereid. Natuurlijk weer niet geheel volgens mijn instructies. Maar onze gast was tevreden, zijn hond lustte ook wel wat, in elk geval een stevig stuk in de saus gedoopte baguette. Een brok chèvre ging er eveneens gretig in.
“Jongens! Ambassadeur!”, riep ik. “Voortaan dus maar netjes excellentie tegen me zeggen!”
Ik hief het glas op zoveel erkenning; ze hieven braaf mee en keken elkaar besmuikt aan. Om voor de hand liggende redenen wordt er wel vaker wat voorzichtig op me gereageerd, maar ik herinner me niet dat ik ooit eerder door drie mannen (ook de hond is een reu) met zoveel wantrouwen besnuffeld werd. Ik zag ze denken: “Rijp voor Maassluis.” Dat moet ik even uitleggen. In m’n geboortestad Rotterdam had je vroeger een rijmpje: Rotterdam, Schiedam, Vlaardingen, Maassluis, trappetje op: gekkenhuis; daar zat het Delta-ziekenhuis voor psychiatrie. Hier in de Var heet dat ‘prêt pour Pierrefeu’, een plaatsje met ook zo’n kliniek, maar het komt op hetzelfde neer.
“Ambassadeur!? Jij? Het idee!” klonk het unisono.
Ik legde uit waarom. En dat ik daardoor zo opgetogen was.
Moet je net gehuwd zijn met een Haarlemmer, die zo’n Nurks uit de Haarlemmerhouttuinen, dat stuk chagrijn uit de Camera Obscura van Nicolaas Beets, nog in de schaduw stelt. Ja ja, ik ken mijn klassiekers, èn de echtgenoot. Ik liet het exposé over de rol van de ambassadeur ‘en général’ in het huidig tijdsgewricht dus geduldig over me heen gaan. Kennelijk hield dat niet veel meer in dan wat recepties aflopen met het risico dat je een fysio moet bellen wegens pijn in je arm; een blessure, veroorzaakt door het vrijwel permanent heffen van te goed gevulde glazen. Dat leek me een sterk staaltje van overdrijving, zijn we in de Provence goed in, maar de echtgenoot excelleert. En na zo’n 17 jaar Provence-promotie middels een prachtblad als Côte & Provence en nog veel meer, kun je me niet wegzetten als ‘receptionista’.
Aan de andere kant, dacht ik: je kunt het qua vak slechter treffen.
Ik testte mijn nieuwe status, knipte met de vingers, en verdomd, mijn glas werd tot de rand toe bijgevuld.
“Een beetje ambassadeur heeft recht op een diplomatiek paspoort”, opperde onze gast vilein. “Hoef je op het vliegveld nooit meer in de rij”. Hij bracht het als een trouvaille.
“Deze ambassadeur heeft helemaal geen paspoort nodig”, gaf ik tegengas, “deze ambassadeur gaat hier nooit meer weg, zelfs niet voor een etmaal over de grens.” Ik bedoel, je bent ambassadeur of je bent het niet. Mijn ambassade is mijn thuishonk tenslotte.
Ik knipte opnieuw met de vingers en ik kreeg zowaar weer bijgevuld. Rosé uit de Var natuurlijk, what else?
Tevreden leunde ik achterover in mijn terrasstoel en sloot even genietend de ogen.
“De ambassadeur verstaat haar vak”, zei onze gast. “Ze pit.”
Toen legde de sporthond de bal in mijn schoot en was ik weer terug op aarde.
De espresso waarmee de lunch bekroond moest worden, zette ik zelf.
En met een zwierig gebaar zette ik er een punt huisgemaakte ‘gateau à la brousse’ naast; ook Provence-promotie.
Mooi vak toch wel, ambassadeur.

Verstild geluk

maart 9, 2017

Rustgevend ratelenden de rolluiken van de tabac en de ertegenover gelegen épicerie aan het minieme pleintje van het dorp naar beneden. De laatste habitués verlieten het zondoorstoofde café-terras: “bon app, à plus.” De altijd accurate torenklok begon aan de slag van twaalf, hoewel het al tegen half een liep, en bleef gewoontegetrouw halverwege het klokkenspel hangen. En niemand die zich er druk om maakte. Gezapig gleed het dorp zachtjes in de siëstastand, zoals het een slaperig dorpje in de Provence Verte betaamt. Ik leegde mijn glas, kuste de kroegbazin een goede middag en vroeg me af waaraan we zoveel verstild geluk verdiend hadden. Dat had ik beter niet hardop kunnen doen. “Nou… geluk…” mopperde de waardin, “er zijn er die slapen, er zijn er die werken.”
Dat klonk smalend genoeg om om uitleg te vragen, die gaf ze graag: “Kijk, het is nu nog geen seizoen. Maar wij”, ze wees met een weids gebaar de kroeg in waar haar wederhelft achter de toog iets onduidelijks met stokbrood en plakken ham stond te knutselen – lunch, vermoedde ik, “wíj zijn gewoon open, óók tussen de middag, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds. Zes dagen per week.”
Ik kon het alleen maar beamen. Hier ging de deur om zes uur in de ochtend van het slot en om negen uur ’s avonds pas weer dicht. Dat zijn lange dagen, ook in een dorpje van niks met een minimale clientèle. Want je moet er toch maar zíjn voor die vaste clan die het beslist niet zou pikken als je ze de dagelijkse ochtendborrel met – nou, vooruit – een straffe espresso ernaast, op weg naar het werk zou onthouden. Of het apéro voor het avondeten.
Of ik al had gemerkt dat alle restaurants in het dorp dicht waren? Ja, dat had ik, de pizzeria, het serieuze restaurant, het snackhoekje en de crèperie hielden al sinds vorig jaar oktober de luiken gesloten: winterslaap. “Maar die gaan straks toch weer open?” vroeg ik verbaasd.
“Daar zou ik maar niet zo zeker van zijn”, snoof ze minachtend. “De pizzeria… goeie kans; ik zie al af en toe volk in en uit lopen. De ‘snack’… misschien in juli, augustus; hangt er vanaf of de eigenaresse deze winter een serieuze baan gevonden heeft of niet. De crèperie… die zijn gestopt; ze zaten meer zelf aan tafel dan hun gasten.”
“En die daar?” ik wees naar het enige serieuze restaurant dat het dorp rijk was, maar dat ook tijdens het hoogseizoen uiterst beknopte openingstijden hanteerde.
“Die?!” ze maakte een wegwerpgebaar. “Dat ‘genre’ komt heus wel terug. Om te cashen. Schandalige prijzen voor ‘quatre fois rien’, maar ’t staat in van die gidsen dus de toeristen trappen er toch wel in.”
Zo, dat was ze kwijt. Over m’n schouder zwaaide ze naar de middelbare knalroodharige van de tabac aan de overkant die met haar hond Eros (naar Ramazotti) langs gewandeld kwam. “En die houdt er ook mee op. De tabac staat te koop.” Ze keek me schattend aan, wetend dat ik goed was voor een aardige bijdrage in de sigarenomzet.
“Gelukkig hebben we jullie nog!” bracht ik er – misschien een tikkie te opgelucht – uit.
“Ach”, zei ze meewarig, “wist je dat nog niet? Zodra we een koper gevonden hebben houden we er ook mee op. Daar bij jou in de buurt is een ouwe, verwaarloosde camping. Die willen we graag overnemen.”
Van die klap moest ik even bijkomen. Niet alleen zou m’n stamkroeg wellicht voor wie weet hoelang op slot gaan. Er zou ook nog eens nieuw leven geblazen worden in de verwaarloosde camping aan de overkant van de rivier, vlakbij waar ik woonde! Ontredderd reed ik naar huis. Waar ik halverwege het krappe pad naar beneden werd aangehouden door de buurman van een stuk verderop. Of ik er bezwaar tegen had dat hij de hele middag ging debroussailleren, het onkruid schoot al hoog op, met dit mooie weer.
“Nee, tuurlijk niet!” En of hij wist van de kroegbazin en…
’t Is niet zo’ lachebekje, maar nu schaterde hij het uit. “Ach, zat ze weer op d’r stokpaardje? Maak je geen zorgen, ze heeft gewoon de lentekriebels. Die camping ligt in overstromingsgebied, nog geen paar jaar terug zagen we hier de caravans langsdrijven. Daarna heeft de eigenaar dat stuk grond te koop gezet. En toen is zij gaan dromen, dat ze ‘m kon overnemen, dat dat een leuke oude dag zou betekenen. Maar van de gemeente mag die camping nooit meer open.”
“Goddank”, voegde hij eraan toe, hij heeft het ook niet zo op toeristisch gedoe in z’n achtertuin.
‘Goddank’ dacht ook ik bij mezelf. Want goden moet je niet verzoeken, maar bedanken. Voor rustige dorpjes met dromende kroegbazinnen, voor slome burgemeesters die de vingers liever niet branden aan gevoelige vergunningen, voor slaperige horecava’s die pas uit hun ‘hivernage’ komen als het toeristenvolk op de luiken klopt, en voor een dagelijks bestaan dat je gewoon, zomaar mag meemaken.
Ik ging thuis een hapje lunchen, en voelde me even later bevestigd bevoorrecht toen ik aanschoof aan de buitentafel met een dampend bordje knoflookpasta en tevreden toezag hoe mij een glaasje rosé werd ingetapt. Volop in de zon, ik trok mijn trui uit, het was 9 maart.
“Chinchin!” zei ik, een beetje ontroerd.
“A nous!”, werd er gemompeld.
Verstild geluk genoeg in de Provence, dacht ik zo. La vie est belle! En ik nam nog een glaasje rosé.

Do you play cricket?

maart 2, 2017

1252-900-x-2006-e1413312795858

Ik was nog amper in mijn nieuwe dorpje ingehuisd, het was terrasjesweer, dus dat dorp moest dringend verkend worden. Je weet maar nooit of er in zo’n mini-gehucht niet toevallig een adresje zit waar lekker gekookt wordt. In het café, waar ik had aangelegd toen de verhuizers nog onderweg waren, had ik meteen al gehoord dat er qua lunch maar één possibilité is: de crêperie schuin boven de parkeerplaats. Men kuste er verlekkerd de vingers bij, maar mij trof die mededeling als een mokerslag. Ik ben niet zo van de crêpes, toen ik nog in Nederland woonde en met kinderen te maken had, reed ik altijd met een grote boog om van die pannenkoekenhuisjes heen. Het zal ermee te maken hebben dat ik een jeugdtrauma heb overgehouden aan een portie poffertjes op een Rotterdamse kermis. Strontmisselijk geworden, waarschijnlijk waren ze gebakken in bedorven boter of zo, je weet het niet. En mijn moeder had het vast goed bedoeld want ze trotseerde toch maar mooi voor mij die kermis, èn het kotskind dat ze eraan overhield. Die afkeer van gebakken deegplakken en -plukken is nooit meer overgegaan en resulteert ook nu nog in een extreem negatief eetadvies als iemand naar mijn mening vraagt. Verdacht voer!
En dan beland je dus vele jaren later in een Provençaals ‘no-where land’. Geen dokter, geen tankstation, zelfs geen pharmacie (en dat wil in Frankrijk wat zeggen). Mij best, overleven we wel. Maar voor de ‘restauration’ alleen maar zo’n gedoemde crêperie? Heel even overwoog ik de verhuiswagen rechtsomkeer te laten maken. Tot de kroegbazin me bijpraatte en vertelde dat die crêperie zo’n crêperie niet was. Er werd ook aan echt voedsel gedaan, maaltijdsalades, tartare de boeuff met friet, langoustines uit de diepvries, ik zou het maar voor het uitkiezen hebben. Zou het?
Op dag drie van de inhuizing, mijn keuken was nog een zooitje (‘punaise, in welke doos zit de knoflookpers?’), was de echtgenoot de woedende opwinding zat: “Meekomen.”
Van buiten zag de crèperie er niet verkeerd uit, klassiek Provençaals pandje, redelijk terrasje ervoor. “Ik waag het erop”, zei ik manhaftig. En een tikkie nerveus toch wel. Wat, als de kaart toch alleen maar over pannenkoeken ging? Demonstratief weglopen zou een belediging zijn. Niet ècht handig als je pas in zo’n dorp rondloopt.
Ik gluurde de omvangrijke eetzaal in; halfvol, dus plek. Maar het weer was te lekker, ik besloot voor het terras te kiezen. De kaart werd gebracht door een bulkbuikige monsieur met een grijs krullenkransje rond het hoofd en een moddervette Provençaalse tongval. Ik beheers die taal – een beetje – maar dan toch vooral het dialect van m’n vorige dorp, dat vanzelfsprekend mijlenver verschilt van wat in m’n nieuwe dorp op een steenworp afstand gesproken wordt. Maar het klikte meteen. Wat we wilden drinken? “Un rosé, bèn oui!” Hij knikte goedkeurend, en overhandigde de ‘gevreesde’ menukaart.
Goddank ‘slechts’ 15 crêpes. En verder allemaal Provençaalse traditionals! Ik koos voor de salade paysanne en begon tien minuten later aan de worsteling met een Eiffeltoren-hoog opgetast bord vol groenten en vleeswaren, tot mijn verbijstering ook nog eens begeleid door een volle bak patat. Eh, nee…, ik kreeg niet alles op en wist ineens weer in welke verhuisdoos ik thuis de rol plastic doggybagzakjes had gezien.
Aan het aanpalende tafeltje zat iemand met een vrij grote zwarte hond die mij wel goedkeurde; die hond dan. Nog nooit zo’n grote doggybag bij de hand gehad, er verdween vrij veel ‘per ongeluk’ onder tafel. Onopgemerkt, dacht ik, tot z’n baas een praatje aanknoopte. In het Engels. Hij had m’n worsteling goedmoedig gadebeslagen en uit onze conversatie afgeleid dat zo’n ‘étrangère’ ook de taal van Shakespeare wel snapt. Had ie gelijk in, maar zijn openingszet was ronduit verbijsterend: “So, do you play cricket?”
Pardon? Nou ben ik sportjournalist geweest, en nog altijd meer dan geboeid door voetbal en wielrennen. Maar cricket? Echt nooit gesnapt hoe dat spel in elkaar zit. Ik nam nog een slok van mijn rosé en vroeg me af: cricket, hier!?
“Not really”, zei ik dus, “but I beleave it is a great sport”, hij knikte al instemmend, “to doze off by on a sunny sunday…” Ik zag zijn glimlach verstarren en bood snel een glaasje rosé aan om de ergste schade te beperken. Waarop hij meteen enthousiast begon uit te leggen dat het dorp over een perfecte cricketbaan beschikt. En over een cricketclub. En dat men spelers tekort komt.
Ja, dank je de koekoek! Een rare Engelse sport in een niemendal gehucht in de Provence van amper 800 inwoners, gemiddelde leeftijd ver boven de 80. Schat ik, ik moet ze nog natellen.
Onderweg naar de grote stad 21 km verderop, kun je dat cricketveld zien liggen. Nog nooit iemand gezien daar. Behalve de chef grasmaaien dan. Ik heb dus later uitgezocht hoe het in vredesnaam mogelijk is dat dit miniatuur gemeente-tje aan zo’n professionele cricketvoorziening komt. Engelse expats, zo bleek, die met wat ponden in de mairie hebben gestrooid, en wellicht zelfs met Brussel hebben gebeld. Zal ze na Brexit niet meer lukken. Maar dat heb ik maar niet tegen de cricketBrit gezegd.
Voor komende zondag staat er zowaar een match op het programma tegen een Britse club uit de Vaucluse, we zijn van harte uitgenodigd. Misschien ga ik wel even kijken. Z’n hond heeft me gered tenslotte. En bij zo’n cricketmatch kun je inderdaad heerlijk in het zonnetje wegsuffen. Wie weet, word ik wel fan. Maar spelen? Dat doe ik wel met m’n teammate: die grote zwarte hond.

Zo simpel kan het zijn!

februari 27, 2017

16996007_10154577889138740_8701906481611184051_n

En simpelweg voor slechts € 16,95 te bestellen bij bol.com, Ako, Bruna, in uw lokale boekhandel, en direct hieronder (ook verzending naar Frankrijk):

2-boekjes-schermafbeelding-2016-11-21-om-15-04-59

Bestel nu                  Bestel nu

 

Gewoon, super

februari 23, 2017

2009-00004

Voor het eerst sinds lang weer eens naar Saint-Tropez geweest. Werk hoor! Niet vanwege lentekriebels die een onbedwingbare lust tot flaneren langs de superjachten van de rich & famous afdwongen. Maar een interview, met een dame die die lui allemaal kent, en aan een touwtje heeft. Voor haar hangt dat touwtje bij wijze van spreken overal ‘uit de brievenbus’. Personal assistant heet wat ze doet, en ze is er zó goed in dat niemand die St.Trop’ aandoet om haar heen kan. Heeft even geduurd voor ze die status bereikt had: “in het begin was het meer huilen dan lachen” erkent ze ruiterlijk, nuchtere Hollandse zonder kapsones. Wandeldend door ‘haar’ dorp, wees ze aan wat er recent veranderd was. “Daar! De gloednieuwe Chanel-shop. Dé boutique van heel Frankrijk! Hier komt àlles dat geld heeft.” Een statige oude villa, geheel verbouwd, en je moet er binnen door beveiligingspoortjes die – vermoed ik – al gaan gillen als je creditcard nog iets te warm is van vorige aankopen. Tegenover die shop het al even gloednieuwe Hôtel de Paris met behalve een fraai kunstwerk ervoor (de op z’n handen staande zwartbronzen ‘swimmer’ met gouden badmuts van Carole Feuerman) tal van vrolijke voluptueuze sculpturen van Niki de Saint-Phalle in de hal, en een imposante te moderne Rolls voor de deur. De meegekomen fotograaf schoot verlekkerd plaatjes. Ik keek met genoegen toe hoe de chauffeur met veel knap steek- en draaiwerk de mastodont uiteindelijk door de benarde toegang van de privé-parkeergarage wist te manoeuvreren. Wat daarachter kwam, hadden we al meegemaakt; minimale passages met veel te krappe draaien naar lagere parkeerlagen, waar zelfs een Fiat Panda nog in de problemen zou raken.
Voor het hotel strekte zich een modern gedachte steenvlakte uit, de nieuwe entree van Saint-Tropez, met aan de verre overkant de oude gendarmeriepost waar de klassieke lachfilms met Louis de Funès ooit waren opgenomen en die voorheen een speurtocht door nauwe straatjes vergde om er te komen. Ik had er in het verleden met genoegen door de raampjes gegluurd om de authentieke setting te zien. De oude platanen voor de deur waren gerooid, de gevel stond strak in de verse stuc en er was binnenin een net iets te commercieel museum gehuisvest; er viel weinig meer te lachen.
We wandelden door en streken neer op het terras van het befaamde Senequier aan de haven om verder te praten. Nog geen seizoen, dus lekker rustig, maar evengoed wel bijna 23 euro kwijt voor twee flesjes water en een kopje koffie. Was dit nou het vissersdropje waar Brigitte Bardot ooit verliefd op was geworden en nooit meer weggegaan? Van m’n gesprekspartner begreep ik dat ze deur van haar nabij gelegen landgoed La Madrague niet meer uitkomt, geen zin meer. Ik kan haar geen ongelijk geven. Zal ook wel te maken hebben met het gegeven dat ik sinds ik in Zuid-Frankrijk woon, verworden ben tot een onvervalste plattelandse. Zo’n uitstapje naar de ‘bewoonde’ wereld is leuk, tuurlijk! Maar o, wat was ik weer blij om m’n eigen gehuchtje van niks binnen te rijden. En dan dwars er doorheen, naar een stekkie van ‘quatre fois rien’, met een ruisende rivier achterlangs zonder superjachten. En toen ik even later de kaplaarzen aanschoot en langs de oever banjerde, zag ik wel mooi een koppel eenden afmeren. Da’s pas super, vond ik, en klom tevreden de heuvel op naar huis, waar op het zonnige terras een glaasje gekoelde rosé op me stond te wachten. Echt, daar kan geen Saint-Trop’ tegenop.

Bijgeloof

februari 16, 2017

schermafbeelding-2017-02-16-om-19-10-28

“Prachtig weer morgen”, beloofde het weerbericht van gisteren, “en vannacht niet kouder dan 8 graden. De temperaturen zitten ruim boven normaal!”
Dat viel vies tegen vanmorgen vroeg; de thermometer in de serre wees 2 graden aan, de autoruiten hadden ijsgordijntjes voorgeschoven, en mijn humeur kelderde prompt tot onder het vriespunt. In koude kaplaarzen (die hadden per ongeluk buiten overnacht) en met m’n geduffelde mottenballenjas tot aan de oren dichtgeknoopt stampte ik het ochtendrondje achter de honden aan.
“Een dag die zó begint, kan alleen maar verder fout gaan”, chagrijnde ik tegen de echtgenoot.
“Heb je haar weer met d’r bijgeloof”, schamperde hij terug.
Niet veel later viel het internet op het thuiskantoor uit. Volgens de standaardmededeling die Orange dan uit je telefoon laat tetteren (dat kan dus blijkbaar wel, terwijl ík niet kan bellen of internetten) is er een probleem met de verbinding: “Trek de stekker van de livebox eruit en plug opnieuw in, als het probleem aanhoudt, neem contact op met de technische dienst.” Maar de vaste lijn is dood, en via je mobieltje krijg je de mededeling dat je op de website moet kijken, en die is vanzelfsprekend onbereikbaar. Dus voor onbepaalde tijd gedoemd duimen te draaien. Chomage technique, zoals ze dat hier zo mooi noemen, technische werkloosheid.
‘Zie je wel’, dacht ik, ‘wat nou bijgeloof’.
Buiten hoorde ik de echtgenoot op het terras rommelen, ik ging kijken. En zag dat hij bezig was de terrasstoelen uit hun winterslaap te slepen. Niet zonder reden, de zon was intussen omhoog gekropen en het begon verdacht snel warmer te worden.
“Ha”, zei ik enthousiast”, dan pel ik de eettafel wel uit z’n jas.” ’t Is oud hout, dat moet ’s winters ingepakt. Ik had de ducktape nog niet van de lap beschermplastic afgetrokken of er schoof een wolk voor de zon.
“Zie je wel!” riep ik gefrustreerd.
Hij verklaarde doodleuk dat we buiten zouden lunchen. Hij kreeg gelijk; de internetstoring hield aan, de zon ook. Tja.
En dan raak ik in de war. Want volgens de streng gereformeerde opvoeding die ik genoten heb, bestaat het hele leven uit schuld & boete: beleef je iets leuks, dan kun je er de donder op zeggen dat er iets naars op volgt. Mooie weersvoorspelling? Mooi niet, rotweer! Ruim op tijd om een deadline te halen? Gaat niet lukken, internetstoring. Lekker genieten van een zonnige voorjaarslunch dan maar? Had je gedacht. Ho, wacht, die ging zomaar wèl door. Al was het op het randje, want toen ik binnen m’n zonnebril ging halen dreigde er opnieuw een zonsverduistering, maar de wolken dreven over.
“Raar”, peinsde ik hardop, “dat geloof heb ik allang een schop onder z’n kont gegeven, maar helemaal wegslijten doet het nooit; ’t blijft hangen als bijgeloof.”
“Nou…”, vond de echtgenoot, “ik zou het eerder doemdenken willen noemen. Als jij ’s morgens wakker wordt en ‘unruhe’ roept, kun je er vergif op innemen dat er die dag van alles mis gaat.”
Dat is waar, ik schijn dat te voorvoelen. Net zoals ik vaak weet wie er belt nog voor de telefoon gaat, of dat er een beroemdheid dood is omdat ik daar zomaar ineens aan moest denken, of dat ik vlak voordat de stofzuiger ontploft denk ‘die ontploft straks’ (waar gebeurd) maar ja, dan is het al te laat.
“Dan kun je toch ook de juiste lottocijfers wel voorspellen”, werd er getreiterd.
“Zou kunnen, maar je hebt er zo weinig aan als je pas weet welke balletjes winnen als ze bezig zijn te vallen.”
De zon hield er op dat moment weer mee op.
“Mooi geweest, we gaan aan het werk”, riep ik monter.
“Dus we hebben weer internet?”
“Zo voelt het”, wist ik zeker.
En zo was het.
“Speelde jij niet mee in de Staatsloterij?” vroeg de echtgenoot pesterig terwijl hij z’n bureaustoel aanschoof. “Nou, je hebt niks gewonnen.”
“Hoe weet jij dat?” vroeg ik verbaasd.
“Voel ik aan m’n theewater.”
Ik keek op m’n computerscherm, mail van de Staatsloterij. Inderdaad, niks gewonnen. Maar ja, dát wist ik natuurlijk allang.