Home

Winterjas

do 5 januari 2017

cotton_linen_big_sweep_long_sleeve_loose_casual_coat_women_clothes_w3101a_9
Afgesproken in het café vandaag. Dat vergt nu het zo koud is (je woont in de subtropen nietwaar) ongeveer de voorbereidingen voor een poolexpeditie. Er is een ‘binnen’ met de toog, drie krukken langs de tegenoverliggende wand van het smalle pijpenlaadje, en een tweetal tafeltjes achterin. Maar die zijn doorgaans bezet door de vaste klanten: de overjarige uitbater van het excentrieke mini-antiquariaat ernaast bijvoorbeeld, dat vooral in authentiek vergane landkaarten doet. De madame van de tabac tegenover de kroeg, die weliswaar gewoon open is, maar dáár is het eenzaam en vaste klanten weten haar toch wel te vinden. De man met de hoed die echt altíjd aanwezig is en van wie je zou kunnen denken dat hij opgezet is, ware het niet dat er af en toe geluid uitkomt. De belote-spelers die zelfs al verstoord opkijken als er iemand het toilet naast hun tafeltje wenst te bezoeken; er zou wel eens een kaartje kunnen verschuiven en dan is het spel verpest. Kortom, binnen kun je doorgaans niet zitten.
Blijft over ‘buiten’. Dat bestaat uit een luifel met een slechts aan de voorkant neergelaten plastic wand, die enige bescherming biedt tegen de elementen. Er zijn wel zijpanelen, maar die kunnen niet dicht, anders mag je er van overheidswege niet roken en dat doen de meeste dorpelingen met overgave. Het is er doorgaans dan ook drukker dan binnen. Wat niet betekent dat de warmtelamp die middenvoor nutteloos hangt te wezen, aan zou mogen: te duur, qua elektra. Wil je in dat Provençaalse Siberië overleven, dan moet je je er op kleden.
Ik groef er de kledingkast op na en kwam boven met een gewatteerde jagersbroek van de dump, een formidabele schipperstrui, thermo-ondergoed en dubbeldikke sokken die nog net in m’n kaplaarzen pasten. Tevreden bekeek ik het Michelin-vrouwtje in de spiegel.
“Jas?” Klonk het achter me, “zo pas je niet meer in je legerjekkie hoor.”
Altijd leuk, zo’n echtgenoot die het net even iets beter weet.
“Tuurlijk wel, kijk maar.” Ik propte tevergeefs tot halverwege een mouw.
“Ik zei toch ‘jas’” schouderophaalde de echtgenoot, en wees op de enkellange wintermantel die ik zo’n jaartje of twintig geleden in Rome voor een prikje op de kop had getikt. Hartje zomer, het ding hing op een opheffingsuitverkooprek buiten en had wat kleurverlies opgedaan door de zon; daar begon geen modieuze Romeinse meer aan. Ik had die jas al in geen eeuwigheid meer gedragen, sinds mijn laatste bezoek aan Holland niet meer en dat is lang geleden. Maar hij was absoluut ruim genoeg om mijn huidige winterbepakking onderdak te bieden.
En hij bleek bestand tegen de snijdende koude op het caféterras. Ik bleef zelfs warm genoeg om een tweede ijskoude rouge aan te durven.
“Mooie jas”, vond de kroegbazin bewonderend toen ze de bestelling bracht. “Vintage?”
En ik had het bijna gezegd: “Nee joh, ouwe meuk. Ik bewaar m’n kleren net zo lang tot ze vanzelf weer in de mode komen.” Maar ik zag de triomfantelijke grijns rond de snor van de echtgenoot.
“Oui, vintage”, ging ik mee, “en nog voor een klein prijsje ook”, voegde ik er trots achteraan, helemaal in mijn rol.
Dom. Nu wilde zij het adres ook wel. Goddank viel me net op tijd de kersverse site van Emmaüs te binnen (https://www.label-emmaus.co/fr/), de kringloopwinkel van Frankrijk die sinds kort ook heel modern aan internetverkoop doet.
“Internet?” Daar had ze echt helemaal niks mee. Maar als ik het toch allemaal zo goed wist, zij wilde ook wel zo’n jas, dus…
Ik heb me intussen suf gezocht, maar zo’n lekkere warme ‘draagdeken’ nog niet gevonden. En nee, die van mij is echt niet te koop. Dus als iemand toevallig nog een enkellange, dikke wollen winterjas in de kast heeft hangen?

Achtervolgd

ma 29 augustus 2016

DSCN4585We wandelden met de honden bij de rivier onderaan het huis, dagelijkse routine; als het zo warm is halen ze graag natte poten al is echt zwemmen niet aan ze besteed – ’t is een beetje truttenvolk – en werden opgeschrikt door een drietal heli’s dat nogal nadrukkelijk boven onze hoofden rondjes bleef vliegen. Zo laag, dat zelfs het registratienummer op hun buik duidelijk leesbaar was. Maar zo te zien geen brandweerheli’s, die zien er hier anders uit: knalrood, deze waren blauw met wit. We keken het een tijdje aan en haalden onze schouders op: wat een onzin, zeker een of andere militaire oefening. Toen ging de sirene erop. Nooit eerder meegemaakt, een helikopter met sirene. We begonnen het eng te vinden. Ontsnapte misdadiger(s) misschien? Bij de grote stad kilometers verderop is een gevangenis…
“We gaan naar huis”, zei de echtgenoot, “even op internet kijken wat er aan de hand is.” De helikopters achtervolgden ons tot letterlijk aan de voordeur. En bleven rondjes rondom het huis cirkelen, af en toe ging de sirene er weer op. Ik gebaarde omhoog: “Wat móet je dan?” En kreeg een nieuwe sirenekreet als antwoord. “Arrestatieteam!” grapte de echtgenoot, hij werkt wel eens voor een misdaadsite.
Het internet had niks te bieden.
Ik belde de gemeente. Maar ja, lunchpauze en dus zelfs geen ‘boîte vocale’ aan. Gendarmerie, zelfde verhaal. En intussen zag ik vanuit m’n ooghoek door het kantoorraam, net boven de eerste bergkam, een raar wolkje de strakblauwe lucht bezoedelen. Het zou toch niet? Niet wéér! Ik had al eerder in een bosbrand gezeten toen we een paar jaar in Portugal woonden, de echtgenoot was net even naar Nederland. Ik heb dat al eens opgeschreven in m’n boek. Ik was de dode van Gralha geweest, zoals de berg waarop we toen woonden heette. Beneden in het gehucht hadden ze me vlak voor de brand naar boven zien gaan om de kat te zoeken. Maar nooit meer terug zien komen: ik was dood. Scheelde niet veel, maar de kat en ik hebben die dodenrit over het smalle bergpad met een razende vuurzee achter ons aan overleefd. De oude Nissan Patrol niet. Sindsdien ben ik een beetje overgevoelig voor verdachte wolkjes in de lucht.
Ik belde 18, de pompiers, en informeerde zo luchtig mogelijk door het lawaai van de nog steeds rondcirkelende heli’s heen of er wellicht wat aan de hand was.
“Ja klopt”, zei de brandbestrijder monter, “er is een bosbrand vlak achter u. Maar we zijn ter plekke en er zijn bluswagens onderweg. U hoeft nog niet meteen te evacueren. En we hebben uw nummer nu. Als het echt penibel wordt, bellen we meteen.”
“Waarom hangen die heli’s dan boven m’n hoofd te loeien?”
“Voorzorg mevrouw, dan weet u dat er een brand uw kant uitkomt. Nou ja, kàn komen.”
Fijn. Ik belde de buurman van een eind verderop, die ik een half uurtje eerder nog in het dorp had gezien, nietsvermoedend een hapje etend met z’n zoontje. Hij moest toch minstens weten dat het heel dichtbij fikte.
“Shit, bij ons? We zagen net vijf grote brandweertrucks langsscheuren!” Tien minuten later gierde hij zijn erf op. De helikopters cirkelden nu iets verderop, er hing een raar slurfje uit de buiken. Ach natuurlijk, blus-helikopters! Met die rare slurf konden ze water uit de rivier opslurpen en hun tanks vullen. Ik zag de eerste ladingen op de kurkdroge dennenbomen regenen. Aan de overkant van de rivier hoorden we de brandweermannen via megafoons naar elkaar schreeuwen terwijl de rookwolken oppluimden.
Gaan? Niet gaan? De echtgenoot pakte alvast wat in. Eerst de honden op de achterbank. En dan de computers in de bagageruimte. Ik zette de stroom af en dacht nog even aan een greep in de kledingkast. Waar zouden we terechtkomen en hoe lang dan? Ik herinnerde me de afspraak met de echtgenoot na die bosbrand in Portugal: alléén de dieren en het werk, verder niks.
En toen hield het op. “Maitrisée”, hoorden we de pompiers roepen. En een voor een vertrokken de grote rode wagens. In de krant lazen we de volgende dag dat er 2000 vierkante meter was afgefikt, plus twee ‘cabanons’ (schuurtjes). Niks aan de hand, vond de krant. Ik weet wel beter.
Ook dit jaar gaat er met de kerst weer een ruime donatie naar de pompiers.

Moestuinieren

do 12 mei 2016

85486145_o

Of ik op de kat wilde passen, ze moest een weekje weg.
“Tuurlijk”, zei ik tegen de helemaal hippe stadse buurvrouw die het een paar jaar geleden een kilometertje of wat verderop, eens op het platteland was komen proberen. “Maar met dat opgeschoten hondentuig bij mij thuis is het misschien beter als we dat op afstand doen.” Dat had ze zelf ook al bedacht. Bovendien, als ik toch vrijwel dagelijks langskwam voor de kat, kon ik misschien meteen ook de moestuin water geven. Ze legde het me wel even uit.
En zo stond ik na een fikse wandeling in de stromende regen naar wat opsprietende aardbeienplantjes te kijken, naar een paar blaadjes basilicum, iets dat een tomatenplant zou kunnen worden, de groene beginselen van enkele haricotstengels, een slap slakropje en wat toefjes loof waaronder peentjes schuil beloofden te gaan. De stadsbuuf had het platteland nog niet echt in de groene vingers. Mij is het trouwens ook nooit gelukt, zo’n moestuin. Je begint enthousiast en stopt van alles en nog wat in de grond. En jawel, er komt zowaar het een en ander boven de aarde uit. Veel zelfs. Ik heb torenflats aan peentjesloof op zien komen. Waar helaas geen peentje onder zat, alle groeikracht was opgegaan aan dat uitbundig bewaterde loof.
“Dus als het straks warm wordt, dan moeten ze allemaal besproeid.” Ze wees me de tuinslang met douchekop, en waar de kraan zat.
“Tuurlijk”, zei ik weer, “maar het blijft nog wel even regenen hoor.”
“Nou ja, je weet maar nooit.”
We beleven op het ogenblik het koudste en natste voorjaar in vijftig jaar of zo. Maar hé, je komt uit de stad, je hebt met zaadjes van de supermarkt een moestuin aangelegd. Dus móet er gemoestuinierd worden. Ik beloofde dat ik goed op het weer en op de moestuin zou letten. Over de kat zat ze minder in.
Terecht trouwens, ik kende het dier; een hondsbrutale forse verschijning die met enige regelmaat kwam buurten en die er een satanisch genoegen in schepte om bovenop de ‘grange’ te klimmen en – lekker onbereikbaar – m’n viervoetig gespuis tot razernij te drijven. Ik mocht die kat wel.
Terwijl ik m’n haar stond droog te wrijven belde een allerbeste vriend. De echtgenoot nam op. “Tuurlijk”, hoorde ik hem zeggen, “hoe laat?”
“We krijgen z’n twee honden te gast, hij gaat een dagje weg.”
Leuk, dacht ik, dat zijn pas echt toffe honden, ze luisteren goed, gedragen zich voorbeeldig, en zijn ook nog eens ontzettend lief.
Aj! Maar hoe waren ze met katten? Dat werd oppassen, liever geen wilde achtervolgingen die ergens op een route nationale konden eindigen.
‘Plonk’, zei even later m’n computeragenda om me eraan te herinneren dat er morgen nóg een allerliefste vriend op het programma stond. Tuurlijk, dacht ik, weet ik toch. Tot ik me realiseerde dat ook deze vriend een hond had. Een allerliefste foxterrier waarmee je uitstekend kunt voetballen, maar die katten háát.
Vijf honden dus, en één kat. Ik weet nu al wie dat gaat winnen. En wat er aan ‘oorlog’ aan vooraf zal gaan.
Maar het idee om héél langdurig in de stromende regen een moestuin te gaan staan besproeien leek me ook niet echt aantrekkelijk.
“Dat gaan we niet doen hè”, raadde de echtgenoot mijn gedachten toen ik vanmorgen vroeg deur uitglipte.
“Alleen even naar die kat kíjken”, riep ik over m’n schouder.
Hij was binnen. Hij had voldoende brokjes en water.
Met een tevreden grijns duwde ik resoluut het kattenluikje in het slot en trok de deur achter me dicht.
Vanavond verder.

Les larmes aux yeux

di 3 mei 2016

12422

Eigenlijk was ze al een beetje naar de achterkant van m’n geheugen geglipt; nieuwe woonstek, nieuwe ‘cave’ nietwaar. Maar gisteravond kwam er ineens een kersverse promospot voor Corsica voorbij op BFMTV. En hoppa! Daar was ze weer, madame Malvoisin. Een klein gedecideerd dametje met een pruikig donkerbruin geverfd krullenkapseltje en een veel te grote donker gemontuurde bril met vergrootglazen die ze middels het optrekken van haar wenkbrauwen tot op het puntje van haar neus kon laten zakken zodat ze er net overheen kon kijken als ze je serieus wilde spreken. Zij sloeg de kassa aan van de cave waar ik vele jaren vele hectoliters wijn insloeg. Geen topwijn, maar heel behoorlijk, en redelijk geprijsd, al vond een aantal dorpelingen hem toch nog te duur, maar die vonden alles te duur. Madame Malvoisin was niet van hier, dat zal ook wel meegespeeld hebben; zij en haar man kwamen uit het noorden, ergens uit de buurt van Montélimar. Nou ja, hij eigenlijk; zij was van Corsica, had hem ooit in Parijs ontmoet en was met hem meegegaan naar de Midi. Maar Montélimar wilde niet wennen: te noordelijk. Afzakkende échte noorderlingen voelen zich ter hoogte van die wereldbefaamde nougatstad al lang en breed in zuidelijke sferen, maar voor de echte zuiderling ligt daar een strikte grens met het barre noorden.
Corsica was voor monsieur Malvoisin geen optie, de Provence werd hun alternatieve thuis. Maar voor de lokale bevolking bleven ze buitenstaanders, ‘pas de notre’. Madame Malvoisin ging daar onder gebukt.
Niet alleen de zekere wetenschap dat ze er nooit echt bij zou horen bedrukte haar, ook het feit dat ze haar (klein)kinderen amper zag legde een grauwsluier over haar bestaan in het zonnige zuiden: “Ils ont leur propre vie, et nous la notre.” verzuchte ze als ik naar hun bestaan informeerde, waarvan ze me in een openhartig moment deelgenoot had gemaakt. Op zeker moment vroeg ik er maar niet meer naar, zo gaan die dingen.
Madame Malvoisin waterschilderde haar droefenis van zich af. Ze hoopte op erkenning, een expositie, al was het maar in de ‘salle polyvalente’, het zaaltje waar normaliter de bingoclub bijeenkomt, de bejaardensoos resideert en de naschoolse peuteropvang plaatsgrijpt. Die expo is er voor zover ik weet nooit gekomen. Er hing wel wat werk van haar achter de kassa in de cave, maar daar probeerde vrijwel de gehele clientèle zo onopvallend mogelijk langsheen te kijken. Ik geloof wel dat het omzetbevorderend werkte, je pakt al gauw een flesje extra mee als je snel en zonder huisvlijtelijk kunstwerk weg wilt komen.
Ik deed niet anders. Tot ik op zekere dag de mij vertrouwde ‘fontaine’ wilde afrekenen en vanuit het transistorradiootje (jawel, die bestaan hier nog) achter de kassa een prachtig lied over Corsica hoorde doorkraken.
“Mooi lied” zei ik tegen madame Malvoisin, die worstelde met de kassakaartjeslezer die zoals gewoonlijk een zuidelijk tempo aanhield. Ze keek op. Achter de enorme brillenglazen zag ik haar ogen wegzwemmen in heimwee en hartesmart. “U moest de clip eens zien” kwam het antwoord bibberig haar volgekropte keel uit, “les larmes au yeux!” Ze snikte heel zachtjes, schokschouderend, terwijl ze m’n klantenkortingskaartje afstempelde.
Wat doe je dan? Inderdaad. Ik wees ter afleiding een willekeurig doekje aan de cave-wand aan en vroeg naar de prijs. En zo kwam ik in het bezit van het allerlelijkste waterverfje dat ik ooit heb aanschouwd.
“Korting bij de cave gekregen?” vroeg de echtgenoot cynisch bij mijn thuiskomst.
“Kop dicht”, monkelde ik, en schoof het kunstwerk ‘La Corse en été’ zo ver mogelijk achterin de grote ‘armoir’ die als linnenkast dienst doet.
Nooit meer aan gedacht, aan madame Malvoisins kunst. Tot gisteravond die reclamespot voor Corsica over de beeldbuis gleed, met uitgerekend dát lied als soudtrack. Ik heb – eindelijk – het youtubeclipje van het originele nummer opgezocht. En ik snapte madame Malvoisin ineens heel goed: les larmes aux yeux. Hou het zelf maar eens droog bij zoveel nostalgie: http://bit.ly/1JtIPAD
Ik ga dat kladschilderwerkje toch maar eens ophangen. Ergens.

Een aimabele email-papie

do 28 april 2016

61624676

 

Het verliep werkelijk vlekkeloos. Niet dat er na het verkennende telefoontje inderdaad op het afgesproken tijdstip een mannetje voor de deur stond, maar toen ik belde waar hij bleef kreeg ik van zijn thuisbasis in de stad een stuk verderop, zowaar een 06-nummer waarmee hij te traceren viel. Hij was al in het dorp, we laten even in het midden waar, maar de achtergrondgeluiden lieten niet veel te raden over. Of ie nog kwam… “Bèn ouì, je vous cherche”, klonk het in onvervalst Provençaals. En verdomd, een kwartier later rochelde er inderdaad een fourgeonnette de open plek voor het huis op. Er stapte een kruising van Quasimodo en R2D2 uit, die me grondig monsterde alvorens een hartelijke hand uit te steken: “Sajé!” zei hij enthousiast, wat zoveel betekent als ‘gelukt’. Ik stak een hand terug, hij kneep en schudde. Ik weer-kneep zo stevig mogelijk, maar dat valt niet mee als je in een goedmoedige bankschroef bent beland.
Wat of het probleem was. “Geen”, zei ik naar waarheid, intussen achter mijn rug m’n beurse vingers betastend. “Er moet alleen iets met de schotel op het dak – richten of zo – en er moet een kabeltje door de cave. Zodat we weer televisie hebben.”
“Astra zeker?” opperde hij monter. Hij kende zijn pappenheimers. En beklom bekwaam het dak. Nog geen half uur later was er televisie, met alle zenders in HD, ook de pas – of nog net niet – overgestapte kanalen; had ie meteen maar even ingeregeld.
“Bèn, sajé”, zei hij, en maakte aanstalten om in zijn bestelautootje te stappen.
“En de rekening?” vroeg ik verbaasd.
“Komt via de post”, wuifde hij ten afscheid. En reutelde het pad af.
Die bescheiden rekening kwam, ruim een maand later. Netjes, dacht ik en zocht naar het bankrekeningnummer zodat ik ‘m zou kunnen betalen. Dat was er niet. Wel een emailadres, dus ik mailde. Daar kwam geen antwoord op, dus ik belde. En kreeg de meest aimabele Provençaalse ‘papie’ (opa) ooit aan de lijn. Nee, hij snapte er niks van, van dat hele emailgedoe niet. En god mocht weten waarom uitgerekend hij nou weer met deze moderne onzin was opgezadeld, hij was ook maar ‘apprentice’ en zat er alleen maar om z’n zoon (“en opvolger!” klonk het trots) een beetje te helpen. Jawel, er was ook een serieus type dat dat hele internetgebeuren snapte, maar die was naar een of andere cursus en dat kon wel even duren, voor die terug was. Maar goed, hij deed z’n best. En als ik nou maar eens even vertelde wat ie nu precies moest doen, kwamen we er samen vast wel uit.
“Zal ik gewoon maar naar de winkel komen om cash te betalen? Of misschien is een cheque ook goed? Of geeft u anders het IBAN-nummer telefonisch door”, stelde ik voor.
“Mais non ma biche! Il faut que j’apprèns!” Het moést per email, zoveel was duidelijk, hij was bij de tijd en dat zouden z’n zoon en die cursist straks weten ook!
En zo begon een Provençaalse spraakverwarring waar zelfs onze grote schrijver Pagnol – ongetwijfeld met stomheid geslagen – van zou hebben meegenoten. Ook m’n mailbox bleef stom trouwens, want elke poging strandde bij papie in ‘retour wegens adres onbekend’. En dan rolden er hele hordes ‘putains de merde’ de telefoon door, waarvoor hij zich overigens telkens netjes verexcuseerde.
“Zal ik toch maar niet even langskomen? Kunnen we misschien samen zien wat er mis gaat?” Ik zei het op hetzelfde moment dat er zowaar een mailtje binnen floepte.
“Sajé!” riep ik enthousiast, tot ik zag dat de begeerde RIB (relève d’identité bancaire) met de bankgegevens er niet bijzat.
“Eh, er is geen bijlage….”
Daar draafden de hoerenhordes weer langs. Ik hield de telefoon een stukje verder van m’n oor en vroeg me af hoe ik beleefd doch vastbesloten aan deze martelgang een einde kon maken.
‘Plonk’ zei de mailbox. “Putain” mompelde ik zachtjes terwijl ik de bijlage met RIB opende.
“Alors?” klonk het ongerust en vol verwachting aan de andere kant van de lijn.
“Sajé”, zei ik vol bewondering. “U bent geen apprentice meer hoor, u bent een volleerd internetter!”
“Wist ik toch”, grinnikte hij, ineens helemaal overmoedig. “Ik mag dan bijna tachtig zijn, gek ben ik niet, hein! Dus als er nog eens wat is, ma biche, vraag het gerust aan je papie! En anders kom je maar gewoon eens gezellig een glaasje drinken.”
“Doe ik”, beloofde ik. En bedacht dat we dat misschien maar beter meteen hadden kunnen doen.

Chomage technique

wo 20 april 2016

Sinds vanmiddag hebben we weer internet. En niet te vergeten, telefoon! Het heeft de firma Orange behaagd dit ver verstopte gehucht in de achterlanden van de Provence weer op de moderne wereld aan te sluiten. “Wat doe je daar dan ook?” vroeg een collega die gruwt bij alles dat twee stappen van het privé-strand van het Carlton te Cannes verwijderd is en die dus per definitie nada vertrouwen heeft in wifi-ontvangst op drie stappen afstand. Tja.
Het stukje hieronder schreef ik afgelopen zaterdag, de update gisteren. Hoog tijd dat het nu geplaatst wordt. Deo volente, Orange.
img_8175

Chomage technique

Geen internet, al sinds vrijdagmorgen niet. Daar word je tamelijk gallisch van als je werk ook van internetgedoe aan elkaar hangt. En volgens Orange – via veel mobiel wachthangen bereikt – duurt het ook nog wel tot ergens maandagmiddag voor de storing verholpen is. “Wat voor storing dan?”
“De servers liggen plat.”
“Hoe kan dat nou? Jullie hebben toch wel een backup-systeem?”
“Waarschijnlijk een cyberaanval, ik weet het verder ook niet”, zei de meneer van de technische helpdesk. Die was overigens niet de eerste die ik sprak, hem heb ik na tal van verwoede pogingen om ‘m te verstaan uiteindelijk maar opgehangen. Nee, niet letterlijk aan een eindje telefoondraad, maar de arme man was zó aangedaan door de ‘pollen’ (voorjaar, nietwaar) dat hij klonk alsof hij zonder snorkelapparatuur aan het diepzeeduiken was geslagen om Nemo terug te vinden. Ophangen betekent overigens wel weer een rondje kostbare mobiele belminuten langs gedigitaliseerde computermevrouwen die uiteindelijk aan jou vragen of je geen robot bent en of je dat even wilt bewijzen door een reeds lang vergeten hint naar een lang verloren wachtwoord op te hoesten.
Bon, ‘chomage technique’ dus. Ik kan wel stukjes tikken, maar ik kan ze aan de straatstenen niet kwijt. En nee, die grap hoeft niet gemaakt, deed ik zojuist zelf al.
Wat doe je dàn als je op een fraaie zaterdag vol lentebeloften van de rest van de buitenwereld bent afgesloten? Inderdaad, dan zoek je die buitenwereld in natura op.
“We gaan het dorp maar eens verkennen”, vond de echtgenoot. Zo geschiedde, en daar waren we snel klaar mee. Er viel namelijk eigenlijk niks te verkennen. Ik bedoel, waar de tabac, de kroeg en de mini-épicerie huisden wisten we al, de kerk en het gemeentehuis konden we ook plaatsen. Tja, en verder was er eigenlijk niks, behalve een dicht restaurantje, een dunbevolkte pizzeria en een crêperie waar iets van reuring leek.
“Daar dan maar even lunchen?”
“Honger?”
“Nee, maar we waren toch aan het verkennen?”
We streken neer aan een tafeltje voor twee, er stonden nog minstens zes viertjes leeg, maar vanaf de andere drie bezette tafeltjes klonk een vertrouwd Provençaals dialect op, waardoor we ons meteen thuis voelden. Met het aperó kwam een schaaltje baggervette coppa dat sneller wegsmolt in de hete zon dan we met ons drankje konden bijhouden. De mollige slakken vooraf waren zo klassiek dat je ze bijna zou inlijsten en bij de salade chèvre chaud wist ik zeker dat een avondmaaltijd geen optie meer was en dat het nog maar de vraag was of we onze magen naar huis zouden kunnen dragen. Intussen bemoeiden de aanpalende tafeltjes zich met die ‘nieuwelingen’, wat een kabbelende en soms hilarische conversatie opleverde waarbij serieuze roddel (iedereen was verstoken van internet) en ‘blagues’ elkaar afwisselden. Ik geloof dat we wel meevielen, als ‘non-touristes’. Bij de prima ‘café serré’ kregen we een ongevraagd glaasje limoncello en bij de rekening bijna een spontane aanval van gêne; zo’n mooie middag en dan dat lullige bedragje aftikken?…
Het leek een timelaps maar dan terug in de tijd; zo waren we ooit een ruime kwart eeuw geleden in een ander dorp begonnen, voor déze Provence waren we in een grijs verleden als een blok gevallen. Het bestond dus nog. En we lijken het zomaar terug gevonden te hebben. In een achterafgehucht waar de mistral hard kan uithalen, de nachten ook ‘s zomers behoorlijk koud zijn, het internet bij de grote providers geen prioriteit heeft en het leven nog kabbelt.
La vie est belle en Provence!
Maar internet zou toch wel prettig zijn. Dan kan ik dit stukkie ook nog plaatsen…

We leven inmiddels dinsdagavond 18.00 uur, het opnieuw en herbeloofde tijdstip waarop we weer online zouden zijn. Nada. Volgens Orange duurt het herstel langer dan voorzien terwijl iedereen wéét dat er het hele weekeinde geen zak aan die storing is gedaan. En intussen vroeg ik me af: zou het aan de toeristische kust en in de ‘dure’ dorpen met al die tweede huizen ook zo lang duren voor zo’n storing gerepareerd is?
Vanmiddag bij de tabac mocht ik op de pof, bij de mairie kon ik zomaar een fotokopietje maken en bij het postkantoor keek de postmeester op een ouderwetse tarievenlijst aan de muur en plakte hoogstpersoonlijk een paar nog beschikbare timbres op m’n brief voor NL. Ook hij geen internet. Ik had godlof wel de drie gevraagde euri toevallig cash in de knip. Tegelijkertijd kregen twee beschroomd binnen schuifelende dametjes op leeftijd te horen dat ze hun uitkering voorlopig konden vergeten, wegens geen internet. De postmaestro keek ze schokschouderend de deur uit; hij kon er ook niks aan doen nietwaar. Ze dropen bedremmeld af (“De nieuwe tijd, net wat u zegt” citeer ik hier Wim Sonneveld maar even) en je zàg ze denken: ‘dat ze om hun schamele uitkerinkje hadden dúrven vragen’…
Dan welt in mij woede op. Tegen de arrogante almacht van zo’n internetprovider die een klein dorpje als het onze maar laat aanklooien. En tegen overheden die het allemaal wel best vinden en niet snappen dat de hele maatschappij – inclusief zijzelf – inmiddels cyberisch is overgenomen door iets waarop ze allang geen grip meer hebben. Want nu is het een lullige storing, al duurt ie veel te lang. Maar wat is het straks? En dan? Precies.

Nog steeds sorry …

di 19 april 2016

Ondanks de toezegging van Orange vorige week dat we snel weer de digitale snelweg op zouden kunnen, zijn we nog steeds verstoken van toegang tot het wereldwijde web. Geen web, geen werk. We hopen dus dat Orange héél hard bezig is om dit probleem op te lossen. Tot die tijd kunnen we alleen maar duimen draaien. En vloeken.