Home

schermafbeelding-2017-03-01-om-17-33-28

 

Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

De slager op het dorp doet niet in lamsvlees. ’t Is verder een goeie slager, daar niet van, maar blijkbaar komt dat er bij hem niet in. Zal wel iets met inkoop te maken hebben, of met te weinig vraag; men is hier nogal van de stoere gestampte pot – rund, (ever)zwijn, dat werk – en verder geen verfijnde fratsen.
Dat kwam slecht uit. Madame Mahmoud, mijn Tunesische vriendin die ik al te lang niet gezien had, en die me bij onze recente ontmoeting meteen trakteerde op een overheerlijke lamstajine, had het recept voor me opgeschreven. En nu wilde ik het zelf maken. De slager deed ook niet in kip of kalkoen (wel in haas en konijn, maar dan onder de toonbank) dus we kwamen uit op kalfspoulet.
Ik moet zeggen, dat viel niet verkeerd uit. Al was die tajine van Mme Mahmoud beslist lekkerder. Dus wie lam kan krijgen: toeslaan! Wat onderstaand recept betreft is het probleemloos inwisselbaar, dat wel. De herinnering aan die heerlijke avond bij haar niet; die zal m’n smaak wel gekleurd hebben. En o ja, dat glaasje witte wijn is uiteraard een toevoeging van mezelf. Zou zij echt nóóit doen.

Ingrediënten:
600 gram kalfspoulet
2 grote uien
2 tenen knoflook
4 tomaten
1 kleine rode paprika
handje groene olijven zonder pit
paar takjes peterselie
½ kippenbouillontablet
1 theelepel kurkuma
1 theelepel gemberpoeder
1 theelepel korianderpoeder
½ theelepel komijnpoeder
zwarte peper uit de molen, zout
1 glas witte wijn
olijfolie

Bereiding:
Pel en snipper de uien, pel de knoflooktenen.
Haal kop en kont van de paprika, haal de zaadlijsten eruit en snij het vruchtvlees in stukken. Doe hetzelfde met de tomaten.
Verhit een scheut olijfolie in een tajine of braadpan.
Doe er de gesnipperde ui en de paprika in, en laat op hoog vuur onder af en toe omroeren een paar minuten bakken.
Doe de poulet en de knoflook (uit de knijper) erbij en laat een paar minuten meebakken; af en toe omscheppen.
Draai het vuur laag en voeg de tomaten, de witte wijn, de verkruimelde bouillontablet, de kurkuma, gember, koriander, komijn en de olijven toe.
Laat alles op een klein pitje zo’n 45 minuten à 1 uur stoven (of langer) tot het vlees mals is. Eventueel wat wijn of water toevoegen als de boel te droog dreigt te worden. Proef op smaak, voeg eventueel nog wat zout toe en geef een paar ferme draaien aan de pepermolen; schep nog even om.
Verdeel over de borden en bestrooi met wat vers gehakte peterselie.
Geef er rijst bij, of aardappels, brood natuurlijk. En vanzelfsprekend een fruitig glaasje rosé.

Do you play cricket?

maart 2, 2017

1252-900-x-2006-e1413312795858

Ik was nog amper in mijn nieuwe dorpje ingehuisd, het was terrasjesweer, dus dat dorp moest dringend verkend worden. Je weet maar nooit of er in zo’n mini-gehucht niet toevallig een adresje zit waar lekker gekookt wordt. In het café, waar ik had aangelegd toen de verhuizers nog onderweg waren, had ik meteen al gehoord dat er qua lunch maar één possibilité is: de crêperie schuin boven de parkeerplaats. Men kuste er verlekkerd de vingers bij, maar mij trof die mededeling als een mokerslag. Ik ben niet zo van de crêpes, toen ik nog in Nederland woonde en met kinderen te maken had, reed ik altijd met een grote boog om van die pannenkoekenhuisjes heen. Het zal ermee te maken hebben dat ik een jeugdtrauma heb overgehouden aan een portie poffertjes op een Rotterdamse kermis. Strontmisselijk geworden, waarschijnlijk waren ze gebakken in bedorven boter of zo, je weet het niet. En mijn moeder had het vast goed bedoeld want ze trotseerde toch maar mooi voor mij die kermis, èn het kotskind dat ze eraan overhield. Die afkeer van gebakken deegplakken en -plukken is nooit meer overgegaan en resulteert ook nu nog in een extreem negatief eetadvies als iemand naar mijn mening vraagt. Verdacht voer!
En dan beland je dus vele jaren later in een Provençaals ‘no-where land’. Geen dokter, geen tankstation, zelfs geen pharmacie (en dat wil in Frankrijk wat zeggen). Mij best, overleven we wel. Maar voor de ‘restauration’ alleen maar zo’n gedoemde crêperie? Heel even overwoog ik de verhuiswagen rechtsomkeer te laten maken. Tot de kroegbazin me bijpraatte en vertelde dat die crêperie zo’n crêperie niet was. Er werd ook aan echt voedsel gedaan, maaltijdsalades, tartare de boeuff met friet, langoustines uit de diepvries, ik zou het maar voor het uitkiezen hebben. Zou het?
Op dag drie van de inhuizing, mijn keuken was nog een zooitje (‘punaise, in welke doos zit de knoflookpers?’), was de echtgenoot de woedende opwinding zat: “Meekomen.”
Van buiten zag de crèperie er niet verkeerd uit, klassiek Provençaals pandje, redelijk terrasje ervoor. “Ik waag het erop”, zei ik manhaftig. En een tikkie nerveus toch wel. Wat, als de kaart toch alleen maar over pannenkoeken ging? Demonstratief weglopen zou een belediging zijn. Niet ècht handig als je pas in zo’n dorp rondloopt.
Ik gluurde de omvangrijke eetzaal in; halfvol, dus plek. Maar het weer was te lekker, ik besloot voor het terras te kiezen. De kaart werd gebracht door een bulkbuikige monsieur met een grijs krullenkransje rond het hoofd en een moddervette Provençaalse tongval. Ik beheers die taal – een beetje – maar dan toch vooral het dialect van m’n vorige dorp, dat vanzelfsprekend mijlenver verschilt van wat in m’n nieuwe dorp op een steenworp afstand gesproken wordt. Maar het klikte meteen. Wat we wilden drinken? “Un rosé, bèn oui!” Hij knikte goedkeurend, en overhandigde de ‘gevreesde’ menukaart.
Goddank ‘slechts’ 15 crêpes. En verder allemaal Provençaalse traditionals! Ik koos voor de salade paysanne en begon tien minuten later aan de worsteling met een Eiffeltoren-hoog opgetast bord vol groenten en vleeswaren, tot mijn verbijstering ook nog eens begeleid door een volle bak patat. Eh, nee…, ik kreeg niet alles op en wist ineens weer in welke verhuisdoos ik thuis de rol plastic doggybagzakjes had gezien.
Aan het aanpalende tafeltje zat iemand met een vrij grote zwarte hond die mij wel goedkeurde; die hond dan. Nog nooit zo’n grote doggybag bij de hand gehad, er verdween vrij veel ‘per ongeluk’ onder tafel. Onopgemerkt, dacht ik, tot z’n baas een praatje aanknoopte. In het Engels. Hij had m’n worsteling goedmoedig gadebeslagen en uit onze conversatie afgeleid dat zo’n ‘étrangère’ ook de taal van Shakespeare wel snapt. Had ie gelijk in, maar zijn openingszet was ronduit verbijsterend: “So, do you play cricket?”
Pardon? Nou ben ik sportjournalist geweest, en nog altijd meer dan geboeid door voetbal en wielrennen. Maar cricket? Echt nooit gesnapt hoe dat spel in elkaar zit. Ik nam nog een slok van mijn rosé en vroeg me af: cricket, hier!?
“Not really”, zei ik dus, “but I beleave it is a great sport”, hij knikte al instemmend, “to doze off by on a sunny sunday…” Ik zag zijn glimlach verstarren en bood snel een glaasje rosé aan om de ergste schade te beperken. Waarop hij meteen enthousiast begon uit te leggen dat het dorp over een perfecte cricketbaan beschikt. En over een cricketclub. En dat men spelers tekort komt.
Ja, dank je de koekoek! Een rare Engelse sport in een niemendal gehucht in de Provence van amper 800 inwoners, gemiddelde leeftijd ver boven de 80. Schat ik, ik moet ze nog natellen.
Onderweg naar de grote stad 21 km verderop, kun je dat cricketveld zien liggen. Nog nooit iemand gezien daar. Behalve de chef grasmaaien dan. Ik heb dus later uitgezocht hoe het in vredesnaam mogelijk is dat dit miniatuur gemeente-tje aan zo’n professionele cricketvoorziening komt. Engelse expats, zo bleek, die met wat ponden in de mairie hebben gestrooid, en wellicht zelfs met Brussel hebben gebeld. Zal ze na Brexit niet meer lukken. Maar dat heb ik maar niet tegen de cricketBrit gezegd.
Voor komende zondag staat er zowaar een match op het programma tegen een Britse club uit de Vaucluse, we zijn van harte uitgenodigd. Misschien ga ik wel even kijken. Z’n hond heeft me gered tenslotte. En bij zo’n cricketmatch kun je inderdaad heerlijk in het zonnetje wegsuffen. Wie weet, word ik wel fan. Maar spelen? Dat doe ik wel met m’n teammate: die grote zwarte hond.

Zo simpel kan het zijn!

februari 27, 2017

16996007_10154577889138740_8701906481611184051_n

En simpelweg voor slechts € 16,95 te bestellen bij bol.com, Ako, Bruna, in uw lokale boekhandel, en direct hieronder (ook verzending naar Frankrijk):

2-boekjes-schermafbeelding-2016-11-21-om-15-04-59

Bestel nu                  Bestel nu

 

bieten-met-tonijn

 

Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Goed, al dagen achter elkaar buiten kunnen lunchen dus vanmorgen dacht ik: ‘ik maak eens een lekkere snelle voorjaarssalade en dan hup, de tuin in’.
Helaas, bij het openen van de luiken keek ik tegen een potdichte mist aan die ook de rest van de ochtend maar niet wilde optrekken. Op de gisterenavond wat overmoedig buiten gelaten tuinstoelkussens parelde een zee van druppeltjes die langzaam in donkere vochtplekken veranderden naar mate de dag vorderde. Geen zon te bekennen (ja, nú, terwijl ik dit ruim na lunchtijd optik) dus dat werd binnen zitten. Dan toch maar een warme hap? Nee! Die tonijnbietjes gingen gewoon door, daar had ik nou eenmaal m’n zinnen op gezet.
Een warm hapje toe dan maar. In plaats van een kaasplankje, een kaasbroodje van onder de grill. Gewoon een paar sneetjes boerenbruin dik beleggen met oude kaas (of Emmentaler), beetje ketchup met een likje sambal vermengen, erover uitsmeren (dun!) en even onder grill laten smelten. Er kan prima een glaasje rosé bij, dat blust lekker af.
En zo werd het een beetje samengeraapte lunch misschien, maar ’t is ook samengeraapt weer vandaag.
Bon, bietjes dus.

Ingrediënten:
2 grote gekookte bieten
2 blikjes tonijn (140 gram elk) op olijfolie
1 bosje bieslook
1 kleine ui
1 bakje yoghurt zonder toevoegingen
1 kleine citroen
zout en peper
1 eetlepel notenolie (walnoot, sesam, o.i.d.)

Bereiding:
Haal de harde uiteinden en het velletje van de bieten en snij ze in blokjes.
Snipper de ui en de bieslook.
Pers de citroen uit.
Giet de olie zoveel mogelijk van de tonijn en prak die uit elkaar met een vork.
Schep de yoghurt uit het bakje in een grote kom en voeg alle andere ingrediënten erbij, bestrooi met peper en zout en schep alles goed door elkaar.
Geef er boerenbrood bij en een extra glaasje rosé; komt het goeie humeur vanzelf wel weer.

Gewoon, super

februari 23, 2017

2009-00004

Voor het eerst sinds lang weer eens naar Saint-Tropez geweest. Werk hoor! Niet vanwege lentekriebels die een onbedwingbare lust tot flaneren langs de superjachten van de rich & famous afdwongen. Maar een interview, met een dame die die lui allemaal kent, en aan een touwtje heeft. Voor haar hangt dat touwtje bij wijze van spreken overal ‘uit de brievenbus’. Personal assistant heet wat ze doet, en ze is er zó goed in dat niemand die St.Trop’ aandoet om haar heen kan. Heeft even geduurd voor ze die status bereikt had: “in het begin was het meer huilen dan lachen” erkent ze ruiterlijk, nuchtere Hollandse zonder kapsones. Wandeldend door ‘haar’ dorp, wees ze aan wat er recent veranderd was. “Daar! De gloednieuwe Chanel-shop. Dé boutique van heel Frankrijk! Hier komt àlles dat geld heeft.” Een statige oude villa, geheel verbouwd, en je moet er binnen door beveiligingspoortjes die – vermoed ik – al gaan gillen als je creditcard nog iets te warm is van vorige aankopen. Tegenover die shop het al even gloednieuwe Hôtel de Paris met behalve een fraai kunstwerk ervoor (de op z’n handen staande zwartbronzen ‘swimmer’ met gouden badmuts van Carole Feuerman) tal van vrolijke voluptueuze sculpturen van Niki de Saint-Phalle in de hal, en een imposante te moderne Rolls voor de deur. De meegekomen fotograaf schoot verlekkerd plaatjes. Ik keek met genoegen toe hoe de chauffeur met veel knap steek- en draaiwerk de mastodont uiteindelijk door de benarde toegang van de privé-parkeergarage wist te manoeuvreren. Wat daarachter kwam, hadden we al meegemaakt; minimale passages met veel te krappe draaien naar lagere parkeerlagen, waar zelfs een Fiat Panda nog in de problemen zou raken.
Voor het hotel strekte zich een modern gedachte steenvlakte uit, de nieuwe entree van Saint-Tropez, met aan de verre overkant de oude gendarmeriepost waar de klassieke lachfilms met Louis de Funès ooit waren opgenomen en die voorheen een speurtocht door nauwe straatjes vergde om er te komen. Ik had er in het verleden met genoegen door de raampjes gegluurd om de authentieke setting te zien. De oude platanen voor de deur waren gerooid, de gevel stond strak in de verse stuc en er was binnenin een net iets te commercieel museum gehuisvest; er viel weinig meer te lachen.
We wandelden door en streken neer op het terras van het befaamde Senequier aan de haven om verder te praten. Nog geen seizoen, dus lekker rustig, maar evengoed wel bijna 23 euro kwijt voor twee flesjes water en een kopje koffie. Was dit nou het vissersdropje waar Brigitte Bardot ooit verliefd op was geworden en nooit meer weggegaan? Van m’n gesprekspartner begreep ik dat ze deur van haar nabij gelegen landgoed La Madrague niet meer uitkomt, geen zin meer. Ik kan haar geen ongelijk geven. Zal ook wel te maken hebben met het gegeven dat ik sinds ik in Zuid-Frankrijk woon, verworden ben tot een onvervalste plattelandse. Zo’n uitstapje naar de ‘bewoonde’ wereld is leuk, tuurlijk! Maar o, wat was ik weer blij om m’n eigen gehuchtje van niks binnen te rijden. En dan dwars er doorheen, naar een stekkie van ‘quatre fois rien’, met een ruisende rivier achterlangs zonder superjachten. En toen ik even later de kaplaarzen aanschoot en langs de oever banjerde, zag ik wel mooi een koppel eenden afmeren. Da’s pas super, vond ik, en klom tevreden de heuvel op naar huis, waar op het zonnige terras een glaasje gekoelde rosé op me stond te wachten. Echt, daar kan geen Saint-Trop’ tegenop.

schermafbeelding-2017-02-17-om-09-53-35

 

Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Hoewel ik uiteindelijk in Frankrijk verzeild ben geraakt, heb ik toch ook nog steeds wat met Ierland. De Connemara, ik logeerde er ooit tijdens een kansloze voorjaarsvakantie in een onooglijk hotelletje aan de kust, waar ik ’s ochtends bij het ontbijt kippers, ‘beans on toast’ en andere smerigheid at. En vervolgens een regenjas, kaplaarzen en de honden van de eigenaar meekreeg voor een lange wandeling door de schitterende heuvels. Strand was er niet, wel steil in zee stortende kliffen. Ook mooi.
In het nabij gelegen gehucht regeerden de koeien. Die hadden sappige, grazige weiden in overvloed, maar vonden het ‘gezelliger’ om bijeen te klonteren op het dorpspleintje zodat er geen auto meer langs kon. Ook voor getoeter weken ze geen millimeter; pas als je uitstapte en ze een tik op de kont gaf waren ze bereid een stukje op de schuiven. ‘s Avonds zat je in de gelagkamer van het hotelletje weg te stikken bij het turfvuur in de open haard die niet wilde trekken.
En het was geweldig! Vooral omdat ik daar voor het eerst een echte Tullamore Dew proefde. Nadat ik als een verzopen kat vanwege een eigenlijk wel te verwachten hoosbui binnenkwam.
“Get yerself dry lassie”, gebood de waard me naar m’n logeervertrek. Toen ik afgedroogd de gelagkamer weer betrad deed de open haard het zowaar, en kreeg ik dat magische glas amberkleurig vocht in handen gedrukt dat net zo rokerig smaakte als de turf in de haard geurde. Triple distilled, triple blended. Voorgoed verkocht! Dit was échte whiskey (die ‘e’ hoort erin, als het om Ierse gaat).
En dat godennat giet je dan zomaar in een sausje? Yep. Want het geeft er nou net dat heel speciale heimweesmaakje aan dat me weer even naar dat zompige, maar o zo mooie Ierland van toen verplaatst.

Ingrediënten:
4 kogelbiefstukjes
20 cl Ierse whiskey
16 gedroogde vijgen
40 gram boter
olijfolie
2 tenen knoflook
150 gram vijgenjam
4 takjes verse rozemarijn
zout en zwarte peper uit de molen

Bereiding:
Verhit de whiskey in een ruime pan tegen het kookpunt aan. Draai het gas uit en laat de in tweeën gesneden vijgen er een uurtje in weken, daar worden ze heel lekker van.
Verwarm de oven door op 160 °C.
Pel de knoflooktenen, rits de naaldjes van de rozemarijntakjes.
Verhit de boter samen met een flinke scheut olijfolie in een ruime koekenpan en bak de biefstukjes erin aan, draai het vuur halfhoog en laat ze even doorgaren; hooguit 2 minuutjes aan elke kant, en niet meer dan 1 keer omdraaien. Haal ze uit de pan, bestrooi ze met zout en peper en zet ze weg.
Knijp de knoflooktenen uit boven de koekenpan, roer de knoflookpulp met de aanbaksels in de pan op laag vuur los met de whiskey waarin de vijgen hebben geweekt, voeg de vijgenjam en de rozemarijnnaaldjes toe en roer tot een gladde saus; eventueel wat laten inkoken of binden met een beetje maïzena als ie te dun blijft. Leg de biefstukjes in een beboterde vuurvaste schotel, bedek ze met de saus en leg de geweekte vijgen ertussen. Laat ze 10 minuten in de voorverwarmde oven sudderen. Verdeel de biefjes over de borden, garneer ze met de vijgen en geef de saus er apart bij, zodat iedereen zich ruimhartig kan bedienen.
Heel lekker met moppige aardappelpuree. Mooi glaasje rood erbij, smullen maar.

Bijgeloof

februari 16, 2017

schermafbeelding-2017-02-16-om-19-10-28

“Prachtig weer morgen”, beloofde het weerbericht van gisteren, “en vannacht niet kouder dan 8 graden. De temperaturen zitten ruim boven normaal!”
Dat viel vies tegen vanmorgen vroeg; de thermometer in de serre wees 2 graden aan, de autoruiten hadden ijsgordijntjes voorgeschoven, en mijn humeur kelderde prompt tot onder het vriespunt. In koude kaplaarzen (die hadden per ongeluk buiten overnacht) en met m’n geduffelde mottenballenjas tot aan de oren dichtgeknoopt stampte ik het ochtendrondje achter de honden aan.
“Een dag die zó begint, kan alleen maar verder fout gaan”, chagrijnde ik tegen de echtgenoot.
“Heb je haar weer met d’r bijgeloof”, schamperde hij terug.
Niet veel later viel het internet op het thuiskantoor uit. Volgens de standaardmededeling die Orange dan uit je telefoon laat tetteren (dat kan dus blijkbaar wel, terwijl ík niet kan bellen of internetten) is er een probleem met de verbinding: “Trek de stekker van de livebox eruit en plug opnieuw in, als het probleem aanhoudt, neem contact op met de technische dienst.” Maar de vaste lijn is dood, en via je mobieltje krijg je de mededeling dat je op de website moet kijken, en die is vanzelfsprekend onbereikbaar. Dus voor onbepaalde tijd gedoemd duimen te draaien. Chomage technique, zoals ze dat hier zo mooi noemen, technische werkloosheid.
‘Zie je wel’, dacht ik, ‘wat nou bijgeloof’.
Buiten hoorde ik de echtgenoot op het terras rommelen, ik ging kijken. En zag dat hij bezig was de terrasstoelen uit hun winterslaap te slepen. Niet zonder reden, de zon was intussen omhoog gekropen en het begon verdacht snel warmer te worden.
“Ha”, zei ik enthousiast”, dan pel ik de eettafel wel uit z’n jas.” ’t Is oud hout, dat moet ’s winters ingepakt. Ik had de ducktape nog niet van de lap beschermplastic afgetrokken of er schoof een wolk voor de zon.
“Zie je wel!” riep ik gefrustreerd.
Hij verklaarde doodleuk dat we buiten zouden lunchen. Hij kreeg gelijk; de internetstoring hield aan, de zon ook. Tja.
En dan raak ik in de war. Want volgens de streng gereformeerde opvoeding die ik genoten heb, bestaat het hele leven uit schuld & boete: beleef je iets leuks, dan kun je er de donder op zeggen dat er iets naars op volgt. Mooie weersvoorspelling? Mooi niet, rotweer! Ruim op tijd om een deadline te halen? Gaat niet lukken, internetstoring. Lekker genieten van een zonnige voorjaarslunch dan maar? Had je gedacht. Ho, wacht, die ging zomaar wèl door. Al was het op het randje, want toen ik binnen m’n zonnebril ging halen dreigde er opnieuw een zonsverduistering, maar de wolken dreven over.
“Raar”, peinsde ik hardop, “dat geloof heb ik allang een schop onder z’n kont gegeven, maar helemaal wegslijten doet het nooit; ’t blijft hangen als bijgeloof.”
“Nou…”, vond de echtgenoot, “ik zou het eerder doemdenken willen noemen. Als jij ’s morgens wakker wordt en ‘unruhe’ roept, kun je er vergif op innemen dat er die dag van alles mis gaat.”
Dat is waar, ik schijn dat te voorvoelen. Net zoals ik vaak weet wie er belt nog voor de telefoon gaat, of dat er een beroemdheid dood is omdat ik daar zomaar ineens aan moest denken, of dat ik vlak voordat de stofzuiger ontploft denk ‘die ontploft straks’ (waar gebeurd) maar ja, dan is het al te laat.
“Dan kun je toch ook de juiste lottocijfers wel voorspellen”, werd er getreiterd.
“Zou kunnen, maar je hebt er zo weinig aan als je pas weet welke balletjes winnen als ze bezig zijn te vallen.”
De zon hield er op dat moment weer mee op.
“Mooi geweest, we gaan aan het werk”, riep ik monter.
“Dus we hebben weer internet?”
“Zo voelt het”, wist ik zeker.
En zo was het.
“Speelde jij niet mee in de Staatsloterij?” vroeg de echtgenoot pesterig terwijl hij z’n bureaustoel aanschoof. “Nou, je hebt niks gewonnen.”
“Hoe weet jij dat?” vroeg ik verbaasd.
“Voel ik aan m’n theewater.”
Ik keek op m’n computerscherm, mail van de Staatsloterij. Inderdaad, niks gewonnen. Maar ja, dát wist ik natuurlijk allang.