Home

Open het dorp-dag

do 30 maart 2017

Altijd leuk, zo’n eerste echte ‘open het dorp-dag’. Ik bedoel, vandaag was het zo’n fantastisch mooie dag dat het dorp besloot uit de winterslaap te kruipen, waardoor niet alleen de kroeg de parasols ineens op het terras had staan, maar zelfs de champêtre in korte mouwenpolo liep te folderen (beetje bijverdienen, van zijn officiële maandvergoeding redt ie het niet), en de tamelijk omvangrijke tabagiste ineens met fluoriserend neonrood namaakhaar over straat ging. En korte broek, en enkellaarsjes maar daar durfde ik echt geen foto van te maken. Bovendien, ik zat net lekker aan een terrastafeltje van het kersvers heropende snacktentje van de half-Amerikaanse, die het ineens over de Thaise boeg bleek te gooien: loempiaatjes, curry, saté, bao, maar gelukkig ook nog de vertrouwde fish & chips uit het vorige seizoen waarop m’n Engelse ex-buren regelmatig als vliegen op de stroop afkwamen. Ik moet ze met spoed bellen.
Met een karafje huiswijn van ‘onze’ cave op loopafstand, zat ik helemaal goed.
Nou ja, bijna. Op weg naar het dorp had ik frivool alle raampjes van de voiture opengedraaid. Net een dikke griep achter de rug dus ff lekker doortochten leek me een goed plan. Geheel verfrist en met verwarde stormcoupe stapte ik op het lokale parkeerterrein uit de auto en begon aan de beklimming naar het dorpsplein, voor mijn gevoel van minstens 50 meter onder NAP naar lichtere luchtlagen, want die parkeerplaats ligt letterlijk onder aan het dorp. En de champêtre zorgt er wel voor dat je niet stiekem op de enige invalidenparkeerplek tegenover het café gaat staan; klimmen dus. Boven aangekomen, vond de echtgenoot het nodig om iets over de ‘stormcoupe’ te zeggen.
“Bon, maak ik meteen een afspraak bij de kapper.” Ik stak het straatje over en keek tegen een geblindeerde gevel aan, met een briefje op de dichte luiken: ‘van 28 maart tot 10 april gesloten wegens conjée annuelle’. Heb ik weer. Heel het dorp heropend, kapper dicht. Niet dat die kapper ergens over gaat, maar een centimetertje of twee recht afknippen van de achterste manen, daar waar ik er zelf niet bij kan, is doorgaans geen probleem.
“Doe ik het wel”, bood de echtgenoot spontaan aan. Hij kan nog geen papiertje doormidden knippen, maar het was lief bedoeld. En ’t werd lentefeest, zo aan dat tafeltje met uitzicht op het château aan de overkant en de eerste Engelstalige toeristen aan het belendende tafeltje. De half-Amerikaanse verontschuldigde zich bij hen, bij ons, voor de voortdurend neerdalende ‘pollen’ uit de hoge, oude platanen die boven het terrasje uittorenden, en veegde ze zinloos weg met een doekje, elke keer dat ze ons tafeltje passeerde.
Ik herinnerde me een vergelijkbare dag uit een ver verleden. Er was Hollands bezoek over de vloer, we gingen naar ons (vorige) dorp voor een drankje en wie weet een hapje; die dingen regelen zichzelf. Net als hier en nu, hingen er knoestige stekelbollen in de platanen, die in dit seizoen zo’n beetje openbarsten en voor prikkelige pluisjes zorgen waar je maar net tegen moet kunnen. Ik ben godlof niet allergisch, maar er viel toch een forse regen in de glazen, op de borden, en in de bloes; dat kan vervelend jeuken op plaatsen waar je in het openbaar niet wilt krabben.
“Tering!” vroeg een van de Rotterdamse gasten destijds, “wat is dat voor zooi?”
“O, dat zijn platagnes”, zei ik nonchalant, “zoiets als kastagnes, maar dan net even anders.” Ik vond het zelf wel aardig gevonden.
Hij vond het maar niks. Hij was toch al wantrouwig geworden toen we die ochtend op ons eigen terras van het ontbijt genoten en zijn echtgenote – zo vroeg nog zonder bril – me had gevraagd wat dat toch voor vogels waren, die daar zo stilletjes in de dennen rondom het huis zaten. “Plakvogels” had ik gemelijk geantwoord terwijl ik voor de zoveelste keer de ontbijtrotzooi zonder hulp achter ieders kont opruimde.
Hij was het gaan controleren en kwam terug met de conclusie: “Dat zijn dennenappels!”
“Nou, zie jij ze vliegen dan? Daar had je geen laddertje voor nodig hè.”, kon ik niet laten in onvervalst Rotterdams te antwoorden. Het is nooit meer goed gekomen. En ik heb ook nooit meer een nieuwe vogelsoort verzonnen; zijn er hier spontaan al genoeg van.
Maar een mooie middag werd het intussen wel vandaag. Prima adresje van niks, waar je de hele herfst en winter voor een gesloten deur staat, maar dat dan ineens weer open bloeit als de eerste zwaluwen laag over scheren en je als vanzelf ‘Le printemps est arrivé’ gaat zitten neuriën terwijl je de echtgenoot nog maar eens in tapt uit de karaf rosé en na tweeënhalf uur aan tafel tevreden afdaalt naar je auto op die parkeerplaats daar beneden en vrolijk bedenkt dat andersom beslist lastiger zou zijn geweest. De echtgenoot haalde de autosleutels tevoorschijn. En overhandigde ze – op verzoek – galant. “Als jij dan maar beter rijdt dan dat je zingt…”
“Of dan dat jij knipt”, mompelde ik geheel in de stemming.
Thuis het antwoordapparaat van de kapper ingesproken. Komt goed, die zomercoupe. En de zomer ook.

Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Ik ben niet in vorm; griep, al dagen. En dan ben ik blij dat de echtgenoot niet te beroerd is om z’n eigen potje bij elkaar te koken, hoewel ie zelf nog maar net uitgesnotterd is. Dus onder het genot van een glaasje marc de Provence namen we de mogelijkheden door.
“Jouw gehaktballetjes uit de diepvries” vond hij wel een goed idee. “Dan kook ik daar wat sperziebonen bij, beetje van die tomatensaus van jou eroverheen die nog in de koelkast staat, klaar!”
“Biss je dniks?”, snufte ik betraand. “Basta, blijst, aarples, iets vastigs.”
“Vadsigs?” klonk het beledigd, maar het kwartje viel en zo stond hij even later verwoed rauwe aardappels te raspen. “Rösti”, herinnerde hij zich uit een Zwitserse ski-vakantie van ver voor mijn tijd.
“Dhroge zooi, mbakt altijd aan!”, wist ik uit mijn eigen jeugd, toen mijn moeder net ‘avontuurlijk’ begon te koken. “Doe er dan tenbinste een eitje door, voor de smpeuïgheid. Doen ze hier in Frabnkrijk al járen; heet ‘ghalette de bpommes de terre’.”
Na zijn vernietigende blik heb ik me er verder niet mee bemoeid, maar wel genoteerd wat er gebeurde. En afgezien van een overvolle afwasmachine na afloop, kan ik (pardon, kunnen we) terugzien op een geslaagd experiment. Dus ik geef het maar even door. En volgende week ‘mag’ ik vast zelf weer. Chinchin!

Ingrediënten:
4 aardappels
1 ui
2 eierdooiers
lente-uitje of wat peterselie of bieslook
peper en zout

Bereiding:
Pel en snipper de ui. Snij de peterselie of de bieslook fijn.
Schil de aardappels en rasp ze grof.
Meng in een kom de geraspte aardappels, de gesnipperde ui en de eierdooiers door elkaar met peper en zout naar smaak.
Verhit een flinke scheut olijfolie in een ruime koekenpan en verdeel het aardappelmengsel over de bodem.
Laat op laag vuur een minuut of 5-7 bakken en keer de aardappelkoek dan om. Bak nog eens 5-7 minuten aan de andere kant; de koek moet goudbruin en gaar worden.
Strooi er op het laatst het lente-uitje, de peterselie of bieslook over en serveer meteen.
Glaasje erbij naar keuze (nee, ik zeg niet wat ik dronk) en klaar.

Hij zei het echt, al heeft ie het natuurlijk “nooit zo bedoeld” en zijn z’n woorden “verkeerd geïnterpreteerd.” Jeroen Dijsselbloem, de voorzitter van de Eurogroep en demissionair minister van Financiën in Nederland, was zich van geen kwaad bewust toen hij het in een Duitse krant zei: “Ik kan niet al mijn geld aan drank en vrouwen uitgeven en vervolgens om uw hulp vragen.” De bewindsman, door een briljante Britse verslaggever die moeite had met het uitspreken van zijn naam ooit aangeduid als ‘Daisselflower’, bedoelde er niks kwaads mee, zei hij later. Maar ja, bij ons in het zuiden hebben we soms aan een half woord genoeg. Natuurlijk ging het wél over ons in de zon, die een beetje flexibel met staatsschulden en zo omgaan. Schulden? On verra en vooral te zijner tijd.
Het verbaasde me niks dat heel Zuid-Europa verontwaardigd op de uitspraken reageerde. De premier van Portugal ging er met gestrekt been in en karakteriseerde de opmerking van de Nederlander als “racistisch, xenofoob en seksistisch”. De Portugees raadde Jeroen aan met spoed zijn Europese biezen te pakken. Een Italiaanse Europarlementariër noemde het “beschamend en schokkend” wat Dijsselbloem had gezegd.
Tja.
Ik dacht: dit is geen misverstandje, maar weer zo’n voorbeeld van noord tegen zuid, klompendenken versus l’art de vivre; ‘and never the twain shall meet’.
De normen en waarden van Calvijn, dat gaat niet in het overwegend katholieke en dus per definitie wat losbandiger Zuid-Europa. Regels zijn regels? Mwah, regels zijn er bij ons vooral om te kijken hoever je te ver kunt gaan.
Schuld en boete? Nou…, niet als je je er onderuit kunt rommelen.
Ik woon al een tijdje in het zuiden, helemaal tevreden. In het begin moest ik wel wennen aan de soepele omgang met de wet en meer van die dingen die in het noorden ‘netjes’ worden genoemd. Tegenwoordig denk ik ook vaak: “ach…”
Normen en waarden? Welke dan? En van wie? Die van het zuiden zijn volgens mij zo verkeerd nog niet. Het hemd is nader dan de rok, ik denk dat het daarop neerkomt.
Je hebt nu in Frankrijk, nee, eigenlijk voornamelijk in het nogal noordelijk gelegen Parijs, een hoop gedoe over gesjoemel in politieke kring. Fake-baantjes voor de kinderen en voor madame, gratis dure kostuums voor monsieur. “Nou én?”, zeggen ze in mijn dorp. Iedereen weet toch dat alle politici ‘pourri’ (rot, zeg maar corrupt) zijn? Niks bijzonders dat ze zich door vrienden peperdure maatpakken van exclusieve stoffen laten toestoppen.
“Had ik ook maar zulke vrienden!”, grijnsde de kasteleinse toen we het er deze week over hadden. “Politiek, da’s pakken wat je pakken kan, al is het maar een pak.”
Ik zat dat na de lunch met een fles marc de Provence binnen handbereik te overdenken in m’n serre. Naar de rivier en de regen luisterend, terwijl een gore griep zich via ogen en neus een weg naar buiten snotterde. Het was zomaar ineens pokkenweer geworden, alarmfase geel afgekondigd. Volgens de météo kwam die wateroverlast rechtstreeks uit het trieste noorden. Fijn, bedankt, ook een leuk ‘cadeautje’.
Heel even peinsde ik: zullen we die Dijsselbloem – binnenkort toch werkloos – van de zomer eens uitnodigen voor wat ‘couleur locale’ hier in de Provence? En hem dan met z’n allen in het café bijpraten over de charme van een wat minder ‘strak in het pak’ zittend leven onder de zon.
Doe maar niet, dacht ik er meteen achteraan. Die man zou zich doodongelukkig voelen in een omgeving waar niets gaat zoals gepland en zoals het volgens hem ‘hoort’. Nee, zoals Rudyard Kipling het in 1889 al zei in zijn beroemde Ballad of East and West: ‘never the twain shall meet’. Dus dat wordt niks.
Niet zolang de Dijsselbloem-achtige calvinisten blijven roepen dat we er in zuiden maar op los hoeren en snoeren en als de buidel leeg is, de hand komen ophouden bij ‘hun’ Brussel voor een korst brood (of een leuke bankgarantie) omdat we even geen tijd hadden om voor onszelf te zorgen.
De arrogantie van de noordeling die geen verstand heeft van levensvreugde, dat is het. In het zuiden heb je gewoon een opgewekter bestaan. Dat steekt blijkbaar. Jammer dan. En dat geld, dat verdienen we heus zelf wel, maar dan op onze manier. En natuurlijk zeggen we ook geen ‘nee’ als er schadevergoeding wordt aangeboden omdat we weer eens overstroomd zijn door tomeloze hoosregens uit het noorden van de vastgeroeste regeltjes.
Inderdaad, ‘La cigale et la fourmi’ uit de fabel van Jean de la Fontaine uit 1668. Over een muzikale krekel die de hele zomer zijn nijvere mierenbuurvrouw vermaakt tijdens haar werk, maar die van madame la fourmi geen hap te eten krijgt als het wintert en hij omkomt van de honger.
In het noorden werd dat verhaal uitgelegd als ‘wie niet werkt, zal niet eten’. Maar De la Fontaine bedoelde juist heel ironisch dat we meer waardering voor (levens)kunstenaars moeten hebben. Maar ja, hij werd dan ook op een wijnchâteau in de Champagne geboren en vierde vakantie in de Provence.


Ik zag op Twitter een berichtje voorbijkomen. Een tweet van een van de hoogste officials van de regionale toeristenorganisatie in mijn departement, Le Var. Ik blijk – ook vanwege mijn magazine Côte & Provence – uitgeroepen te zijn tot een prima ambassadeur (Wat héét! De beste!) van het departement.
“Mooi zo”, dacht ik. En stiekem ook wel: “Eindelijk.”
Uitgelaten huppelde ik van kantoor naar het terras waar de rosé al klaar stond voor de lunch. We hadden een gast aan tafel, of eigenlijk vooral diens sporthond, die zou blijven logeren. Er bleek door de echtgenoot, remplaçant in mijn keuken en verder toch niks te doen behalve een beetje Ajax spelen met die vierpoter, tonijnpasta bereid. Natuurlijk weer niet geheel volgens mijn instructies. Maar onze gast was tevreden, zijn hond lustte ook wel wat, in elk geval een stevig stuk in de saus gedoopte baguette. Een brok chèvre ging er eveneens gretig in.
“Jongens! Ambassadeur!”, riep ik. “Voortaan dus maar netjes excellentie tegen me zeggen!”
Ik hief het glas op zoveel erkenning; ze hieven braaf mee en keken elkaar besmuikt aan. Om voor de hand liggende redenen wordt er wel vaker wat voorzichtig op me gereageerd, maar ik herinner me niet dat ik ooit eerder door drie mannen (ook de hond is een reu) met zoveel wantrouwen besnuffeld werd. Ik zag ze denken: “Rijp voor Maassluis.” Dat moet ik even uitleggen. In m’n geboortestad Rotterdam had je vroeger een rijmpje: Rotterdam, Schiedam, Vlaardingen, Maassluis, trappetje op: gekkenhuis; daar zat het Delta-ziekenhuis voor psychiatrie. Hier in de Var heet dat ‘prêt pour Pierrefeu’, een plaatsje met ook zo’n kliniek, maar het komt op hetzelfde neer.
“Ambassadeur!? Jij? Het idee!” klonk het unisono.
Ik legde uit waarom. En dat ik daardoor zo opgetogen was.
Moet je net gehuwd zijn met een Haarlemmer, die zo’n Nurks uit de Haarlemmerhouttuinen, dat stuk chagrijn uit de Camera Obscura van Nicolaas Beets, nog in de schaduw stelt. Ja ja, ik ken mijn klassiekers, èn de echtgenoot. Ik liet het exposé over de rol van de ambassadeur ‘en général’ in het huidig tijdsgewricht dus geduldig over me heen gaan. Kennelijk hield dat niet veel meer in dan wat recepties aflopen met het risico dat je een fysio moet bellen wegens pijn in je arm; een blessure, veroorzaakt door het vrijwel permanent heffen van te goed gevulde glazen. Dat leek me een sterk staaltje van overdrijving, zijn we in de Provence goed in, maar de echtgenoot excelleert. En na zo’n 17 jaar Provence-promotie middels een prachtblad als Côte & Provence en nog veel meer, kun je me niet wegzetten als ‘receptionista’.
Aan de andere kant, dacht ik: je kunt het qua vak slechter treffen.
Ik testte mijn nieuwe status, knipte met de vingers, en verdomd, mijn glas werd tot de rand toe bijgevuld.
“Een beetje ambassadeur heeft recht op een diplomatiek paspoort”, opperde onze gast vilein. “Hoef je op het vliegveld nooit meer in de rij”. Hij bracht het als een trouvaille.
“Deze ambassadeur heeft helemaal geen paspoort nodig”, gaf ik tegengas, “deze ambassadeur gaat hier nooit meer weg, zelfs niet voor een etmaal over de grens.” Ik bedoel, je bent ambassadeur of je bent het niet. Mijn ambassade is mijn thuishonk tenslotte.
Ik knipte opnieuw met de vingers en ik kreeg zowaar weer bijgevuld. Rosé uit de Var natuurlijk, what else?
Tevreden leunde ik achterover in mijn terrasstoel en sloot even genietend de ogen.
“De ambassadeur verstaat haar vak”, zei onze gast. “Ze pit.”
Toen legde de sporthond de bal in mijn schoot en was ik weer terug op aarde.
De espresso waarmee de lunch bekroond moest worden, zette ik zelf.
En met een zwierig gebaar zette ik er een punt huisgemaakte ‘gateau à la brousse’ naast; ook Provence-promotie.
Mooi vak toch wel, ambassadeur.

Recept van de week: Bobotie

vr 17 maart 2017

Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Daar lagen ze, zomaar op de container met het gele deksel bedoeld voor plastic afval. Twee verweesde kookboeken. Gewoon achtergelaten, geen vergissing mogelijk. Waarschijnlijk door iemand die een papierbak had verwacht naast de drie gewone groene, maar die staat er niet. En blijkbaar kon de ex-bezitter het niet over zijn/haar hart verkrijgen om deze puntgave kookboeken dan maar bij het huisafval te dumpen. Nee, die boeken lagen hier voor de eerlijke vinder. En laat ik nou net die eerlijke vinder zijn. Als een rasechte morgenster (afvalvorser in de vroege ochtenduurtjes) eigende ik me ‘L ‘Auvergne, une cuisine de caractère’ en het ‘All-Colour South African Cookbook’ toe. Over de titel van dat Zuid-Afrikaanse kookboek moest ik wel even nadenken trouwens, met dat ‘all-colour’. Maar na lezing van het voorwoord begreep ik dat de auteur zoiets als ‘alles en iedereen’ bedoeld zal hebben. En nee, ik voelde me niet schuldig of dieverig, integendeel. Ik gaf hier zomaar twee opgegeven kookboeken een herkansing. Te beginnen met vandaag. Met een stevig gekruide ‘bobotie’ uit het Zuid-Afrikaanse boek. Wel een klein beetje ver-Zuid-Franst, maar dat gaat nu eenmaal vanzelf.
Dus lekker eet en geniet die kos!

Ingrediënten:
1 kilo gehakt halfom
2 grote uien
2 tenen knoflook
2 eieren
1 dikke snee witbrood (pain de mie)
2 eetlepels amandelschaafsel
250 ml melk
125 gram rozijnen
3 eetlepels abrikozenjam
1 eetlepel currypoeder
½ eetlepel kurkuma
2 theelepels zout
1 theelepel pittige sambal
sap van 1 citroen
6 hele laurierbladeren
olijfolie

Bereiding:
Pel en snipper de ui, pel de knoflooktenen.
Verhit een scheut olijfolie in een ruime braadpan en bak de uien erin aan.
Voeg het gehakt toe, haal het los met een vork en laat een paar minuutjes meebakken. Knijp de knoflook erboven uit en roer om. Draai het vuur uit.
Verhit intussen de oven voor op 180 graden.
Doe de melk in een kom (maar hou een half kopje apart) en week het brood erin. Voeg alle overige ingrediënten toe (behalve 1 ei, dat halve kopje melk, en de laurierbladeren), meng alles door elkaar en voeg de brei bij het gehakt/uimengsel.
Schep alles in een ingevette ovenschaal. Schuif die in het midden van de voorverwarmde oven.
Klop intussen het achtergehouden ei los, voeg het halve kopje melk toe, en giet het mengsel uit over de ovenschotel, nadat die een kwartiertje heeft staan bakken. Leg er de laurierbladen bovenop ter garnering.
Zet de schotel terug in de oven en laat nog een minuut of 30-35 bakken, tot de bovenkant mooi goudbruin is geworden.
Geef er rijst bij en een salade (van bijvoorbeeld komkommer, tomaat en wat dungesneden uienringen, beetje zout & peper, besprenkelen met wat olijfolie en wijnazijn). En vergeet het glaasje koele rosé niet.

Een lange, hete zomer

do 16 maart 2017

Het is vandaag zó’n onwaarschijnlijke prachtdag dat je je afvraagt waaraan we dat verdiend hebben. Nee, ik heb het niet over de verkiezingen in NL van gisteren, want vandaag begint het gedoe pas goed daar: wie met wie, en wie vooral niet, dat kan nog oeverloos lang gaan duren. Ik heb het ook niet over de komende verkiezingen hier in Frankrijk en de bijbehorende schandalen waarmee we nu al wekenlang worden overvoerd: de sp(r)ookjesbanen van Fillon c.s., de weigering van Marine Le Pen om voor de onderzoeksrechter te verschijnen wegens ‘kwade zaakjes’, het vermeende mes in de rug van Emmanuel Macron door Manuel Valls enzovoort enzoverder.
Nee hoor, ik heb het gewoon over een onwaarschijnlijke prachtdag hier ten plattelande. Over opgewekt wakker worden vanwege dat straaltje zon dat voorbarig door de luiken piept. Over het luidruchtige concert van allerhande vogeltjes die op doorreis van de tropen naar het noorden juist in jouw achtertuin pauzeren en die je vanuit de uitbottende bomen en struiken tegemoet kwetteren. Over het ochtendrondje met de honden op kaplaarzen door het zeiknatte gras langs de rivier, maar wel met de zon op je rug. Over het kabbelende water dat van de winter nog zo verraderlijk over de oevers kolkte en nu vriendelijk murmelend langs een vers ingericht eendennest ruist. Over lunchen op het terras en over de echtgenoot voor het eerst in korte broek zien verschijnen (geen commentaar) en zeker weten dat het een lange, hete zomer gaat worden.
“Hoe kun je dat nou zo zeker weten?” vroeg deze météo-adept (vooral vanwege weervrouwe Sandra LaRue van BFM-TV) cynisch.
“Dat voel je, dat zie je; kijk dan naar die forsythia, die staat normaal gesproken pas half april in bloei! Die hazelaar daar heeft al geen katjes meer maar schiet in ‘t blad, zelfs onze trage, stokoude eiken zitten al vol knoppen”, betoogde ik, met weids armgebaren het struweel rondom het huis duidend. Oké, die eerste twee horen niet standaard bij de groenvoorziening in dit deel van de Provence, daar weet een vorige huiseigenaar vast meer van, maar ze staan er nu eenmaal, ik heb ze herkend. Zo’n forsythia herinner ik me nog van heel vroeger, uit het Rotterdamse postzegeltuintje van mijn ouders. Die hazelaar stond in het groot naast het lagere-schoolplein van m’n jeugd; die katjes waren fluweelzacht aaibaar.
“Forsythia?” vroeg de echtgenoot voorzichtig, zijn natuurkennis gaat niet verder dan ‘daar staat een boom’.
“Dat bosje takken daar, met die gele bloemetjes” wees ik hulpvaardig aan.
“Hazelaar?”
“Die ‘wegversperring’ bij de rivier, met sinds vorige week van die kleine groene vingertjes.”
Voor hij naar de eiken kon vragen gebaarde ik naar de kromgetrokken woudreuzen rondom. En gaf ook nog even mee dat de dennen een stuk hogerop op de heuvels, gewoon groen blijven ’s winters dus dat die eigenlijk niet meetelden bij zomerse voorgevoelens.
Hij knikte begripvol, met iets van ‘ga nou maar even rustig zitten meisje’ in z’n blik. En hield de fles gekoelde rosé uitnodigend boven m’n glas.
Toen wist ik het helemaal zeker: het wordt een lange, hete zomer. Alle voortekenen wijzen erop.

 

Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Ik leen wel eens vaker een receptje bij de Italiaanse buren van net over de grens als het om lekker eten gaat, dus stond er gisteren onvervalste Spaghetti Aglio e Olio op het lunchmenu. Hier in de Provence overigens beter bekend als Spaghettata. Terwijl ik opzocht op internet waar dat nou vandaan kwam, stuitte ik op een eethuisje dat zo heet. In Rotterdam! Je hebt je hielen nog niet gelicht of ze gaan daar ook ineens Zuid-Frankrijkje spelen, zelfs die pasta staat op het menu! Maar goed, spaghettata schijnt oorspronkelijk uit Napels te komen en betekent zo iets als ‘maaltje spaghetti’. Armeluis’ voedsel, want als je niks had, had je altijd nog wel wat pasta, knoflook, olie, zout & peper in huis. Maar ja, als je wat méér in huis hebt, ga je optutten. En dat doen ze hier in de buurt dan ook volop; er wordt dus van alles en nog wat aan die basispasta toegevoegd. Ik hou het liever bij de oervorm: dunne spaghetti met knoflook, olijfolie en een pepertje. Nou ja, met een béétje variatie dan; ik gebruik liever sambal in plaats van een fijngesneden pepertje (ik hou niet zo van een heel reepje peper in de bakkes), basilicum (in plaats van peterselie) vind ik smaakrijker, een schep zeezout vervang ik liever door wat groentenbouillon, tomatenblokjes maken het net wat vrolijker, en geraspte parmesan vind ik gewoon lekker. Spaghettata di casa mia dus! Moet kunnen.

Ingrediënten:
400 gram spaghetti
4 tenen knoflook
1 uitje
½ bosje basilicum (platte peterselie mag ook)
4 grote tomaten (blikje gepelde mag ook)
likje sambal (of een ragfijn gesneden pepertje)
½ groentenbouilllontablet
eventueel wat zout
olijfolie
geraspe parmesan

Bereiding:
Pel de knoflooktenen, pel en snipper het uitje.
Snij de basilicum (of peterselie) fijn.
Snij de tomaten in vieren, haal de harde kroontjes en de zaadlijsten eruit, snij het vruchtvlees in blokjes. (Of laat de bliktomaten uitlekken in een vergiet en snij die in blokjes.)
Kook de pasta in ruim water met een flinke scheut olijfolie beetgaar.
Verhit intussen een scheut olijfolie in een koekenpan, doe er het gesnipperde uitje en de uitgeperste knoflooktenen bij en laat op zacht vuur onder af en toe omroeren een paar minuten pruttelen. Verkruimel er de ½ groentenbouillontablet bij, voeg een likje sambal (of dat pepertje) toe, plus de tomatenblokjes, roer alles door elkaar en laat nog een minuutje doorwarmen. Eventueel wat sambal en/of wat zout toevoegen als de saus te flauw is. Draai het vuur uit.
Giet de gare pasta af in een vergiet (niet afspoelen!), schudt een paar keer om en doe over in een ruime kom. Voeg de saus plus de basilicum toe, schep alles om en verdeel over de borden. Bestrooi met geraspte parmesan.
Geef er een salade plus stokbrood en uiteraard een glaasje rosé bij.
Tip: voor een uitgebreidere maaltijd kun je er ook wat gegrilleerde (of gebakken) garnalen of kipsnippers bij geven.