En nou is ie dood

Mijn hond is dood. ’t Is niet de eerste, waarschijnlijk ook niet de laatste, wel een markante; type ‘trouw tot in de dood’. Nergens voor opgeleid, geen papieren, maar een echte vriend heeft geen stempeltjes nodig. Hij heeft me het leven gered, toen ik eventjes een paar jaar in Portugal woonde.
Een klein eerbetoon.
Tobi, aide moi!” Die noodverzuchting was doorgaans voldoende om de stokoude herder, die bijna zeventien jaar ons leven deelde, tot actie aan te sporen. Vroeger, toen hij jong en dynamisch was, kwam hij aangesprint; de laatste jaren was het meer aanslóffen. “Wat? Hulp nodig? Tuurlijk, zeg het maar.” Alert, de markante kop een beetje schuin, wachtte hij dan op verdere instructies. Die konden variëren. Tobi was nergens te beroerd voor. Hulp-eter in een restaurant: graag! Even een opdringerig everzwijn weggrommen? Vanzelfsprekend. We hebben er nooit misbruik van gemaakt, want als de term ‘hondstrouw’ op iemand van toepassing was, dan was het wel op hem. De goedheid zelve, maar een indrukwekkende verschijning met een donkerbruine blaf waarmee hij bij vreemd volk ontzag en respect afdwong. Gewoon, door even ten tonele te verschijnen.
En dat is heel prettig, als je ergens in de onontgonnen binnenlanden van een godverlaten derde-wereldrepubliek woont. In een prachtig, ruig en ongerept natuurgebied, dat wel. Waar behalve wij, bijna nooit iemand zonder vooraankondiging en uitgebreide routebeschrijving zich waagde. Maar àls er iemand in de buurt kwam, kon ie maar beter niks slechts in de zin hebben; Tobi had elke onverlaat geheid gemold.
Hij beschikte als pup al over een opmerkelijk familiegevoel. Ongeveer tegelijkertijd met de komst van Tobias, kregen we een jong katje over de vloer; een erfenis, waar eigenlijk niemand op zat te wachten. Maar Tobias adopteerde het mormel meteen en in zijn optiek betekende dat ‘afblijven’! Vrienden die met hun wat al te jolige hond op bezoek kwamen kunnen er van meepraten. Er ging er maar eentje de hoogste boom in, en dat was niet Tobi’s kat.
Minstens zo toegenegen was hij onze andere hond -Truffe-, een luiddruchtig opgewekte blafkees, een jachthond en avonturier ‘pur sang’, die hem graag meesleepte op zijn ontdekkingsreizen door eigen en andermans territorium. Truffe heeft overigens gelukkig nooit echt begrepen dat hij een jachthond was en derhalve ook nooit iets van (klein) wild gedood of zelfs maar schrik aangejaagd, maar ja: die luchten, die sporen! Het bracht hem in vervoering en bijgevolg soms dagen van huis (en het werd uiteindelijk zijn dood, maar om daar nu over uit te weiden wordt wat veel ineens; misschien later). Tobi ging er in mee. Een beetje. Lekker samen rennen, lekkere luchten achterna. Maar niet te ver hè. Zijn verantwoordelijkheden lagen toch meer thuis: have en goed beschermen. Je bent nu eenmaal herder, dat zit je in het bloed, niet in een stamboom die je niet hebt. En dat werd weleens een beetje verkeerd begrepen.
Nooit zal ik de dag vergeten dat er gerucht was buiten. We zaten op ons thuiskantoor braaf stukjes te tikken. Een geruis, meer niet. Tobi was buiten, maar zag geen aanleiding om zijn blafalarm aan te zetten. Hij slenterde voor ons kantoorraam langs en bleef nieuwsgierig snuffelend naast de buitendeur staan. Toch maar even kijken? Ik trok de deur open, keek naar links, keek naar rechts, en schrok me kapot! Pal naast die deur stond een tuinstoeltje. En daarop stond een mannetje. Hij was er in blinde paniek op gesprongen toen hij Tobi ontwaarde. Hij kwam -na een half jaar smeken- namens de provider de gemankeerde internetsattelietverbinding repareren. Zonder vooraankondiging, zonder afspraak, zomaar. Daar had vanzelfsprekend niemand op gerekend. Tobias al helemaal niet, dus ja, zo’n vreemde snuiter snuf je wel even langs de broekspijpen om te weten of ie deugt. “Doe dat monster weg!” piepte het mannetje, “of ik kom hier niet meer vanaf”, duidend op het geriatrische stoeltje dat al akelig wiebelde. We hebben Tobi maar even binnenshuis opgesloten, waar hij niet begrijpend door het raam bleef staren naar die ‘alien’ die hij echt geen kwaad had willen doen. Maar ja, je moet toch even weten wat voor vlees je in de kuip hebt?
En dat dat vlees niet altijd deugde, heeft hij op gruwelijke wijze aan den lijve ondervonden.
Er waren jagers. Meer stropers eigenlijk. Die zijn er altijd wel in dit soort ruige uithoeken van het ongeorganiseerde platteland. Doorgaans hoor je ze, soms zie je ze, maar meestal blijven ze toch redelijk uit de buurt van bewoonde buitenposten, zoals de onze. Zo niet dit keer. Noem het dom, maar ik ging kijken waarom er onderaan ons pad ineens het ronkende geluid van motorzagen klonk. Voorzichtig sloop ik de paar honderd meter bebost pad naar beneden, die ons van het rurale weggetje naar de bewoonde wereld scheidt. Het duurde even voor wat ik daar zag, echt tot me doordrong. Een verzameling 4×4 terreinwagens, een twintigtal knoestige mannen in camouflagepakken die bezig waren onze bomen tot brandhout te verzagen, omringd door een krioelende meute gemaltraiteerde jachthonden. Waar in meer ‘beschaafde’ landen jachthonden in elk geval een min of meer hondwaardig bestaan wordt geboden, is in deze Portugese contreien de diervriendelijkheid ver te zoeken. Opgesloten in kleine hokjes, zwaar ondervoed, jachtgretig gemaakt door mishandeling; hier zijn honden vals en vaak levensbedreigend, ook voor mensen. Vanzelfsprekend gingen meteen alle alarmbellen af toen ik de oorzaak van het tumult ontwaarde. Hier ging ik me absoluut niet mee bemoeien! Jawel, het waren onze bomen. Jawel, dit was volstrekt illegaal. En jawel, ik zou volkomen in mijn recht staan. Maar hier gold het recht van de sterkste. Ik was vreemdeling in dit land. En ‘outnumberd’ zoals ze dat zo mooi zeggen. Ik ging terug naar huis, jammer van die bomen, liever overleven. Helaas.
Tobi was me ongemerkt nagelopen. Waar ik besloot dat dit geen zin had, daagde bij hem het besef dat zijn territorium werd geschonden en dat zijn huis en haard werden bedreigd. Hij liep me voorbij, het pad af, en liet zich niet terugroepen. En masse viel de meute jachthonden hem aan. Ik zag hem verdwijnen onder een hysterische deken van bloed-geil moordgericht natuurgeweld. Dat Nooit! Als een idioot rende ik het pad weer af naar beneden. Waar de kracht vandaan kwam weet ik niet, maar als een bezetene begon ik op die gierend gillende (jachthonden hebben een gruwelijke gil over zich als ze een prooi buit maken) moordmeute in te schoppen. Eén hond keek even op; ik keek regelrecht de hel in. Dit ging ik niet redden. Tobias, bedolven onder een troep van elkaar tot waanzin opzwepende moordmachines, evenmin. Op dat moment hoorde ik de droge klik van een jachtgeweer dat op scherp werd gezet. Eén van de jagers was blijkbaar tot het besef gekomen dat hier doden zouden vallen als er niet ingegrepen werd. En doden, betekent politie. De leider van de beestenbende kreeg het dubbelloops jachtgeweer op de kop gezet. Het gebaar was voldoende om de hele meute te doen afdruipen. Auto’s werden haastig gestart en binnen een vloek en een zucht was alles en iedereen weg, alsof er nooit iets was voorgevallen.
Ik hinkte naar huis, Tobi sjokte moeizaam achter me aan. Pas daar zag ik dan zijn hele zij was opengereten. Hij zei niets, hij zuchtte niet eens. Hij had zijn familie gered. Hij kon rustig gaan slapen. Vanzelfsprekend hebben we de dierenarts ingeschakeld. En die zei: ”laat maar, zoiets moet vanzelf helen. Hij komt er wel weer bovenop. Geef ‘m rust en een liefdevolle omgeving.”
Die heeft hij gehad. Tot aan het einde, gelukkig een paar jaar later, in zijn geboortedorp in Zuid-Frankrijk. En nu? Il me manque. Enormenent.

Kijk, Zuid-Frankrijk!

Een idee van Renée Vonk-Hagtingius, schrijver, journalist, copywriter, vertaler en hoofdredacteur van www.coteprovence.nl

Eén gedachte over “En nou is ie dood

Geef een reactie

%d bloggers liken dit: