Quatorze Juillet

balIn mijn Provençaalse gehucht wordt Quatorze Juillet bloedserieus genomen. Al dagen van tevoren komt er een speciaal team van ‘experts pyrotechnique’ uit de grote stad om het vuurwerk in stelling te brengen. En tot het ‘uur U’ daar is, wordt het feestkruit door de lokale champêtre en een gelegenheidscollega desnoods met hun leven verdedigd. Tussen mijn dorp en het naastgelegen dorp heerst namelijk al sinds mensenheugenis een vete. Overheden die er verstand van menen te hebben, vinden het namelijk onverantwoord om in beide gehuchten tegelijkertijd een ‘feu artifice’ toe te staan. Eén van de twee moet daarom een dag eerder worden gehouden. Dus is er elk jaar weer een verbeten strijd voor het mooiste, grootste en indrukwekkendste vuurwerk, om de begeerde vergunning voor 14 juli binnen te slepen. Wie naar 13 juli wordt verbannen is een loser. Tot nu toe won mijn dorp. Maar als het buurdorp de kans schoon ziet, wordt er gesaboteerd. Vandaar die bewaking.
En aanstaande zondag zullen de ‘aaahhh’s en ooohhhh’s’ weer niet van de lucht zijn, het lokale sufferdje zal verslag doen en het dorp heeft weer een jaar de tijd om te sparen voor het volgende spektakel dat natuurlijk nog grootser van opzet zal zijn. Nou ja, in dorpswaarneming dan.
Jammer genoeg gaat dat ten koste van het bal na afloop van het vuurwerkgeweld. Regelde het Comité des Fêtes vroeger nog weleens een bandje dat best leuk had kunnen meekomen met de voorrondes een hits-uit-de-oude-doos-playbackshow, tegenwoordig moeten we het doen met een overjarige DJ met een kekke bolhoed om zijn kalende kruin te verbergen en een foute platenkeuze. Als diens tijd erop zit -doorgaans tegen elven- wordt hij opgevolgd door een accordeonist die slechts ‘musette’ op het repertoire heeft. Voor twaalven is de dansvloer leeg, op een paar die-hards en dronkaards na, tegen half een begint de veegploeg en tegen enen gaat het licht uit. Dat was vroeger wel anders. Het hele dorp op de dansvloer, van 2- tot 102-jarigen, wijn uit plastic, een frietcaravan gespecialiseerd in slappe spuitpatat én uitstekende Merguez-worstjes. En feestgedruis tot in de kleine uurtjes.
Dat leverde meteen een ander probleem op: Fernand, dé aannemer van ons dorp, die op 15 juli jarig is. Dat betekent rond ‘midi’ aanschuiven aan de schragentafels die hij in zijn tuin heeft neergezet.
In het holst van de nacht thuisgekomen van het republikeins dansfeest van ‘liberté, égalité, fraternité’, zijn we -amper bij de les- gedoemd de eerste Ricard soldaat te maken. Bij Fernand is het even uitbuikig als verplicht tafelen. Eten & drinken in onbeperkte hoeveelheden: anisette, rosé, rouge & blanc, paté, tapenade, gazpacchio, brouillade met zomertruffel, goed kluifbare Provençaalse spare-ribs, ‘illegale’ rauwmelkse kaas die nog echt smaakt en een variant van de salade Niçoise. Voor de naar schatting 80 dorpelingen die hij steevast inviteert.
Toen we voor de eerste keer waren uitgenodigd, kregen we van een paar autochtonen ingepeperd dat we ons als ‘priviligés’ (bevoorrechten) moesten beschouwen. Daar waren we het roerend mee eens, dus we besloten ons bescheiden op te stellen. Die eerste keer bij Fernand leek het ons dan ook verstandig zo tegen drieën op te stappen. Fout! We dienden minstens te wachten op de ‘méchoui’ die voor vijf uur op het programma stond. Dan praat je over een heel schaap aan het spit; er laaide al een gretig vuur in de barbecue, een tweetal in de lengte doorgezaagde oliedrums met een vernuftig geknutseld draaispit erboven. De regie was toevertrouwd aan de Nederlands-Marokkaanse combi Zonderland en Ahmar, een duo ruwbolsterige bosarbeiders dat we uit het café kenden.
We bleven. Het duurde tot tegen achten voor de méchoui’-chefs het sein op groen zetten. Ondertussen werd er dóórgedronken, of liever gezegd: dóórgetapt. Ik realiseerde me dat we weliswaar de vorige dag de Revolutie hadden gevierd, maar dat een opstand tegen Koning Alcohol in ons dorpje kansloos was. Tegen middernacht vond ik dat het mooi geweest was, hoewel er nog volop werd gedanst bij het licht van de lampions die in de bomen waren opgehangen.
“Wie rijdt er?”, vroeg mijn man, ook een slokje verder.
“Maakt niet uit”, grijnsde makelaar Gérard, die naast me stond. De vorige avond na het dorpsfeest was hij met zijn auto bovenop een paaltje terechtgekomen. Gendarmes waren toegeschoten en zetten zijn wagen keurig op de weg. “Bonne route, monsieur” was alles dat ze tegen hem zeiden. Blaaspijpjes bestonden toen nog niet, anders was het zijne vast geëxplodeerd.
Dat probleem hebben we niet meer, daarvoor is het dorpsfeest ‘nieuwe stijl’ te vroeg afgelopen.
Maar ja, dat verjaardagsfeestje van Fernand, waarvoor we gisteren tijdens het apéro weer zijn uitgenodigd. Hoe dacht hij zijn gasten dit jaar zonder problemen thuis te krijgen? Even keek hij me verbaasd aan. Toen kwam de in zijn ogen even logische als geniale oplossing: “C’est simple. Ik heb de champêtres ook uitgenodigd.”

Kijk, Zuid-Frankrijk!

Een idee van Renée Vonk-Hagtingius, schrijver, journalist, copywriter, vertaler en hoofdredacteur van www.coteprovence.nl

8 gedachten over “Quatorze Juillet

Geef een reactie

%d bloggers liken dit: