Home

Stierenslepen verboden

juni 28, 2015

l-encierro-a-l-eyraguaise-ou-taureau-a-la-corde-est-desormais-interdit-mais-les-organisateurs-peuvent-se-pourvoir-en-cassation
Mooi zo. Het mag nu echt niet meer. Deze week verbood het Cour d’Appèl in Aix-en-Provence in hoger beroep de ‘encierro à l’Eyraguaise’, een volksvermaak waarvan de essentie is het aan een touw door de straten van het stadje voortslepen van een stier. De rechtbank in Tarascon verbood deze 3 eeuwen oude vorm van ‘volksvermaak’ half mei al. Voorstanders van het wrede gebruik gingen in Saint-Rémy-de-Provence massaal de straat op. En in hoger beroep.
Nu is er dus definitief een einde gemaakt aan een als ‘traditie’ bestempelde vorm van dierenmishandeling die eigenlijk al sinds 1966 verboden was, maar de afgelopen 50 jaar werd gedoogd door maar liefst 17 prefecten. Opluchting bij dierenvrienden, woede bij de liefhebbers. Zoals de député-maire van Châteaurenard Bernard Reyes die premier Valls in een brandbrief liet weten: “Ik kan niet toestaan dat onze corrida verdwijnt door de desinteresse van sommige hoge functionarissen die hun wortels elders hebben en niets van onze tradities snappen.”
Intussen wordt Claire Starozinski, voorzitster van de Alliance anti-corrida die de rechtszaak aanspande, op Facebook met de dood bedreigd. Haar wordt aangeraden voorlopig maar niet in Eyragues te komen. Ze overweegt een aanklacht in te dienen: “Je crains dégun” (ik ben voor niemand bang) verklaart ze in onvervalst Provençaals. Die Claire, die mag ik wel.

maxi_9879
Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Het heeft lang geduurd voor ik over mijn haat jegens tuinbonen heen was. Mijn oma – in mijn jeugd woonachtig aan de plattelandsgrens van Barendrecht – had een moestuin, vandaar. Nee, ik zal het uitleggen. Mijn oma was een schat van een mens, maar een beetje fanatieke moestuinier. Altijd als mijn zusjes en ik er waren, moest er gemoestuind worden. Onkruid wieden, oogsten, bemesten. Dat laatste ging met in water geweekte paardenvijgen die mijn opa speciaal bij de boer haalde en die met een afgedankte soeplepel uit een verweerde emmer geschept moesten worden; ik vond het gruwelwerk, ik zal die lucht niet snel vergeten. Maar wat me het meeste is bijgebleven zijn de enorme bergen tuinbonen die geplukt en daarna ook nog eens gedopt moesten worden. Dubbel hè, niet zomaar uit de peul pellen, ook dat stugge velletje eraf. Kramp in al je vingers en nog dagen later onuitwisbaar bonenzwart op je handen en onder je nagels. Looizuur (tannine) weet ik nu, en ook dat je nergens last van hebt als je hh-handschoenen aantrekt. Maar ja, dat is nu … Toén moesten al die bonen ook nog op. Stug doorgekookt vanzelfsprekend. En later in het seizoen bremzout, uit de weckfles. Intussen heb ik tuinbonen leren waarderen. Omdat je er zoveel meer mee kan, en omdat ze wel degelijk lekker klaar te maken zijn. Probeer deze tuinbonensalade met krab maar eens. Smulgarantie meegeleverd.

Ingrediënten:
450 gram verse tuinbonen (gedopt gewicht)
200 gram krabvlees (blikje)
8 lente-uitjes, met loof
½ bosje platte peterselie
2 eetlepels vloeibare room
4 eetlepels olijfolie
scheutje melk
zout, peper

Bereiding:
Breng in een ruime pan een laag water (circa 3 cm) aan de kook met een snufje zout en een scheutje melk; de melk zorgt ervoor dat de tuinbonenvelletjes zacht worden. Doe de tuinbonen erbij en laat opnieuw aan de kook komen. Laat op laag vuur zo’n 5-10 minuten koken, wat langer als de bonen nog niet mals zijn.
Pel en snipper intussen de lente-uitjes, inclusief het loof (alleen het uiteinde weggooien) en snij de peterselie grof; dikke stelen weggooien.
Giet het blikje krab af.
Giet de gare bonen af in een vergiet en spoel ze snel na met koud water zodat ze krokant blijven. Laat ze uitlekken en doe ze over in een ruime kom.
Roer er de olijfolie, de room, en peper en zout naar smaak doorheen.
Voeg de uitjes, de krab en de peterselie toe er roer alles voorzichtig door elkaar.
Meteen serveren, met een mooi glas rosé erbij.

gallerieslafayettes_sipaIk heb een Mac. Na 100 jaar eenzaamheid achter een PC (en minstens zoveel virus-, handige mannetjes- en andere ellende) ben ik overgestapt. Nou ja, overgestapt…, eigenlijk meer overgeschópt. Koudwatervrees, zullen we maar zeggen. Maar een steeds vaker falende PC en de belofte van vriend Marcel dat ie me ‘wel zou helpen’ dwongen me over de streep. Het werd een memorabele zaterdag, verdeeld tussen computergedoe, de Indische maaltijd die ik had bereid en zeven honden (twee van mij, twee van Marcel en drie van de Britse buren die twee weken voor familiebezoek aan de overkant van het Kanaal bivakkeren, maar daarover vertel ik later nog wel eens). Hoe dan ook, Marcel heeft ’s avonds laat met zijn bokkige XM huis gehaald en inmiddels een CX aangeschaft, maar daarover vertelt ie zelf wel (http://reimer.fr/duurste-citroen-cx-ooit).
Zondag sloop ik nog zo’ n beetje om het apparaat heen, tripte eens wat onwennig over het nieuwe toetsenbord, zette het ding uit en nam een kijkje op het Fête de la Musique. Maar maandag zou ik serieus aan de slag.
Maccie, grapte ik bij mezelf toen ik eindelijk genoeg moed verzameld had. Ik snap het allemaal best, al zitten de knopjes net even anders, kloppen de symbooltjes niet en scrolt zo’n ‘magic mouse’ precies de omgekeerde kant op. Dapper ploegde ik me door alle mogelijke computervarianten op Dante’s helletocht uit La Divina Comedia heen. De hele maandag. En de hele dinsdag. Maar aan het eind van die dag gloorde er zowaar licht: ik begon de hele handel een beetje door te krijgen, de Mac-hemel leek binnen handbereik. Er was alleen nog één dingetje, er moest een UTP-kabeltje komen voor de printer die zonder zo’n snoertje niets van de nieuwe Mac wilde weten.
Hebben ze vast wel bij het Espace Culturel – het elektronica Walhalla van de grote LeClerc een paar dorpen verderop – dacht ik optimistisch.
En monter gestemd stapte ik op woensdagochtend in alle vroegte de auto in om dat onmisbare verbindingsattribuut te gaan scoren. Die LeClerc gaat om half negen uur open, ik was er keurig op tijd. Met moeite vond ik een plekje in een uithoek van het immense parkeerterrein dat zich voor de supermarché uitstrekt en repte me tussen al het geparkeerde blik door naar het helemaal aan de andere kant gelegen Espace Culturel. Naarmate ik dichterbij kwam hoorde ik geluiden die ik niet kon thuisbrengen; boze stemmen, hier en daar een uitroep, onduidelijk gedruis. Ik rondde de laatste bestelbus. En zag een horde ongedisciplineerde kooplustigen zich – soms duwend en trekkend – het beste plekje voor de toegangsdeuren toe-eigenen. Op het moment dat de rolluiken ratelend omhoog gingen ramde de hele kluwen als een meute opgewonden jachthonden naar binnen. En ik wist: ‘ soldes’, uitverkoop. De eerste dag nog wel. Daarbinnen zou gevochten worden. Om dingen die wellicht niemand nodig had, maar die iedereen toch wilde hebben omdat ze nu eenmaal in de aanbieding waren. En die waarschijnlijk speciaal voor deze goldrush waren ingekocht, maar dat stond er natuurlijk niet bij op de bordjes ‘van/voor’.
Zoveel grootsteedse gekte had ik op het Provençaalse platteland niet verwacht. Maar ja, crisis en zo, de werkloosheid loopt hier nog steeds op, dus elk voordeeltje is inpikkenswaardig. Ik bekeek het gewemel achter de veiligheidsglazen schuifdeuren vanaf een afstandje.
Ik kon kiezen, óf het kabeltje vergeten en naar huis gaan, of doorzetten en me in het krijgsgewoel wagen. Het werd de laffe middenweg, een straffe espresso in de ‘coin café’ van de supermarché en dan maar zien of het straks rustiger werd. Na een half uurtje ging ik polshoogte nemen, het wemelde nog steeds, maar minder. Ik besloot door te drukken, neem dat gerust letterlijk, en bereikte na hier en daar een licht handgemeen en een litanie aan ‘gros mots’ die over me werd uitgestort toen ik bijna dwars door een fors beeldscherm heen werd geduwd waaraan twee middelbare dames stonden te trekken, de draadjesafdeling. Waar het opmerkelijk rustig was. Ik inspecteerde het aanbod maar zag nergens een UTP-kabeltje. Terwijl ik me in een laatste poging diep vooroverboog naar de alleronderste rekjes, werd ik vol in de flank getroffen door een jeugdige vakkenvuller met een bijna ontorsbare stapel verse waar. “Oh, mes excuses”, stamelde hij meteen, hij had me niet gezien.
“Mais ça tombe bien!” zei ik enthousiast terwijl ik overeind krabbelde.
Hij keek naar de berg gevallen dozen en doosjes op de vloer en toen naar mij, met zo’n blik van ‘ dat kan er ook nog wel bij’.
“Nee, niet die valpartij”, legde ik zijn misvatting uit, “ ik heb een vraagje, ik zoek een UTP-kabeltje. Waar vind ik dat?” Zijn schouders zakten een paar centimeter in, zijn blik werd glazig, duidelijk geen idee. Met een moedeloos handgebaar wuifde hij me naar de vrijwel door dringende mensen aan het zicht onttrokken infobalie. Ik bedankte hem netjes en werkte me een weg naar de uitgang. Op de parkeerplaats sloot ik aan in de file voor de uitgang.
Thuis startte ik de Mac, bij amazon of bol was vast wel zo’n kabeltje te scoren.
Geen internet. Ik besloot te emigreren. In de binnenlanden van Portugal schijnt het nog redelijk rustig te zijn. Griekenland, straks uit de EU, ook een optie.
“Wanneer gaan we?”, vroeg de echtgenoot handenwrijvend, hij vindt onze (niet meer zo) eenzame berg al te druk.
Op dat moment sprong het internet weer aan. Ik logde snel in en bestelde mijn begeerde kabeltje.
“Nog even niet” , vond ik, “maar zodra mijn kabeltje is bezorgd….”
Dat kan nog wel even duren. De posteuze werkt – vanwege een verse amant op haar route – tegenwoordig in deeltijd, al weet haar patron dat niet. Zo’n kabeltje kan dus best wel eens een tijdje langer dan de officiële bezorgduur onder weg zijn.
Heb ik nog even bedenktijd.

3-may_plaice_almonds
Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

De visboer had er de pest in. Hij was zojuist € 80 armer geworden. Europese regelgeving. Hij en al zijn collega’s zijn sinds kort verplicht om een luid en duidelijk bord in de winkel of marktkraam op te hangen waarop de Latijnse namen van alle vis, schaal- en schelpdieren worden vermeld. Vanwege de consumentenvoorlichting; Brussel vindt dat de klant de originele benaming van de zeewaar moet kunnen traceren. Dus dat -pak ‘m beet- tong in het Latijns solea solea heet. Ik vond dat wel heel vrolijk klinken als je bedenkt dat de Provençaalse benaming voor zon ‘souleou’ is, wat aardig in de buurt komt van solea. Maar goed, de visboer zag die zonzijde niet echt. “Als ik dat stomme bord niet ophang, kan ik een boete krijgen, die kan oplopen tot zo’n € 700”, monkelde hij terwijl hij mijn visjes ontvelde en ontkopte. Hij had meteen maar een stevig geplastificeerd bord gekocht, want die goedkope kartonnen rotzooi was na een week alweer ‘foutu’. En als er dan controle kwam, kon hij dokken. “C’est l’Europe hein.” Onzinregelgeving.15019
Ik was het roerend met hem eens. En nam met nog meer dankbaarheid mijn perfect tot filets verwerkte solea solea in ontvangst. Voor een heerlijk zonnig zomergerecht. Ooit opgedaan tijdens een tripje naar Toscane, maar inmiddels geheel naar eigen idee ‘verbouwd’ tot het favoriete recept van de hele ‘famiglia’. Het is dan ook absolute smulvis, die zowel warm als koud, bij lunch of diner, en als voor- of hoofdgerecht kan worden gegeten. Makkelijk tevoren klaar te maken en zelfs een dagje in de koelkast te bewaren. Ook zonder Europese regeltjes. Want dat maken we zelf wel uit. Nog wel.

Ingrediënten:
500 gram zeetongfilets
1 kleine ui
2 middelgrote wortelen
3 stelen bleekselderij (beetje blad erbij mag)
1 eetlepel rozijnen
2 laurierblaadjes
2 volle eetlepels geschaafde amandelen
1 dl witte wijn
2-3 eetlepels wijnazijn
zout, witte peper
bloem
olijfolie, boter

Bereiding:
Laat de rozijnen een kwartiertje weken in lauw water, giet ze af en dep ze droog. Pel en snipper de ui. Schil of schraap de wortelen en snij ze in dunne plakjes. Was de bleekselderij, snij het onderste stuk ruim weg, verwijder eventuele blaadjes en snij de stelen in ringetjes, snij een paar blaadjes in reepjes. Rooster het amandelschaafsel in een droge koekenpan tot het lichtbruin kleurt. Zet weg.
Dep de tongfilets droog met keukenpapier, snij ze in reepjes van zo’n 2 cm dik, bestrooi ze met zout en peper. Doe een bergje bloem in een diep bord en wentel de tongreepjes erdoor.
Verhit in een ruime koeken- of braadpan een flinke scheut olijfolie en een klont boter (geen margarine!) tot de boter niet meer bruist. Bak de tongreepjes onder regelmatig omscheppen in 4-5 minuten goudbruin, vis ze uit de pan en leg ze in een ovenschaal.
Doe de ui, de wortelen, de selderij en de laurierblaadjes, met wat zout in dezelfde pan waarin u de vis gebakken hebt en laat alles onder goed omscheppen ‘al dente’ (beetgaar) worden op laag vuur; dat duurt zo’n 6-10 minuten, afhankelijk van de dikte van de gesneden groenten. Voeg er op het laatst de rozijnen aan toe en schep alles nog even goed door elkaar. Haal de groentemassa uit de pan en verdeel over de vis in de ovenschaal.
Doe de wijn en de wijnazijn bij het kookvocht in de pan en laat alles op hoog vuur inkoken tot de helft. Giet het vocht over de groenten/vis in de ovenschaal. Strooi er op het laatst de geschaafde amandelen overheen.
Serveer meteen warm, laat afkoelen, of bewaar afgedekt in de koelkast (waarna de schotel ook weer in de oven op 150 graden kan worden opgewarmd tot lauwwarm). Lekker met een 100% Provençaals glaasje rosé.

archives-le-dl
Alarmerende berichten in de krant vanmorgen. De tijgermug is aan een verdere opmars bezig. En daarom ben ik boos op mijn Britse buurvrouw.
Ik pas op de drie honden, terwijl zij en haar man twee weken familie en vrienden aflopen in Engeland. Geen probleem, ik doe het graag, ik zal er later meer over vertellen. Maar ik moest ook in de tuin zijn, om een verdwaalde knuffel te zoeken. Overal, echt overal stonden bakjes, potjes, teiltjes, emmers, bloembakschotels en wat al niet. Allemaal tot aan de rand toe gevuld met water -het regent hier op het ogenblik zo’n beetje elke middag- met boven elk bakje, potje enz. een wolk muggen. Tijgermuggen. Ik ben razendsnel teruggetijgerd en pas weer teruggegaan om alle bakjes, potjes enz. om te keren nadat ik me stevig had ingesmeerd. Maar die muggen zijn er inmiddels. Zo’n twaalf jaar geleden kwam het venijnige stekertje als verstekeling mee uit Azië en landde in de Alpes-Maritimes, ik heb ’t er hier al eerder over gehad. Maar jaar na jaar wordt het verspreidingsgebied groter. En inmiddels heeft dat rotmugje zich voorgoed gevestigd in 20 departementen, waaronder de hele regio PACA (zie kaart). Vigilance Moustiques, die de verspreiding in de gaten houdt, verwacht dat het insect zich in 2030 over heel Frankrijk heeft verspreid.la-carte-pour-cette-annee-vigilance-moustiques
Geen goed nieuws, want de Aedes albopictus, een klein gestreept opdondertje met een behoorlijk pijnlijke steek is de overbrenger van een aantal onaangename ziektes, zoals gele koorts, chikungunya en dengue, waarvan er elke zomer in (Zuid-)Frankrijk meer ernstige gevallen te betreuren zijn. Niet alleen vanwege de inmiddels ingeburgerde mug. We hebben ook te maken met vakantiegangers die ergens in ‘outre mer’ (La Réunion, Guadeloupe, Martinique) gestoken zijn en daar zo’n enge ziekte hebben oplopen. Die nemen ze mee terug naar Frankrijk en vormen hier een bron van besmetting. Want wordt zo’n vakantieganger hier in Frankrijk nog een keertje gestoken -en met zoveel tijgermuggen is die kans levensgroot- dan infecteert hij de stekende mug, die op haar beurt (het zijn alleen de vrouwtjes die steken) weer een ander mens besteekt en dus infecteert. En zo verspreiden die enge ziektes zich in steeds hoger tempo. Jezelf 100% beschermen tegen infectie is een illusie, al scheelt het wel als je ook overdag (!) een sterk/tropisch antimuggenmiddel opsmeert, horren voor ramen en deuren hebt en onder een klamboe slaapt.
Intussen wordt door de EID 06 (Entente interdépartementale de démoustication)
serieus werk gemaakt van de bestrijding van de tijgermug. Dat gaat gepaard met onaangenaam grote hoeveelheden gifspuiterij, waardoor er straks ongetwijfeld nog grotere hoeveelheden tijgermuggen resistent zullen blijken te zijn.
Bovendien kunnen we er zelf heel wat aan doen om de muggenplaag binnen de perken te houden. Stilstaand water is de ideale omgeving voor muggen. Ze leggen er hun larven, die er uitstekend in gedijen: een paar dagen zon, een druilerige dag met regen, en een nieuwe populatie is geboren. Dus, laat in en om het huis geen plasjes water staan. Maak goten schoon, kieper de regenton om, leeg ‘vergeten’ emmers, gieters en in onbruik geraakte bloembakken, en kijk ook eens in kelders en schuurtjes of er niks stilletjes staat te verdampen. Tweede huis-eigenaren: láát iemand de boel nakijken tijdens je afwezigheid, en er meteen voor zorgen dat de pomp van het zwembad regelmatig draait zodat ook dat water niet stilstaat. Een kleine moeite, met groot resultaat. Helemaal uitroeien zal wel nooit meer lukken, maar hoe minder van die taaie tijgers, hoe beter. En ’t scheelt het risico op een paar akelig onaangename ziektes die je echt niet wilt oplopen. Plus flink wat treiterend gezoem, irritant gesteek en doorwaakte nachten, want ook ‘gewone’ muggen gedijen niet zonder een lekker broeierig plasje. En daarom ga ik nu even een hele boze email sturen naar de buuv in Engeland.

Clipboard01

Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland en België verkrijgbaar zijn, te maken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Las gisteren in de krant een angstaanjagend bericht: ‘Le régime alimentaire méditerranéen en voie de disparition’. Ik moet er niet aan denken! Geen oergezonde Méditerrane eetcultuur meer? Geen overheerlijke Provençaalse gerechten? Het einde van de traditionele ‘Cuisine Nissarde’?
Maar de waarschuwing van de voedsel- en landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) tijdens de huidige Wereldtentoonstelling in Milaan (nog tot 31 oktober) was luid en duidelijk. Samen met het Centre international des hautes études agronomiques méditerranéennes (CIHEAM) presenteerde de FAO een rapport dat er niet om liegt. Volgens hun schatting zou er nog maar 10% van de traditionele lokale ‘cuisine’ over zijn.
Het zou allemaal het gevolg zijn van de globalisering, een (snellere) levensstijl, een aangepast supermarktaanbod, een evoluerende eetcultuur en -last but not least- de veranderde rol van de vrouw in de samenleving. Het staat er nog net niet, maar als moeder de vrouw nou trouw thuis achter het fornuis was gebleven…..
En dan denk ik: wat een onzin.
Jawel, er is zelfs hier op het platteland een McDo verrezen waar je een bordkartonnen hamburger kunt gaan zitten uitkauwen, er zijn ‘snacks’ voor een snelle hap. Maar er zijn ook tal van eettentjes met een perfecte klassieke keuken. En de Cuisine Nissarde is springlevend, met steeds meer restaurants die het gelijknamige label voeren en gegarandeerd traditionele gerechten serveren.
In de supermarkten hier is er inderdaad een groeiend aanbod van ‘buitenlandse’ producten, maar de bulk komt nog steeds gewoon uit de omgeving. En de marché’s hebben zoals altijd een geweldig lokaal aanbod.
Blijft over de rol van de vrouw. En dan denk ik weer: wat een onzin. Franse vrouwen werken al generaties lang buiten de deur, de schooltijden zijn er op ingericht, overblijven is normaal bijvoorbeeld. En oké, misschien heb je na een vermoeiende werkdag niet altijd zin om uitgebreid te koken en lang achter het fornuis te staan. Is ook nergens voor nodig. Het geheim van de Méditerrane keuken zit ‘m namelijk in z’n eenvoud. Veel gerechten zijn overzichtelijk en in een handomdraai in elkaar te knutselen. Ook langdurige pruttelpotjes vergen wel (kook)tijd, maar de voorbereiding is doorgaans simpel en je hoeft er niet bij te blijven, die doen zichzelf. Ideaal voor het weekeinde. En voor de culinair minder onderlegde echtgenoot.
Dus hou op met die onzin. In de Provence koken we Méditerraan, met groenten, fruit, vis, mager vlees en olijfolie. Zoals altijd. Zoals de oergezonde, overheerlijke, supersimpele, traditionele tomatensaus saoussoun hieronder.

Ingrediënten:
1 kilo stevige tomaten
1 grote of 2 kleine ui(en)
2 tenen knoflook
1 bosje platte peterselie (of een ½ bosje krul)
10 blaadjes basilicum
snufje gemalen gember
zout, cayennepeper
wijnazijn
olijfolie

Bereiding:
Pel en snipper de ui. Pel de knoflook en snij die ragfijn.
Haal de grofste steeltjes van de peterselie en hak de rest fijn, snij de basilicum fijn.
Meng ui, knoflook, peterselie, basilicum, een snufje gember, wat zout en wat cayennepeper in een ruime kom en meng alles door elkaar. Roer er een scheut olijfolie en een scheutje wijnazijn bij. Proef op smaak en voeg er eventueel nog wat gember, zout, peper, olie of azijn aan toe, tot het lekker frissig en pittig smaakt.
Dompel de tomaten eventjes in kokend water, laat ze afkoelen en trek het velletje eraf. Snij ze in vieren, haal de pitjes eruit en snij het vruchtvlees in blokjes. Schep ze voorzichtig door het mengsel in de kom. C’est tout.
De saoussoun is afgedekt met plastic folie een paar dagen in de koelkast te bewaren. Voor gebruik nog even doorscheppen en op kamertemperatuur laten komen.
Lekker over pasta, gnocchi, allerlei groenten zoals haricots, broccoli, etcetera, met wat sla eronder, bij witvis, kalfsvlees, als vulling voor een omelet, als basis voor een wokgerecht en vul verder zelf maar in.

Roger_VergeVrijdag is ie overleden, hij was al langer ziek. Hij werd 85 maar voor mij en vele andere is hij onsterfelijk. Roger Vergé, de uitvinder van de ‘cuisine du soleil’. In zijn poepie-sjieke, met 3 Michelin-sterren bekroonde Le Moulin de Mougins leerde ik hem jaren tachtig kennen. Ik kwam er gewoon lunchen, met een zakenrelatie. Nou ja, gewoon. Er ging wel wat aan vooraf.
Want uitgerekend die ochtend ging de telefoon stuk. Paniek, want er moest een belangrijk artikel naar Nederland gefaxt worden (nee, email, internet en mobieltjes bestonden nog niet). France Télécom beloofde ‘m ‘asap’ te komen maken. Moet je wel thuis zijn natuurlijk. Maar er was ook die belangrijke afspraak met die opdrachtgever in Mougins.
“Ik ga wel alleen”, zei ik iets te opgeruimd tegen de echtgenoot, terwijl ik de Renault Espace instapte. “Zijn ze een beetje vlot, dan kun je me altijd nog achterna komen.”
Ze wáren vlot, maar nou ook weer niet zó vlot. Tegen het einde van de maaltijd kwam de echtgenoot oververhit en slordig in het pak, met krakende Eend tot stilstand voor Le Moulin. Waar de Mercedessen, Rolls-Royces en Ferrari’s net aan de terugtocht begonnen.
De ‘voiturier’ dirigeerde hem minzaam achterom, naar de leveranciersingang. Via de keuken hijgde hij uiteindelijk de eetzaal binnen.
Maar Vergé was een attente chef/patron. Hij regelde adequaat een mooie maaltijd ‘à ratrapper’, verontschuldigde zich omdat die klant en ik een beetje moesten wachten totdat mijn man de lunch-inhaalslag gemaakt had, en bood dessert, koffie en digestif van het huis aan. Dat dessert zal ik niet gauw vergeten, een superbe mousse au chocolat zoals ik ‘m nog nooit geproefd had.
Na afloop van de maaltijd kwam hij bescheiden vragen of alles naar wens was geweest. Een lieve, ongekunstelde man met op dat moment maar liefst vijf Michelinsterren op zak; als patron-cuisinier van ‘Le Moulin de Mougins’ 3 stuks, en voor zijn ‘filiaal’ L’Amandier in hetzelfde plaatsje Mougins 2 exemplaren. Beroemd en geroemd. Als het Filmfestival in Cannes gevierd werd, kwam de hele internationale jetset bij ‘m eten. Samen met Paul Bocuse en Gaston Lenôtre exporteerde hij de ‘cuisine française’ naar het buitenland, met name de VS en Japan. Zijn kookboeken waren ook toen al in tal van talen verkrijgbaar. Maar bovenal was hij de uitvinder van de ‘cuisine du soleil’, de lichte, zonnige keuken van de Provence waarin olijfolie, verse groenten en fruit en vis de boventoon voeren.
Hij had er net een nieuw kookboek over geschreven ‘Ma Cuisine du Soleil’. Hij legde het bijna verlegen op het hoekje van de tafel. “Pour vous faire plaisir.” Hij had me geen groter genoegen kunnen doen.
“Zoudt u het willen signeren…” vroeg de echtgenoot voor zijn doen bedeesd.
Met een klein glimlachje in zijn gesoigneerde witte snor en een lichte twinkeling in zijn vriendelijke ogen voldeed hij aan het verzoek.
Daarna voltrok zich thuis het wonder: de echtgenoot, nooit verder gekomen dan een matig gekookt eitje en berucht om zijn afkeer van tijdrovende voedselbereiding (over de afwas heb ik ’t maar niet) verscheen een paar dagen later ineens in de keuken. Met dat boek van Vergé onder zijn arm. Tot mijn verbijstering kondigde hij aan dat hij voor de lunch iets eetbaars ging fabriceren, of althans een poging daartoe zou wagen. Een recept uit hét boek. Volgens Vergé super-eenvoudig en binnen drie kwartier klaar. Ik zag er weinig in, vermoedde een soort motie van wantrouwen jegens mijn gastronomische prestaties. En maakte me als een haas uit de voeten, buiten gehoorsafstand. Maar geloof het of niet, ongeveer anderhalf uur later kreeg ik (inmiddels toch wel dodelijk ongerust, met een fles rosé èn een brandblusapparaat binnen handbereik op het terras) een kopje doperwtensoep met kerrie voorgezet. Ik nam een voorzichtig hapje. Heerlijk!
Ik kreeg ineens visioenen van onvergetelijke maaltijden waarvoor ik mijn hand niet zou hoeven omdraaien omdat er voor me gekookt wérd. Dus ik putte me uit in complimenten. En vroeg nonchalant: “Ga je dit vaker doen?”
“Nou nee”, klonk het misnoegd. “Geen talent en geen geduld. En die koks, die doen maar wat. Beetje aanklooien. Stelt niks voor.”
Ik wilde nog iets uitleggen over geniale eenvoud en de hand van de meester en zo, maar er was al geen markt meer voor. Die avond kookte ik gewoon weer zelf. Niks van Vergé, ik had er helaas niet alle spullen voor in huis. Tijdens het natafelen op het terras bladerde ik heen en terug door zijn recepten; het boodschappenbriefje voor de marché paysan morgen schreef zich vanzelf.
Het liep al tegen elven toen mijn honden op de knop van hun zwaailicht-en-sirene drukten. Vriend Francis kachelde in zijn aftandse R-4 het paadje af. Deed ie wel vaker aan het eind van de avond, voor een afzakkertje, nadat de dorpskroeg sloot.
We kwamen over van alles en nog wat te spreken, zoals altijd. Die ellendige regering in Parijs, de staking op ons postkantoor, de canicule, hoe het verder moest met Maurice, wiens vrouw Sophia we twee weken daarvoor begraven hadden. Eerst de kerk bovenin het dorp, daarna de kist op de schouders van familieleden en buren naar het veel lager gelegen cimétière, de rest van het dorp er achteraan schuifelend, alle winkeltjes en het café even dicht toen we voorbijkwamen. Zo gaat dat hier. Er zongen merels op het kerkhof.
Zo tegen enen was Francis een fles rosé of wat verder, het leek me niet verantwoord dat hij ging rijden. Maar toen schoot me dat receptje van Vergé te binnen waar ik langs was gebladerd: spiegeleieren met wijnazijn. Als het laat werd in de keuken, maakte hij dat klaar voor z’n brigade. Als opkikker, zo gepiept.
Francis is veilig thuisgekomen.
En ik ben voor de rest van mijn leven fan van Roger Vergé, die ik stiekem mijn kookopa noem. Zijn ‘Ma Cuisine du Soleil’ is in de loop der jaren mijn cuisine du soleil geworden. Beduimeld, bevlekt en bijna van ellende uit elkaar vallend. Maar wel met zijn handtekening erin, en zijn aimabele opdracht: “Merci d’honorer ma cuisine avec votre visite.”
Ik hoop dat er daarboven ergens een mooi fornuis op hem staat te wachten.