Ierse heimwee… mwah

Een tijdje terug schreef ik een stukkie over Ierland. Over een ouderwets hotelletje in een dorpje aan de kust waarnaar ik nog steeds een beetje heimwee had (staat hier). Kwam door een mooie whiskey tijdens het koken, dat nostalgische gemijmer. Na de maaltijd banjerde ik met de logeerhond en het eigen viervoetige gespuis in de stromende regen langs onze rivier onderaan het huis. Mooi excuus om er na thuiskomst nog eentje te nemen natuurlijk, de echtgenoot zei ook geen nee. Met het glas in de hand bladerde ik door een vers exemplaar van Le Figaro Magazine dat al sinds het weekeinde lag te lonken en kwam – toeval bestaat niet – een reisreportage over Ierland tegen. De Connemara, het dorpje Clifden en zelfs het hotelletje waar ik gelogeerd had. ‘Ach leuk, het bestaat nog’, dacht ik weemoedig, en sloeg de pagina om. Donegal, was ik ook geweest; beroemd om z’n tweeds, we bezochten de fabriek in Castlebar, het hoedje van toen is nog steeds niet versleten en had ik zojuist te drogen gehangen. Cashel House in het gelijknamige plaatsje, waar generaal De Gaulle en z’n vrouw nog hadden gelogeerd; we hadden er in de prachtige oude glazen serre geluncht. En ja! Ashford Castle, ooit eigendom van de familie Guinness – inderdaad, die van het bier – en een tamelijk aftands kasteel vol vergane glorie toen wij er logeerden. Het water waarmee ik m’n tanden poetste smaakte naar schimmel en vrijwel alles was sleets, maar wel sjiek sleets. Met name de indrukwekkende eetzaal met imposante kroonluchters en tot op het bot geboend parket waar we ter afsluiting hadden gedineerd. Voor dat etentje had ik me voor mijn doen behoorlijk opgedoft. Helaas m’n sjieke schoenen vergeten in dat kleine hotelletje aan de kust. Ik moest die hele zaal naar ons tafeltje achterin oversteken op m’n witte Zweedse klompen; dat maakt pokkenherrie, ook als je probeert te sluipen, als zo’n zaal half leeg is. Ik schoot dan ook meteen in het hoogrood toen ik het tafeltje waaraan de wereldberoemde striptekenaar Marten Toonder, de ‘vader’ van Ollie B. Bommel, met zijn echtgenote zat te eten passeerde en hij verstoord opkeek van z’n bordje. Hij keek naar het rode hoofd boven het elegant bedoelde jurkje, de klompen eronder, en verborg zijn glimlach met twinkelende ogen achter zijn servet. Ik zag een stripfiguur geboren worden, en zo voelde het ook. Toonder was hier vaste gast, hij woonde bij wijze van spreken om de hoek, en wist een beetje afleiding tijdens het stille seizoen blijkbaar wel te waarderen, want toen hij na de maaltijd de zaal uitliep knikte hij vriendelijk ten afscheid. Maar ik heb nog maandenlang zijn OBB-strips in de NRC afgezocht naar merkwaardige figuurtjes op klompen.
Ik sloeg Le Figaro dicht en klapte de laptop open. Toch even kijken hoe het er nu allemaal uitziet. Dat viel vies tegen. Clifden stond ineens vol flatgebouwen rondom dat rustieke hotelletje, Ashford Castle is tegenwoordig een ‘luxury resort & spa’ waar regelmatig royalty logeert en je minimaal 565 euro moet aftikken voor een kamer, waar vast geen schimmelwater meer uit de kraan komt. En de tweedfabriek in Castlebar is in 1981 ter ziele gegaan.
“Those were the days”, mijmerde ik tegen de echtgenoot terwijl ik hem bijschonk.”
“Je had er kunnen wonen”, bromde hij terug terwijl de mistral de regen inmiddels tegen de ruiten ranselde, “maar je vond het klimaat te nat.”
Touché. Als Ierland droger en zonniger was geweest, had ik er inderdaad best willen wonen. Toen. Inmiddels ben ik te zeer verprovençaalst om me nog ergens anders thuis te voelen. “Ik heb hier mijn roots”, wierp ik tamelijk theatraal tegen.
“Ja”, stemde hij in, “met zúlke hoosbuien wil je wel wortelen.”
De honden waren inmiddels dringend aan een laatste loopje toe, dat werd weer een nat pak. En de fles was ook al leeg.
Gelukkig heb ik dat hoedje nog. Onverwoestbaar. En waterdicht. Hier op het dorp kennen ze het inmiddels ook, en snappen ze het als ik met fout weer vanonder een Ierse tweed de Franse regen trotseer, nog nooit een rare opmerking gekregen.
Ik haakte het hoedje van de kapstok en trok het tot op m’n ogen terwijl ik achter de echtgenoot en de honden aan het noodweer instapte. Ik dacht terug aan dat hotelletje in Ierland en ik kon zweren dat ik weer de turf uit die haperende openhaard daar rook. Op de terugweg naar huis rook ik m’n eigen kachel, onvervalst Provençaals eiken, hoe vertrouwd wil je ’t hebben?
We zaten in de serre, keken naar de tomeloze regen en hoorden de mistral wellustig gieren.
“Een glaasje marc de Provence dan maar? Als slaapmutsje”, opperde de echtgenoot.
Ik zei geen nee. Ik was thuis.

Kijk, Zuid-Frankrijk!

Een idee van Renée Vonk-Hagtingius, schrijver, journalist, copywriter, vertaler en hoofdredacteur van www.coteprovence.nl

8 gedachten over “Ierse heimwee… mwah

Geef een reactie

%d bloggers liken dit: