Truffelmarkt

truffe-1
Snoeikoud vanmorgen, maar de echtgenoot stond erop: “We gaan naar Aups.”
“Bon. Jij krabt. En jij rijdt.” Ik sudderde nog in halfslaap tijdens het ochtendrondje met de honden, maar had ‘en passant’ gezien dat het ijs in fraaie, dikke kristallen op de autoruiten stond. Op álle autoruiten.
Net uitgesnotterd van een forse griep – het heerst hier, en niet zo’n beetje ook – zei hij luchthartig “ja” en even later zag ik hem inderdaad energiek met het krabbertje in de weer dat ooit meeverhuisd was uit Nederland en waarvan we nooit gedacht hadden het hier in de subtropen nodig te hebben. De frisse lucht deed hem zichtbaar goed. Mooi zo.
In de auto op weg naar Aups zette ik de verwarming op ‘loei’ en mocht van de echtgenoot kiezen: dimmen, of het raampje ging open. In Rotterdam zeggen ze dan “ken je bek nog verder open”, maar het leek me beter om deze voortvarende echtgenoot maar even niet in het vaarwater te zitten. Ik trok mijn legerjekkie wat strakker om me heen en schroefde de heteluchtblaas terug tot conversatieniveau, zodat we elkaar weer konden verstaan. Of anders wel m’n favoriete Bach-CD. Daar kan ik over nadenken trouwens: hoe zou Bach reageren als hij wist dat zijn muziek tijdens een bochtig bergcircuit via de auto-audio werd genoten. Op truffeljacht nog wel.
“En waarom moeten we ineens zo nodig naar Aups?” Ik wist het wel, maar hij mocht het zelf zeggen.
“De truffelmarkt natuurlijk! Krappe oogst, maar wel van topkwaliteit. Zal wel duur wezen, maar we kunnen best even kijken.”
Daarna volgde nog iets over ‘uit je comfortzone komen’ en ‘frisse neus’ en meer van die marketing-blabla, dus begon ik me ernstig zorgen te maken over de bijwerkingen van de anti-rhumepillen die ik me door de apotheek had laten aansmeren en die hij met grote tegenzin (“ik moet geen pillen”) had geslikt omdat ie na een snotkerst niet ook nog eens snuitend en snifferend het nieuwe jaar in wilde.
We vonden een parkeerplekje, een flink eind lopen van het centrum waar de truffelmarkt plaats vond, maar het was al heel wat dat we de auto kwijt konden. Het was druk. Natuurlijk was het druk. Die truffelmarkt in Aups is wereldberoemd. Elke donderdag – van eind november tot half februari – schuiven liefhebbers, connaisseurs, restaurateurs en toeristen langs de tafeltjes waarop de kostbare waar naast een weegschaaltje in rieten mandjes bekleed met een Provençaals stofje, liggen uitgestald. Prijskaartjes ontbreken vanzelfsprekend; over de prijs van het zwarte goud moet onderhandeld worden.
En als je geen idee hebt, kan die prijs aardig oplopen. Dit jaar doet de ‘rabasse’, de Provençaalse truffel, officieel rond de 800-1000 euro per kilo. Maar voor een mini-stuitertje hoorde ik al 60 euri vragen. Ik dacht met weemoed terug aan m’n oude boer-buurman Marius, levensgenieter en gourmand eerste klas, die een paar jaar terug op 93-jarige leeftijd voor het laatst zijn kaarsjes uitblies. Hij wist precies hoe je voor een krappe prijs een knappe truffel kon veroveren. En waar je op moest letten om niet belazerd te worden. Met witte zomertruffels (minder smaak, minder waard) die zwart geverfd waren. Truffels met een schot hagel in hun donder, zodat ze zwaarder wogen. Chinese importtruffels (“even laten stuiteren, ’t zijn net pingpong balletjes”) en slimme verkopers die tijdens het wegen slinks een duim op het schaaltje drukten. Daar hoefden ze bij Marius niet mee aan te komen. Van Marius leerde ik ook dat je altijd even in een truffel moet knijpen. Om na te gaan of die niet ‘week’ was. In dat geval was de vorst erover heen gegaan en dat betekende smaakverlies. Bovendien won hij altijd elke prijsonderhandeling. Grijnzend.
Die tijden zijn samen met Marius dood en begraven. Wie vakmatig wat met truffel wil, heeft niets meer op zo’n markt te zoeken, die heeft zijn eigen adresjes en dealt binnenskamers. Maar ‘t is wel leuk om er te kijken, al gaat om amper meer dan een zevental armoedige truffeltafeltjes, wat keukenattributen en iets met mandjes en kleedjes. En het is ronduit vermakelijk om mee te maken hoe er hier en daar toch een redelijk geagiteerd opstootje ontstaat rond zo’n tafeltje waar het loven en bieden steevast uitloopt op het bakzeil van de toerist die in zijn reisgidsje had gelezen dat je beslist moest afdingen.
“Ik heb het koud”, zei ik tegen de echtgenoot, terwijl ik een minuscuul flesje truffelolie ter waarde van € 14,90 in de tas liet glijden. Trouwens nog net op tijd doorgehad dat het prijskaartje erbij niet op het begeerde potje truffelschaafsel ernaast sloeg, dat deed € 39,50. Ik ken mijn grenzen.
“Dan gaan we wat warms drinken.”
We vonden een terras naast de markt, zonnig, uit de snijdend koude wind. En streken neer aan een tafeltje. We hebben er zo ongeveer een kwartier gezeten. Zonder drankje. Ook bij onderzoek binnen geen bediening te bekennen.
“Comfortzone maar weer?” vroeg ik vilein aan de echtgenoot.
Hij knikte. En oordeelde: “knap aan de prijs, voor zo’n armoedige markt.”
Ik kon hem alleen maar gelijk geven.
Onderweg naar huis mijmerde ik begeleid door de ‘Brandenburgse’ van Bach de lunch bij elkaar. Iets met ei, champignons, peterselie, witte wijn, truffelolie.
Werd het toch nog een mooie dag.
Morgen het recept. Beloofd.

Kijk, Zuid-Frankrijk!

Een idee van Renée Vonk-Hagtingius, schrijver, journalist, copywriter, vertaler en hoofdredacteur van www.coteprovence.nl

6 gedachten over “Truffelmarkt

Geef een reactie

%d bloggers liken dit: