Niet-zo-Vlaamse-gaai

“Nee hè! ’t Is weg! Alles!”, meldde ik aan de echtgenoot terwijl ik verbijsterd uit het keukenraam keek. Dat was de zoveelste keer dat de voedertafel voor de nooddruftige overwintervogeltjes in één nacht compleet was leeggeratst. De halve winter niks aan de hand, beleefde roodborstjes, koolmeesjes en een enkele boomklever die beschaafd in de vetbollen en de pinda’s pikten en als dank een vrolijk riedeltje lieten rollen. Normaal gesproken was één keertje per week de boel bijvullen ruim voldoende.
“Roofvogels”, bromde de echtgenoot vanachter het nieuws, maar het had ook ‘rotvogels’ kunnen zijn. Hij vindt die ‘overvoerde achtertuinvogeltjes’ arrogant volk sinds ze zijn goed bedoelde oudbakken stokbrood hebben laten staan en op de nieuwe vetbollen en pinda’s bleven wachten.
Ik vulde de voorraden maar weer aan en stond een tijdje peinzend door het keukenraam naar het af- en aanvliegen van die voorzichtige vederbolletjes te kijken. En schrok met ze mee toen er ineens met veel gekrijs een gigantische bontgekleurde vogel midden op de tafel landde, een zooitje pinda’s aan gort ramde en er vervolgens met een complete vetbol vandoor ging, plastic netje en al. Even later kwam ie terug, voor de rest van de pinda’s. Of het was er nog eentje, maar in elk geval was de voedseltafel binnen vijf minuten afgeruimd.
“Wat was dat?!” zei de echtgenoot, die bij me was komen staan.
“Een Vlaamse gaai! Geloof ik…” Sinds we een paar jaar in Portugal hebben gewoond durf ik dat niet meer met zoveel stelligheid te beweren; daar zag ik ze werkelijk overàl vliegen. En werd er toen smakelijk om uitgelachen. Achteraf bleek het trouwens te kloppen, er zat een hele kolonie in de buurt van waar we woonden. Maakte niet uit, ik word er nog steeds mee gepest. Humor.
“Maar misschien is het niet zo’n Vlaamse gaai”, zwakte ik af.
“Hm”, zei de echtgenoot, en ging aan het werk.
Vanaf toen kreeg ik met enige regelmaat te horen dat “jouw niet-zo-Vlaamse-gaai” de boel weer eens had leeg gevreten. Ook humor.
Dit weekeinde vertelde ik het tijdens de borrel aan de buuf-met-de-moestuin van een eind verderop. Ze begreep het verkeerd: “Un flamant?” riep ze uit, “wil je me dan meteen roepen als hij er weer is!” Een flamingo in onze achtertuin, dat wilde ze wel eens zien.
Na enige herverbeterde uitleg begreep ze dat het om een ‘geai flamand’ ging, en ebde de belangstelling weg. “Die zitten hier bij bosjes.”
Ik keek triomfantelijk naar de echtgenoot. “Ah, les Flamands” knikte hij met neutrale blik, “die zitten overal. Moet je voor oppassen.” De buuf babbelde al weer verder.
“Wat bedoelde jij nou?”, vroeg ik bij thuiskomst, “met oppassen voor Vlamingen?”
“Ben je vergeten wat ons een tijdje terug bij de snacktent overkwam?”
Aj! Dat was ik inderdaad vergeten. En snelle lunch op het dorp bij het enige behoorlijke eethuisje, dat we liefkozend de snacktent zijn gaan noemen. Druk, alle tafeltjes bezet, maar er werd uitsluitend Frans gesproken dus we waanden ons onderling; we babbelden voor het gemak in het Nederlands. Het ging ook over het naastgelegen tafeltje, waar twee verveelde tieners overduidelijk niet blij waren met het door hun ouders gevierde ‘fijn-samen-op-vakantie-gevoel’. Ze hingen lamlendig in hun stoeltjes en hadden alleen oog voor het schermpje van hun mobieltjes. Ik geloof niet dat ze de maaltijd bewust hebben meegemaakt.
Wij vonden er wat van, opvoeding en zo, en dat was niet vleiend, maar ze verstonden ons toch niet. Dachten we.
Toen ze weggingen zeiden de ouders ten afscheid “Dááháágch”, op dat lijzige Vlaamse toontje. Ze hadden dus àlles verstaan. We bloosden beschaamd een groet terug, maar in het voorbijgaan knipoogde de vader olijk. Hij had het óók gesnapt, maar wat moest ie anders.
Neemt niet weg dat zo’n gedachte taalbarrière je slechts schijnveiligheid biedt. Er hoeft maar één Belg in de buurt te zijn of je kunt maar beter in alle talen zwijgen.
“Inderdaad”, gaf ik de echtgenoot gelijk, “Flamands, altijd oppassen.”
In de tuin stond de voedertafel er leeg en verlaten bij. Flamands, ze zitten ècht overal.

Kijk, Zuid-Frankrijk!

Een idee van Renée Vonk-Hagtingius, schrijver, journalist, copywriter, vertaler en hoofdredacteur van www.coteprovence.nl

10 gedachten over “Niet-zo-Vlaamse-gaai

  • do 20 april 2017 om 23:01
    Permalink

    als gewoonlijk alweer een mooi en herkenbaar verhaal! Op het einde mijn glimlach niet kunnen inhouden toen de “Vlamingen” het hadden gedaan… Lieve groetjes van een Vlaamse in het mooie Zuid-Frankrijk hier…

    Beantwoorden
  • vr 21 april 2017 om 06:48
    Permalink

    Heerlijk verhaal weer. En herkenbaar, ik denk altijd maar de grote onder het gevogelte hebben ook honger. Ik heb ditverhaaltje doorgestuurd naar onze Vlaamsche vrienden in dit Franse dorp. Inderdaad ze zijn dus Overal

    Beantwoorden
  • vr 21 april 2017 om 08:31
    Permalink

    Ik geniet telkens van je verhalen , deze is ook weer heel goed :-D Grts.. van une sale flamand !

    Beantwoorden
    • vr 21 april 2017 om 09:32
      Permalink

      Die is voor jouw rekening Leen, ik heb het woord ‘sale’ niet gebruikt. Zou ik ook nooooooit doen als het om Vlamingen gaat; teveel Vlaamse vrienden :-]

      Beantwoorden
  • zo 23 april 2017 om 17:42
    Permalink

    Jaja, die VLAAMSE gaai. Maar what about de wieleWAAL? Ook zo’n vogel en er verblijven vrij veel Wallonërs in de Provence. Dus mevr. Hagtingius en haar zo te lezen meestal nogal nurkse echtgenoot zijn in de restaurants waar ze kennelijk veelvuldig uithangen (die dame is toch zelf kokkin en van de recepten?) nergens veilig qua intiem taalgebruik zodra er Belgen in de buurt zijn. Voortaan maar Engels? Weten ze in elk geval zeker dat bijna geen Provençaal hen verstaat.

    Beantwoorden
    • zo 23 april 2017 om 18:08
      Permalink

      Knap gevonden Jaap, maar het ‘probleem’ blijft hetzelfde: je moet altijd in het openbaar oppassen met wat je zegt, in ALLE talen. En ja, ik kook vrij regelmatig en deel m’n recepten graag met anderen (anders zou jij dat ook niet weten hè). Mag ik daarom dus maar niet met enige regelmaat in een eethuisje aanschuiven? Na een drukke week (ik werk, meneer Boekel) is het best fijn als je eens niet hoeft te koken. En wat die nurkse echtgenoot betreft, da’s meer een goedmoedige brombeer. Tot je ‘m kwaad maakt. Ik laat hem je commentaar dus maar niet lezen.

      Beantwoorden

Geef een reactie

%d bloggers liken dit: