Home

Geurverbod

do 18 mei 2017

Vanmorgen in het café al bijna traditiegetrouw gezoend door de kroegbazin, ik begin er min of meer bij te horen. ‘En dat was ‘m weer’, wist ik meteen. Ik bestelde nog wel het gebruikelijke glaasje rosé, maar het was duidelijk dat ik er niet veel meer van mee zou krijgen. Proeven is voor een goed deel ruiken, en dat lukt me niet meer met een neus boordevol overdadig opgespoten Patchouli. Ja, dat hippieluchtje uit de jaren zestig bestaat nog en zij heeft het herontdekt. Ik overwoog even m’n wangen te wassen bij de naast het terras gelegen fontein maar dat doe je niet. Niet als je hier in dit dorp nog wat langer denkt rond te hangen en een exit met pek en veren wilt vermijden. Ik heb discreet een punt van m’n overhemd in de rosé gedompeld en een beetje geboend. Dat hielp, we namen er nog eentje.
Kijk, ik hèb geen neus, ik bèn een neus. En als ik vroeger geweten had dat je daar je beroep van kon maken had ik het gedaan ook, want hier in Grasse (nou ja, stukje verderop) stikt het van de laboratoria waar elke neus welkom is. Er werd en wordt de basis gelegd voor de grote parfums van de wereld. Denk Chanel no. 5, L’Air du Temps van Nina Ricci, J’adore van Dior, Hugo van Hugo Boss, alles van Jean Paul Gaulthier, ik noem maar wat. Voor een beetje ‘nez’ wordt in de parfumindustrie een riante vergoeding neergeteld. En ik voldoe aan alle voorwaarden: ik ruik scherp, ik ruik alles, en elke geur kan ik doorgaans tot in de finesses determineren. Dat is geen pretje, althans niet altijd, en bij samengestelde of overheersende geuren is het een ramp. Maar als het je beroep is werk je in een zoveel mogelijk geurvrije ruimte met kleine ‘luchtjes’ die je voorzichtig en op toerbeurt uit keurig afgesloten flesjes op papierstripjes druppelt. Daar snuf je aan, je voegt er een paar samen, haalt er weer eentje weg, gaat naar buiten om je neus op te frissen terwijl de ventilator je werkvertrek schoon zuigt. En begint opnieuw. Net zolang tot je het ideale nieuwe parfum hebt samengesteld. Misschien niet meteen Chanel no. 6, maar toch, best een leuke baan. En na werktijd trek je de deur achter je dicht en hoef je niks meer te ruiken. Nou ja, niet beroepsmatig dan, zo’n neus valt helaas niet uit te zetten. En in het dagelijks leven is dat best een probleem, soms.
Thuis niet, dat heb je het min of meer zelf in de hand. Door vooral géén chemische luchtjeskillers in huis te halen bijvoorbeeld. Zo’n flesje ‘verfrisser’ in het stopcontact? Dacht het niet: dan ruik ik niet alleen de hondenmanden maar ook de hele chemische samenstelling van dat goedje. Spuitbus op het toilet? No go: raampje open. Ouwe sportschoenen met ingebakken zweetlucht? Spuit ze vol met geurverdrijver, trek ze nog één keer een dagje aan en ik flikker ze meteen de vuilnisbak in.
Buiten in de natuur, ook geen probleem. Het riekt hier nu overheerlijk naar verse brem langs het pad, laurier een stukje verderop, voorjaarsvijgen en kersen (nee, geen bloesem, die is al geweest) bij de weide, zompig mos naast de paddenpoel en zuiver water bij de rivier. Als de echtgenoot er tenminste niet met een sigaar naast loopt te dampen, maar ook dat is een natuurlijke geur; dat kan ik hebben.
Maar ik word ronduit chagrijnig als ik ergens een hapje ga eten en aan het belendende tafeltje neemt iets plaats dat al bij binnenkomst de tent uit meurt (om het even op z’n Rotterdams te zeggen, is ook weer herontdekt sinds Feyenoord), zodat de rest van je maaltijd vergald wordt door een lucht waar je tegen aan kunt leunen en je bij elke hap die hele buurchemie mee naar binnen proeft. Geldt trouwens ook voor al die veel te uitbundig opgespoten aftershaves en deodorants; naarmate je een luchtje langer gebruikt ruik je het minder dus hup, omhoog die dosis, tot je als een walmende geurkaars je omgeving teistert.
Er is in de horeca een rookverbod; wie wil dampen wordt naar buiten verbannen. Een prettige sigaar opsteken na een mooie maaltijd mag niet. Ongezond, overlast. Maar met een hele chemische fabriek op je lijf kom je overal ongestoord binnen. Lijkt me ook overlast. En ongezond, want als die dampen jou al niet bedwelmen, dan doen ze het je omgeving wel.
Ik pleit dus voor een totaal geurverbod voor horeca, openbaar vervoer, openbare ruimten en de vrije natuur. Meuren doe je maar lekker thuis.

Niet-zo-Vlaamse-gaai

do 20 april 2017

“Nee hè! ’t Is weg! Alles!”, meldde ik aan de echtgenoot terwijl ik verbijsterd uit het keukenraam keek. Dat was de zoveelste keer dat de voedertafel voor de nooddruftige overwintervogeltjes in één nacht compleet was leeggeratst. De halve winter niks aan de hand, beleefde roodborstjes, koolmeesjes en een enkele boomklever die beschaafd in de vetbollen en de pinda’s pikten en als dank een vrolijk riedeltje lieten rollen. Normaal gesproken was één keertje per week de boel bijvullen ruim voldoende.
“Roofvogels”, bromde de echtgenoot vanachter het nieuws, maar het had ook ‘rotvogels’ kunnen zijn. Hij vindt die ‘overvoerde achtertuinvogeltjes’ arrogant volk sinds ze zijn goed bedoelde oudbakken stokbrood hebben laten staan en op de nieuwe vetbollen en pinda’s bleven wachten.
Ik vulde de voorraden maar weer aan en stond een tijdje peinzend door het keukenraam naar het af- en aanvliegen van die voorzichtige vederbolletjes te kijken. En schrok met ze mee toen er ineens met veel gekrijs een gigantische bontgekleurde vogel midden op de tafel landde, een zooitje pinda’s aan gort ramde en er vervolgens met een complete vetbol vandoor ging, plastic netje en al. Even later kwam ie terug, voor de rest van de pinda’s. Of het was er nog eentje, maar in elk geval was de voedseltafel binnen vijf minuten afgeruimd.
“Wat was dat?!” zei de echtgenoot, die bij me was komen staan.
“Een Vlaamse gaai! Geloof ik…” Sinds we een paar jaar in Portugal hebben gewoond durf ik dat niet meer met zoveel stelligheid te beweren; daar zag ik ze werkelijk overàl vliegen. En werd er toen smakelijk om uitgelachen. Achteraf bleek het trouwens te kloppen, er zat een hele kolonie in de buurt van waar we woonden. Maakte niet uit, ik word er nog steeds mee gepest. Humor.
“Maar misschien is het niet zo’n Vlaamse gaai”, zwakte ik af.
“Hm”, zei de echtgenoot, en ging aan het werk.
Vanaf toen kreeg ik met enige regelmaat te horen dat “jouw niet-zo-Vlaamse-gaai” de boel weer eens had leeg gevreten. Ook humor.
Dit weekeinde vertelde ik het tijdens de borrel aan de buuf-met-de-moestuin van een eind verderop. Ze begreep het verkeerd: “Un flamant?” riep ze uit, “wil je me dan meteen roepen als hij er weer is!” Een flamingo in onze achtertuin, dat wilde ze wel eens zien.
Na enige herverbeterde uitleg begreep ze dat het om een ‘geai flamand’ ging, en ebde de belangstelling weg. “Die zitten hier bij bosjes.”
Ik keek triomfantelijk naar de echtgenoot. “Ah, les Flamands” knikte hij met neutrale blik, “die zitten overal. Moet je voor oppassen.” De buuf babbelde al weer verder.
“Wat bedoelde jij nou?”, vroeg ik bij thuiskomst, “met oppassen voor Vlamingen?”
“Ben je vergeten wat ons een tijdje terug bij de snacktent overkwam?”
Aj! Dat was ik inderdaad vergeten. En snelle lunch op het dorp bij het enige behoorlijke eethuisje, dat we liefkozend de snacktent zijn gaan noemen. Druk, alle tafeltjes bezet, maar er werd uitsluitend Frans gesproken dus we waanden ons onderling; we babbelden voor het gemak in het Nederlands. Het ging ook over het naastgelegen tafeltje, waar twee verveelde tieners overduidelijk niet blij waren met het door hun ouders gevierde ‘fijn-samen-op-vakantie-gevoel’. Ze hingen lamlendig in hun stoeltjes en hadden alleen oog voor het schermpje van hun mobieltjes. Ik geloof niet dat ze de maaltijd bewust hebben meegemaakt.
Wij vonden er wat van, opvoeding en zo, en dat was niet vleiend, maar ze verstonden ons toch niet. Dachten we.
Toen ze weggingen zeiden de ouders ten afscheid “Dááháágch”, op dat lijzige Vlaamse toontje. Ze hadden dus àlles verstaan. We bloosden beschaamd een groet terug, maar in het voorbijgaan knipoogde de vader olijk. Hij had het óók gesnapt, maar wat moest ie anders.
Neemt niet weg dat zo’n gedachte taalbarrière je slechts schijnveiligheid biedt. Er hoeft maar één Belg in de buurt te zijn of je kunt maar beter in alle talen zwijgen.
“Inderdaad”, gaf ik de echtgenoot gelijk, “Flamands, altijd oppassen.”
In de tuin stond de voedertafel er leeg en verlaten bij. Flamands, ze zitten ècht overal.

Open het dorp-dag

do 30 maart 2017

Altijd leuk, zo’n eerste echte ‘open het dorp-dag’. Ik bedoel, vandaag was het zo’n fantastisch mooie dag dat het dorp besloot uit de winterslaap te kruipen, waardoor niet alleen de kroeg de parasols ineens op het terras had staan, maar zelfs de champêtre in korte mouwenpolo liep te folderen (beetje bijverdienen, van zijn officiële maandvergoeding redt ie het niet), en de tamelijk omvangrijke tabagiste ineens met fluoriserend neonrood namaakhaar over straat ging. En korte broek, en enkellaarsjes maar daar durfde ik echt geen foto van te maken. Bovendien, ik zat net lekker aan een terrastafeltje van het kersvers heropende snacktentje van de half-Amerikaanse, die het ineens over de Thaise boeg bleek te gooien: loempiaatjes, curry, saté, bao, maar gelukkig ook nog de vertrouwde fish & chips uit het vorige seizoen waarop m’n Engelse ex-buren regelmatig als vliegen op de stroop afkwamen. Ik moet ze met spoed bellen.
Met een karafje huiswijn van ‘onze’ cave op loopafstand, zat ik helemaal goed.
Nou ja, bijna. Op weg naar het dorp had ik frivool alle raampjes van de voiture opengedraaid. Net een dikke griep achter de rug dus ff lekker doortochten leek me een goed plan. Geheel verfrist en met verwarde stormcoupe stapte ik op het lokale parkeerterrein uit de auto en begon aan de beklimming naar het dorpsplein, voor mijn gevoel van minstens 50 meter onder NAP naar lichtere luchtlagen, want die parkeerplaats ligt letterlijk onder aan het dorp. En de champêtre zorgt er wel voor dat je niet stiekem op de enige invalidenparkeerplek tegenover het café gaat staan; klimmen dus. Boven aangekomen, vond de echtgenoot het nodig om iets over de ‘stormcoupe’ te zeggen.
“Bon, maak ik meteen een afspraak bij de kapper.” Ik stak het straatje over en keek tegen een geblindeerde gevel aan, met een briefje op de dichte luiken: ‘van 28 maart tot 10 april gesloten wegens conjée annuelle’. Heb ik weer. Heel het dorp heropend, kapper dicht. Niet dat die kapper ergens over gaat, maar een centimetertje of twee recht afknippen van de achterste manen, daar waar ik er zelf niet bij kan, is doorgaans geen probleem.
“Doe ik het wel”, bood de echtgenoot spontaan aan. Hij kan nog geen papiertje doormidden knippen, maar het was lief bedoeld. En ’t werd lentefeest, zo aan dat tafeltje met uitzicht op het château aan de overkant en de eerste Engelstalige toeristen aan het belendende tafeltje. De half-Amerikaanse verontschuldigde zich bij hen, bij ons, voor de voortdurend neerdalende ‘pollen’ uit de hoge, oude platanen die boven het terrasje uittorenden, en veegde ze zinloos weg met een doekje, elke keer dat ze ons tafeltje passeerde.
Ik herinnerde me een vergelijkbare dag uit een ver verleden. Er was Hollands bezoek over de vloer, we gingen naar ons (vorige) dorp voor een drankje en wie weet een hapje; die dingen regelen zichzelf. Net als hier en nu, hingen er knoestige stekelbollen in de platanen, die in dit seizoen zo’n beetje openbarsten en voor prikkelige pluisjes zorgen waar je maar net tegen moet kunnen. Ik ben godlof niet allergisch, maar er viel toch een forse regen in de glazen, op de borden, en in de bloes; dat kan vervelend jeuken op plaatsen waar je in het openbaar niet wilt krabben.
“Tering!” vroeg een van de Rotterdamse gasten destijds, “wat is dat voor zooi?”
“O, dat zijn platagnes”, zei ik nonchalant, “zoiets als kastagnes, maar dan net even anders.” Ik vond het zelf wel aardig gevonden.
Hij vond het maar niks. Hij was toch al wantrouwig geworden toen we die ochtend op ons eigen terras van het ontbijt genoten en zijn echtgenote – zo vroeg nog zonder bril – me had gevraagd wat dat toch voor vogels waren, die daar zo stilletjes in de dennen rondom het huis zaten. “Plakvogels” had ik gemelijk geantwoord terwijl ik voor de zoveelste keer de ontbijtrotzooi zonder hulp achter ieders kont opruimde.
Hij was het gaan controleren en kwam terug met de conclusie: “Dat zijn dennenappels!”
“Nou, zie jij ze vliegen dan? Daar had je geen laddertje voor nodig hè.”, kon ik niet laten in onvervalst Rotterdams te antwoorden. Het is nooit meer goed gekomen. En ik heb ook nooit meer een nieuwe vogelsoort verzonnen; zijn er hier spontaan al genoeg van.
Maar een mooie middag werd het intussen wel vandaag. Prima adresje van niks, waar je de hele herfst en winter voor een gesloten deur staat, maar dat dan ineens weer open bloeit als de eerste zwaluwen laag over scheren en je als vanzelf ‘Le printemps est arrivé’ gaat zitten neuriën terwijl je de echtgenoot nog maar eens in tapt uit de karaf rosé en na tweeënhalf uur aan tafel tevreden afdaalt naar je auto op die parkeerplaats daar beneden en vrolijk bedenkt dat andersom beslist lastiger zou zijn geweest. De echtgenoot haalde de autosleutels tevoorschijn. En overhandigde ze – op verzoek – galant. “Als jij dan maar beter rijdt dan dat je zingt…”
“Of dan dat jij knipt”, mompelde ik geheel in de stemming.
Thuis het antwoordapparaat van de kapper ingesproken. Komt goed, die zomercoupe. En de zomer ook.

Verstild geluk

do 9 maart 2017

Rustgevend ratelenden de rolluiken van de tabac en de ertegenover gelegen épicerie aan het minieme pleintje van het dorp naar beneden. De laatste habitués verlieten het zondoorstoofde café-terras: “bon app, à plus.” De altijd accurate torenklok begon aan de slag van twaalf, hoewel het al tegen half een liep, en bleef gewoontegetrouw halverwege het klokkenspel hangen. En niemand die zich er druk om maakte. Gezapig gleed het dorp zachtjes in de siëstastand, zoals het een slaperig dorpje in de Provence Verte betaamt. Ik leegde mijn glas, kuste de kroegbazin een goede middag en vroeg me af waaraan we zoveel verstild geluk verdiend hadden. Dat had ik beter niet hardop kunnen doen. “Nou… geluk…” mopperde de waardin, “er zijn er die slapen, er zijn er die werken.”
Dat klonk smalend genoeg om om uitleg te vragen, die gaf ze graag: “Kijk, het is nu nog geen seizoen. Maar wij”, ze wees met een weids gebaar de kroeg in waar haar wederhelft achter de toog iets onduidelijks met stokbrood en plakken ham stond te knutselen – lunch, vermoedde ik, “wíj zijn gewoon open, óók tussen de middag, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds. Zes dagen per week.”
Ik kon het alleen maar beamen. Hier ging de deur om zes uur in de ochtend van het slot en om negen uur ’s avonds pas weer dicht. Dat zijn lange dagen, ook in een dorpje van niks met een minimale clientèle. Want je moet er toch maar zíjn voor die vaste clan die het beslist niet zou pikken als je ze de dagelijkse ochtendborrel met – nou, vooruit – een straffe espresso ernaast, op weg naar het werk zou onthouden. Of het apéro voor het avondeten.
Of ik al had gemerkt dat alle restaurants in het dorp dicht waren? Ja, dat had ik, de pizzeria, het serieuze restaurant, het snackhoekje en de crèperie hielden al sinds vorig jaar oktober de luiken gesloten: winterslaap. “Maar die gaan straks toch weer open?” vroeg ik verbaasd.
“Daar zou ik maar niet zo zeker van zijn”, snoof ze minachtend. “De pizzeria… goeie kans; ik zie al af en toe volk in en uit lopen. De ‘snack’… misschien in juli, augustus; hangt er vanaf of de eigenaresse deze winter een serieuze baan gevonden heeft of niet. De crèperie… die zijn gestopt; ze zaten meer zelf aan tafel dan hun gasten.”
“En die daar?” ik wees naar het enige serieuze restaurant dat het dorp rijk was, maar dat ook tijdens het hoogseizoen uiterst beknopte openingstijden hanteerde.
“Die?!” ze maakte een wegwerpgebaar. “Dat ‘genre’ komt heus wel terug. Om te cashen. Schandalige prijzen voor ‘quatre fois rien’, maar ’t staat in van die gidsen dus de toeristen trappen er toch wel in.”
Zo, dat was ze kwijt. Over m’n schouder zwaaide ze naar de middelbare knalroodharige van de tabac aan de overkant die met haar hond Eros (naar Ramazotti) langs gewandeld kwam. “En die houdt er ook mee op. De tabac staat te koop.” Ze keek me schattend aan, wetend dat ik goed was voor een aardige bijdrage in de sigarenomzet.
“Gelukkig hebben we jullie nog!” bracht ik er – misschien een tikkie te opgelucht – uit.
“Ach”, zei ze meewarig, “wist je dat nog niet? Zodra we een koper gevonden hebben houden we er ook mee op. Daar bij jou in de buurt is een ouwe, verwaarloosde camping. Die willen we graag overnemen.”
Van die klap moest ik even bijkomen. Niet alleen zou m’n stamkroeg wellicht voor wie weet hoelang op slot gaan. Er zou ook nog eens nieuw leven geblazen worden in de verwaarloosde camping aan de overkant van de rivier, vlakbij waar ik woonde! Ontredderd reed ik naar huis. Waar ik halverwege het krappe pad naar beneden werd aangehouden door de buurman van een stuk verderop. Of ik er bezwaar tegen had dat hij de hele middag ging debroussailleren, het onkruid schoot al hoog op, met dit mooie weer.
“Nee, tuurlijk niet!” En of hij wist van de kroegbazin en…
’t Is niet zo’ lachebekje, maar nu schaterde hij het uit. “Ach, zat ze weer op d’r stokpaardje? Maak je geen zorgen, ze heeft gewoon de lentekriebels. Die camping ligt in overstromingsgebied, nog geen paar jaar terug zagen we hier de caravans langsdrijven. Daarna heeft de eigenaar dat stuk grond te koop gezet. En toen is zij gaan dromen, dat ze ‘m kon overnemen, dat dat een leuke oude dag zou betekenen. Maar van de gemeente mag die camping nooit meer open.”
“Goddank”, voegde hij eraan toe, hij heeft het ook niet zo op toeristisch gedoe in z’n achtertuin.
‘Goddank’ dacht ook ik bij mezelf. Want goden moet je niet verzoeken, maar bedanken. Voor rustige dorpjes met dromende kroegbazinnen, voor slome burgemeesters die de vingers liever niet branden aan gevoelige vergunningen, voor slaperige horecava’s die pas uit hun ‘hivernage’ komen als het toeristenvolk op de luiken klopt, en voor een dagelijks bestaan dat je gewoon, zomaar mag meemaken.
Ik ging thuis een hapje lunchen, en voelde me even later bevestigd bevoorrecht toen ik aanschoof aan de buitentafel met een dampend bordje knoflookpasta en tevreden toezag hoe mij een glaasje rosé werd ingetapt. Volop in de zon, ik trok mijn trui uit, het was 9 maart.
“Chinchin!” zei ik, een beetje ontroerd.
“A nous!”, werd er gemompeld.
Verstild geluk genoeg in de Provence, dacht ik zo. La vie est belle! En ik nam nog een glaasje rosé.

Een routier ‘retrouvé’

do 17 november 2016

schermafbeelding-2016-11-15-om-09-32-21

“ Vous avez reservé?”
“Bien oui, par email,” stamelde ik een beetje verbouwereerd terug tegen de deurpostbode die ons de toegang tot het minuscule maar zéér gereputeerde eethuisje met heel zijn magere lijf en leden meende te moeten versperren. Hij sommeerde ons te wachten terwijl hij de boeken ging inspecteren.
“Vous n’êtes pas sur la liste, désolé”, serveerde hij ons resoluut af terwijl hij al over onze hoofden heen speurde naar nieuwe slachtoffers. Ik kan een aardige portie hooghartig kijken als de omstandigheden daarom vragen, maar zíjn variant moet ik nog onder de knie zien te krijgen. De echtgenoot zag dat ik overwoog er een ‘zaak’ van te maken (hetgeen minstens tot enige stemverheffing geleid zou hebben een wellicht ook nog tot bloedvergieten als het naar mijn genoegen geëscaleerd zou zijn) en voerde me zachtjes aan de ellenboog af: “Niet doen, ’t is de moeite niet waard. We vinden wel een ander lunchadresje.”
Makkelijk gezegd, er was uitgerekend deze zondag een gewilde najaarsbrocante gaande in het stadje en de eethuisjes rondom het centrale marktplein puilden uit.
Rondjes rijden dan maar, in steeds grotere cirkels, tot we uiteindelijk ergens langs de randweg een beetje besmuikt weggestopt eethuisje vonden waarvan de parkeerplaats weliswaar vol stond met voornamelijk dikke 4×4’s, maar waar door het plastic van de terrasvoortent nog wel een leeg tafeltje zichtbaar leek.
Ik parkeerde zijn (inderdaad, zíjn) Fiat Panda op het geheel lege terrein van de mislukte winkelallée ertegenover, waar de 2-voor-1-bodemprijs matrassenboetiek in desolate treurigheid wedijverde met de schoenmaker die ook aan orthopedisch verantwoord maatschoeisel deed dat weleens door de verzekeraar vergoed zou kunnen worden, aldus de wervende tekst op de depressiebruin geverfde pui.
“Weten we dit wel zeker?” weifelde ik, naast de auto talmend.
“Nee”, zei de echtgenoot en stapte vastberaden op het plastic af.
Ik werd even opgehouden door een rolletje kat dat naast het toegangshek een dutje lag te doen op een polletje verdroogd gras, maar haastte me achter hem aan het deurplastic door, een met straalkacheltjes verwarmde ruimte in waar het klaterend gezellig bleek. En er “natuurlijk, vanzelfsprekend, en anders máken we wel een plekje” nog plaats voor ons was. Zo. Da’s nog eens binnenkomen.
Er zat jagersvolk dat joviaal de hand ophief. Ik heb het niet op jagersvolk, maar ik hief toch een lafhartig handje terug; lunchwapenstilstand.
We installeerden ons en ik keek eens goed om me heen. Schuin tegenover ons zat een ouder echtpaar zichtbaar genietend de zondag te vieren. Hij smakte met grote happen zijn duimdikke biefstuk frites naar binnen, zij zag het vergoeilijkend aan terwijl ze met muizenhapjes haar bordje pasta tot halfweg wegwerkte. Na het gedeelde toetje (fromage blanc) liepen ze gearmd naar de parkeerplaats en gaf zij hem dusdanige aanwijzingen bij het uitparkeren dat het toch nog bijna echtscheiding werd.
Een tafeltje verder meende ik Imca Marina te herkennen, maar toen ze in onvervalst Provençaals losbarstte bleek de overeenkomst niet verder te gaan dan het knalrode haar. Ze was er niet minder gezellig aanwezig om.
We bestelden. De waard op leeftijd was een van die mensen die nadrukkelijk in het verkeerde vak verzeild zijn geraakt en daar zonder reddingsboei ronddobberen. Hij noteerde, voor zich uit mompelend in het Italiaans. En zei “prego” toen hij de borden voor ons neer parkeerde. “Multo grazie”, zei ik volautomatisch terug; ik heb ook weleens in Rome voor een wegaanwijzing bedankt. Dat had ik beter niet kunnen doen, ik kreeg een Italodouche over me heen waarvan ik geen woord begreep. Nou, misschien twee, drie. Maar in het Frans vlotte het toch beter. Hij kwam uit Napoli, de liefde van z’n leven achterna gegaan. Die hadden we even tevoren uit de keuken zien komen; papieren haarnetje op de gerimpelde kop, dikberande bril voor, dunnig grijze haarvlecht achter, en een puik buikje vooruit. Hij ging even aan een buitentafeltje een ‘dampertje’ doen. Het rolletje kat rende hem onmiddellijk tegemoet en schurkte zich tevreden op z’n schoot tot hij z’n peuk weg piekte en beiden wisten dat de pauze voorbij was. De kat verdween in het struikgewas, de kok sjokte terug naar de keuken voor de afwas.
Na een laatste borreltje bij de koffie, waarvoor de waard en de kok allebei waren aangeschoven, “non non, c’est offert!” en het voldoen van de gereduceerde rekening, zagen we kok en kat samen over het smalle trottoir langs de randweg naar huis sjokken. De waard keek ze verlangend na. Maar ja, hij moest nog opruimen. Dat ging razendsnel. Nog voor we de plastic terrasdeur hadden bereikt was het 1000-dingendoekje al over bezwete stoelen en bemorste tafeltjes (in die volgorde) gehaald. Ik heb ooit een jaar huishoudschool gehad, maar dit deed ik hem niet na. “A la prochaine?” vroeg hij hoopvol ten afscheid.
“A la prochaine!”
Op weg naar huis klonk ‘Une belle histoire’ van Michel Fugain op Radio Nostalgie uit de niet-zo-luidspeakertjes.
“Nou weet ik waar dat eethuisje me aan doet denken!” wist de echtgenoot ineens. “Aan een klassieke routier, zo’n wegrestaurant waar je aan kon schuiven tussen de vrachtwagenchauffeurs. Als die er aten, wist je dat het goed was. Kom er nog maar eens om tegenwoordig.”
“Eh… volgens mij heb je er net gegeten.”
Hij knikte, stak een bolknak op (nou ja, zo noem ik een serieuze sigaar) en staarde intens tevreden uit het raampje. En ik dacht bij mezelf, niet voor het eerst en zeker niet voor het laatst: la vita e bella en Provence.

Vergeethoekje

do 8 september 2016

schermafbeelding-2016-09-08-om-18-33-01

‘Mal hoedje’, dacht ik nog toen we het terras van het aanbevolen restaurant opstapten en de gastvrouw gewaar werden, ‘frivool jurkje ook’, dacht ik er achteraan, ik schatte haar op een jaartje of zestigplus. Dan is een fluffig flinterdun billentikketje op z’n minst gedurfd.
Het was een uurtje of half negen. Het eethuis was ons aanbevolen als een van de betere van de regio en dat wil al heel wat zeggen hier in het achterland; serieuze restaurants zijn dun gezaaid. Als je tenminste uitgaat van wat de verwende buiten-de-deur-eter onder restaurant verstaat, doorgaans toeristenvolk en tweede-huisbezitters. Wij vonden een avontuurtje naar het naburige dorp wel spannend. Hard gewerkt, deadlines gehaald, hapje eten dus, hapje eten plús.
We hadden het niet slechter kunnen uitkiezen. Zelden in zo’n absolute ‘tourist trap’ gevangen gezeten. Maar goed, wie ‘a’ zegt en zo… En het entertainment was van topniveau. Dat begon al bij de ontvangst. Madame zelf had even geen tijd, druk met rekenwerk achter de kassa. De echtgenoot parkeerde nog, ik werd toevertrouwd aan een allervriendelijkste stagiaire die me aan een tafeltje naast de doorloop naar het toilet dacht te parkeren. Waarom, geen idee, het hele terras was nog leeg. En we hadden netjes tevoren gereserveerd. “Ik wil graag een stukje verderop zitten, daar bij de heg” wierp ik tegen. Dat moest met de patronne overlegd. Het hoedje kwam langszij: “U hebt gereserveerd?”
“Zeker wel mevrouw, maar niet naast het toilet.”
“Dat moet ik nakijken.” Ze verdween, ik stond daar maar zo’n beetje en plukte denkbeeldige pluisjes van het tafelkleed.
“Bon”, u mag daar (ze wees naar het uiterste hoekje van het terras, daar waar je zeker weet nooit meer door de bediening opgemerkt te worden) gaan zitten. Is u alleen?”
“Nee madame, de echtgenoot parkeert, er is voor twee gereserveerd.”
Ze zeilde weg, ik ging zitten. En zat. Zonder drankje, de desbetreffende bestelling was blijkbaar ergens halverwege verloren geraakt. De echtgenoot sloot na verloop van tijd aan, buiten adem van het traject dat hij in Usain Bolt-tempo gedacht had te moeten afleggen van de ver verwijderde parkeerplaats naar hier. Niet helemaal gelukt, maar toch een persoonlijk record, een drankje waardig. Ik keek rond. Niemand op het terras keek terug, er was niemand. Ik probeerde oogcontact te maken met een jongen in de deuropening van het restaurant die half ingezakt zijn uitzonderlijke lengte probeerde te compenseren, maar dat werkte alleen in eigen waarneming; hij leek er nog langer door. Ik wapperde zonder resultaat wat uitnodigende gebaren zijn kant uit. Net toe we besloten de drankjes dan maar zelf aan de bar te gaan halen, kwam er beweging in de slungel; hij dook onder de deurpost door naar binnen.
Maar zowaar kwam even later het stagiairemeisje met een notitieblokje langs: “Of we een keuze uit de menukaart hadden kunnen maken?”
“Nee”, zei ik gevat, “maar als u ‘m brengt lukt dat vast wel.”
De echtgenoot keek me waarschuwend aan: “Niet meteen beginnen hè.”
Ik grijnsde onschuldig terug.
De drankjes kwamen, de menukaarten ook, het meisje bleef naast het tafeltje staan en schurkte met enige regelmaat met een raspend geluid haar benen langs elkaar; last van muggenbulten.
“Encore deux minutes?” zei de echtgenoot, wat zoveel wil zeggen als ‘we hebben nog even de tijd nodig, ga intussen in godsnaam wat anders doen.’
“Nou jij niet beginnen hè”, grinnikte ik. Tot ieders opluchting druppelden er nu meer gasten het terras op, uitbundig door de patronne ontvangen en door het meisje naar een tafeltje geleid. Er zat systeem in; de patronne scheidde feilloos de eendagsklantjes van de terugkeerders, die kregen de betere plekken. En de snellere bediening. Wij – als nieuwkomers – hadden bovendien de onvergefelijke fout gemaakt om nog wat bedenktijd te vragen alvorens een keuze uit de kaart te maken. Daar kregen we zo’n 20 strafminuten voor, terwijl we de voorgerechten voor de uitverkoren tafeltjes al langs zagen komen.
De vrolijkheid van het begin ebde weg, al helemaal toen we ten langen leste de gekozen gerechten voor onze neus kregen. De echtgenoot had risotto met gamba’s besteld, dat bleek een miniportie smakeloze droge rijst met te heet gewassen garnaaltjes. Ik had voor de daube met ravioli gekozen, en kwam te zitten met een bordje hardgebakken deegflapjes plus een plas doorgekookte jus waarin hier en daar een flintertje vlees voorbij dreef.
“Blij dat we geen voorgerecht genomen hebben”, zuchtte de echtgenoot mismoedig.
“Van een dessert zie ik ook maar af”, vond ik, “doe maar koffie, en dan wegwezen.”
De stagiaire haalde een half uurtje later de borden van tafel, ik vroeg meteen om de koffie én om de rekening. De koffie kwam, na nog zo’n half uurtje, samen met de lange slungel die de kopjes met veel gevoel voor entertainment naar de tafel struikelde en ze van een riant voetbad voorzag. Dat kwam goed uit, het bocht was niet te zuipen. De rekening kwam niet. Ook na nog een extra kwartiertje niet.
Het was mooi geweest: “Ik ga wel binnen betalen.”
Bij de bar, die tevens als kassa- en reserveringskantoortje dienst deed werd ik uitbundig begroet door de patronne, alsof ze me voor het eerst zag, wat waarschijnlijk ook het geval was nu ze uit haar dagelijkse routine was opgeschrikt en even niet op de automatische piloot liep.
Nadat ik netjes had afgerekend kwam ze zomaar achter haar ‘helpdesk’ vandaan en gaf me twee dikke afscheidszoenen. Ik schrok me kapot. Ook van de rekening.
“Doen we niet meer”, zei ik tegen de echtgenoot terwijl we naar de auto liepen.
Hij mompelde iets onverstaanbaars terug en verdween schielijk achter een boom.
“Wat?!”
“Foute garnaal waarschijnlijk.” Hij kwam een stuk beter achter de boom vandaan dan dat hij er wegdook. “Als je dit maar niet opschrijft.”
“Mwah.”
De maan scheen, de wind was zoel. Bij een glaasje prosecco op eigen terras knapte zelfs ons humeur weer op.
“Je hebt in elk geval weer een stukkie”, zei de echtgenoot.
“Maar je moet er wel wat voor doen”, grinnikte ik terug, “la vie est dure en Provence.”
Werd het toch nog een mooie avond.

Het truffelincident

do 24 december 2015

trufflecoulommiers_31
Bij de grote supermarché een dorp verderop doe ik niet graag boodschappen. Geef mij maar de lokale middenstand, een boertige cave in de buurt en de onvolprezen marché paysan. Maar soms kom je er niet omheen en dan schuif ik toch langs de overvolle schappen waartussen ik me suf zoek naar dat wat ik elders niet kan krijgen. Op mijn rondgang kwam ik langs de vers-toonbank met een enorme uitstalling aan kazen en kon het boven vitrine zwabberende bord waarop werd aangekondigd dat er een speciale aanbieding van truffelbrie was, niet over het hoofd zien. ‘Fabrieksbagger met een chemisch truffelsmaakje’ dacht ik onmiddellijk. Tot mijn oog viel op het bordje dat in de kaas stond geprikt en waarop de naam van een vermaard restaurant hier in de buurt vermeld stond. Dat veranderde de zaak; ik liet een stukje afsnijden en inpakken.
Ik ben dol op lekker eten. En op truffel. Gezien mijn verleden mag dat gerust een wonder heten. Voor m’n werk – redacteur/recensent van de toentertijd bekendste restaurantgids van Nederland – moest ik jarenlang veel te vaak in belachelijk dure restaurants aanleggen. Dat lijkt leuk, maar het was gewoon keihard werken. En dan heb ik het niet over het korte tijdsbestek waarin die hele gids geschreven moest worden. Over de eindeloze carrousel van topkoks en restaurateurs. Wie zat waar, welke coup was er gepleegd, wie ging failliet, waar werd een nieuwe tent geopend, en met wie dan wel, oude chef, nieuw talent, bij voorbaat kansloos, succes verzekerd… Honderden rapporten en menukaarten doornemen, zo’n vijfhonderd recensies schrijven, we maakten dagen van vijftien, zestien uur en als het niet anders kon werkten we desnoods zeven dagen per week en haalden een nachtje door. Ik kon er ook steeds slechter tegen dat je een restaurant kon maken of breken: een goede kritiek zorgde voor meer gasten, soms schoot de omzet zelfs omhoog, een slechte kritiek betekende gegarandeerd een omzetdaling, het verlies van een ster, misschien wel een faillissement. Maar waar ik letterlijk misselijk van werd waren de periodes van het jaar waarin je zes keer per weekend uit eten moest – lunch en diner – zodat je op het laatst al bijna begon te kokhalzen als je zelfs maar etensgeuren rook. Dat heeft me nog lang achtervolgd.
Net als dat wat in de huiselijke kring ‘het truffelincident’ is gaan heten. Een absoluut dieptepunt in mijn restaurantcarrière, ook al was het per ongeluk.
In La Rive, het restaurant van het Amstel Hotel, kreeg ik een dameskaart, zo’n menukaart waar geen prijzen op staan, alleen gerechten. We waren in druk gesprek verwikkeld, de ober drong aan op een keuze. Ik had kort daarvóór voor het eerst van m’n leven truffel geproefd, en zag een voorgerechtje van gerookte aardappel en truffel op de kaart staan. Het leek me heerlijk, en dat was het ook. Ik mocht zelf een truffel uitkiezen uit een zilveren bokaal die de ober met witte handschoenen aan eerbiedig voor m’n neus hield. Ik wees op een kleintje, ik ben niet zo’n grote eter, en dacht dat er wat van over de gerookte aardappel geschaafd zou worden. Niet dus, ik kreeg het hele ding. De eindafrekening voor m’n voorgerechtje bedroeg 120 gulden. Ik heb nooit meer ergens een dameskaart geaccepteerd. Ja toch, vele jaren later in La Tour d’Argent in Parijs, waar een zakenrelatie trakteerde. Bij wijze van hoge uitzondering stond er één prijs op die dameskaart: bij de kaviaar: € 190 per voorafje. Waarschijnlijk om ‘meneer’ straks bij het afrekenen geen hartverzakking te bezorgen als ‘mevrouw’ zonder voorkennis zou hebben gekozen. Ik lust het spul niet, dus dat kwam goed uit.
Maar van een stukje truffelkaas zonder kapsones kan ik heel gelukkig worden. Zeker als ie in de aanbieding is.