Het was een beetje druk

“Ouwe autootjes op het dorp”, zei de echtgenoot, “altijd leuk, we gaan even kijken. En een drankje doen op het caféterras.” Leek me een prima plan, dus tuften we tegen l‘heure de l’apéro in zijn Pandaatje het dorp binnen. Althans, dat was de bedoeling. Gaandeweg de dorpsstraat – die dus Avenue heet – werd duidelijk dat er ietsje meer aan de hand was dan een overzichtelijke tentoonstelling van gedateerde voitures. Die waren er zeker wel, ze namen heel het grote parkeerterrein onderaan het feodale kasteel in. Maar er was ook nog een soort van snackfestijn gaande op de jeu-de-boulesbaan naast het parkeerterrein. Alle uitgespeelde bouleurs, die in de ochtenduren een toernooitje hadden afgewerkt, zaten aan lange tafels feestelijk te smullen van patat met merguesworstjes en een glaasje slobberwijn. Ik kon dat op m’n gemakje vanuit de auto bekijken, we stonden muurvast in de file. Ruiken kon ik het ook; de lucht was niet te harden, minstens al lang uitbehandelde bakolie. Toen we er later langsliepen zag ik ferme plastic bakken voorgebakken fabrieksfrites en worstjes in de brandende zon op bereiding staan wachten; de apotheek in de stad zou het nog druk krijgen. Via een heimelijke afslag bij het postkantoor wist ik de file uiteindelijk te ontsnappen en vond ik een plekje op de schuine berm van het weiland dat bij festiviteiten als overloopparkeerplaats dienst doet. Het was zo’n beetje het laatste plekje. Terwijl we uitstapten zag ik de sliert auto’s die achter me aangesukkeld was vertwijfeld rondjes rijden, op elkaar stuiten en aan de andere kant van het weiland via de départementale opnieuw de dorpsstraat indraaien voor een nieuwe ronde en nieuwe kansloze kansen.
We liepen langs de fraaie voitures de collection en de classées classiques. Er stond een R4tje tussen dat de bijzondere belangstelling van de echtgenoot genoot. Het was te koop. “Tja”, zei hij peinzend, “toch wel leuk hè.”
“Heel leuk.” Ik heb een zwak voor 2CV’s en R4tjes. Maar zesduizend euro voor een autootje uit 1969 met 148.000 kilometer op de teller vind ik minder leuk. “Die staat er straks ook nog wel. Zullen we eerst wat drinken? Het is zó druk dat je blij mag zijn als er nog een plekje op het terras is.”
Dat was er niet. Maar onze meer dan bevriende zomerserveuse Nina regelde er natuurlijk toch eentje, aan een hoekje van het terras, met bijgesleepte miniparasol van een onbekend biermerk. Met routineuze zwier plantte ze meteen een pichetje rosé, twee glazen, een bakje ijsklontjes en een asbak op ons tafeltje. Zelfs in een dorpje als het onze helpt iets van een ‘old boys network’ op de drukste dag van het jaar. Ik had me geen beter plekje kunnen wensen.
We zaten aan de kant van de tabac, pal naast de dorpsfontein, en eerste rang voor een parade van langstrekkende dorpelingen op zoek naar een dampertje en een krantje, toeristen met de gebruikelijke foute zomerhoedjes en drenzende kinderen, een keur aan oude auto’s die door de dorpsstraat op en neer paradeerden, fietsers die de fontein dankbaar als tappunt gebruikten en de benen even strekten, motorrijders die zich opgelucht uit het dikke pak hesen en die hun – al dan niet – vintage vervoermiddel even parkeerden voor een broodje bij de bakker aan de overkant, een verleidelijk drankje op het caféterras of een kijkje bij de oude auto’s op het parkeerterrein onderaan het dorp. Ik zat verbijsterd te kijken. Wel een paar duizend mensen in mijn dorpje, waar nooit iets gebeurt. Allemaal gekomen vanwege die gedateerde auto’s?
“Nou ja, zo’n R4-tje”, zei de echtgenoot.Verder niks.
Behalve motorfietsers waren er dus ook die fietstoeristen. Ze hadden nog niet geparkeerd of daar was de champêtre. Hij moét ergens op de loer gelegen hebben, kan niet anders. Met vorsende blik nam hij de tweewielers op, zowel de tegen de fontein geparkeerde fietsen als de op de standaard steunende motoren een tikkie verderop. Hij nam grote passen, mat afstanden, liep heen en weer en hier en daar ergens omheen. En trok zijn bonnenboekje.
De fietsers die op het terras zaten waren min of meer op tijd; ze konden nog net hun byciclettes verplaatsen naar veiliger oorden en kwamen er met een opgeheven vingertje vanaf.
Maar er moest hoe dan ook buit, koppen moesten er rollen. Dus stortte de champêtre zich op de motorfietsen. Die stonden eigenlijk helemaal niet in de weg, mochten er ook gewoon staan. Maar! Er stak een zadeltas uit over de kinderkopjes naast de fontein. En daar lag voor hem de grens. Dat stukje bestrating was heilig, daar mocht niks staan. Dat de motor er gewoon op een legale parkeerplek naast stond maakte niet uit: die zadeltas hing over! Wel drie centimeter! Fluks werd het bonnenboekje tevoorschijn getrokken, haastig de bon uitgeschreven. En toen moest hij op zoek naar een plekje waar je die bon achter zou kunnen steken. Zo’n motor heeft geen ruitenwissers. Hij stond net ergens bij de benzinetank te frummelen toen de motars bij hun vervoermiddel terugkwamen. Ai! Betrapt! De champêtre was liever net zo stiekem weer verdwenen als hij was opgedoken. Er volgde discussie, de champêtre hield voet bij stuk, de motorrijder nam zijn verlies, haalde de schouders op, gaf de champêtre een goedmoedig klapje op de zijne en verdween ronkend uit het dorp. De champêtre keek besmuikt om zich heen en zag dat heel het terras de gebeurtenissen met belangstelling had gevolgd. Waarschijnlijk voelde hij de aversie. Om zich een houding te geven vulde hij ostentatief zijn heupflacon bij de fontein, nam een ferme slok en beende met zekere passen weg. Hij had meer orde te handhaven! Op weg naar het feestterrein kwam hij langs de zes parkeerplekjes aan de andere kant van het caféterras, je mag er een half uurtje staan. Minutieus controleerde hij de tijden op de parkeerschijfjes. Helaas, er viel geen bon te schrijven. Maar zijn feestje had ie al gehad. Hij had zomaar op een mooie zonnige dag in de Provence verbaliserend kunnen optreden.
Ik heb het niet zo op de mierenneukertjes van het gezag. De rest van mijn dorp ook niet. Dat weet de champêtere ook wel, nog nieuw in het gehuchtje. Dus is ie een beetje prudent als wíj fout parkeren. Maar ja, nu was er vreemd volk, en niet zo’n beetje ook, mooie gelegenheid om éven je autoriteit te bewijzen. Voor ons op het terras, topamusement. Ik vroeg Nina om nog een pichet en dacht: een champêtre die me aan het lachen krijgt, het moet niet gekker worden.
De echtgenoot stootte me aan: “Daar gaat die R4! Zal vast wel verkocht zijn.”
Met het oog op zijn gemoedstoestand gebaarde ik naar Nina: “Doe maar meteen een carafe.” Zes euro, in plaats van de zesduizend die zojuist voorbijreden. Het leven kan slechter.

Kijk, Zuid-Frankrijk!

Een idee van Renée Vonk-Hagtingius, schrijver, journalist, copywriter, vertaler en hoofdredacteur van www.coteprovence.nl

10 gedachten over “Het was een beetje druk

    • do 29 augustus 2019 om 17:20
      Permalink

      We doen ons best Rob ;-]

      Beantwoorden
  • do 29 augustus 2019 om 18:18
    Permalink

    Het franse leven is zo slecht nog niet!

    Beantwoorden
    • do 29 augustus 2019 om 18:35
      Permalink

      Zeker niet Jos. Al helemaal niet als die dienstklopper zich gedeisd houdt.

      Beantwoorden
  • do 29 augustus 2019 om 22:06
    Permalink

    Heerlijk verslag van ’n leuke dag, zeker ’t stukje over de champêtre.

    Beantwoorden
  • vr 30 augustus 2019 om 07:58
    Permalink

    Met genoegen gelezen. Geniet jij ook zo van je volgend dorpsterras bezoekje, Renée!

    Beantwoorden
    • vr 30 augustus 2019 om 16:15
      Permalink

      Merci Micheline. Maar het is echt niet altíjd zo spannend op het dorp hoor.

      Beantwoorden

Geef een reactie

%d bloggers liken dit: