Zomaar een dagje ‘en hiver’

Vandaag een graadje of 20, volop zon, voor het eerst dit jaar trui-loos op mijn terras aan de lunch. De météo had al voorspeld dat het zo rond midi weleens goed toeven zou kunnen wezen, dus toog ik bijtijds – ruim voor de lunch – naar het dorp om de krant, een doos sigaren en een lootje Euromillions in te slaan. Ik heb een keer zeven euri en nog wat gewonnen. Sindsdien trekt de tabagiste volautomatisch een vers lootje uit de automaat als ik binnenstap. Ik heb het hart niet om ‘non, merci’ te zeggen en bovendien, je weet maar nooit.
Toch nog even het café binnengelopen, officieel natuurlijk alleen om iedereen snel gedag te zeggen. Dat had ik liever op het terras gedaan, maar helaas, de kroegbazin ziet in een warme winterdag geen reden om haar terrasbeleid aan te passen: de stoelen en de tafels blijven opgestapeld aan de kant tot het seizoen weer geopend is. Dus tussen half november en half maart heb je vanuit de kroeg – of de troosteloze plastic tent voor de deur – zicht op een kaal stuk trottoir aan de overkant van de doorgaande weg. Het idee dat je bij echt mooi weer de terrasboel gauw voor een paar uur installeert, is misschien te hoog gegrepen. Ik heb die suggestie ook nooit durven doen, je moet ook na een paar jaar inburgeren wel je plaats weten.
Ik was nog niet binnen of in de deuropening verscheen een jongeman met een mondkapje tot over zijn neus. Hij had ook een zonnebril en zo’n toeristenhoedje op. De gesprekken vielen stil. Was het zover? Had het coronavirus ons dorp bereikt? Het luchtalarm was niet afgegaan, en toen ik langs de mairie liep had ik geen plakkaat met dwangbevelen gezien. De verwarrende onrust duurde hooguit 10 seconden. Met een onderdrukt geschater rukte het type zijn mondkapje af, legde het hoedje en de bril op de bar en riep: ‘blague!’ Het was het idee van humor van de junior-assistent van de postdirecteur, sinds de zomer bijna dagelijks druk met brieven op het altijd lastige struikeltraject tussen het kerkje en de cave. Als hij te zijner tijd z’n rijbewijs heeft gehaald zal ie ook wel pakketjes mogen bezorgen. Hopelijk niet bij mij, want hij lijkt me zo’n jolige flierefluiter die onbezonnen met het gele postautootje de piste naar mijn huis afknalt om vervolgens pardoes de rivier in te storten. Dat hebben we liever niet, en waar blijft dan je pakketje dat er gisteren al had moeten zijn? Van de zomer toen hij langs het café-terras marcheerde met de blauw-gele schoudertas van zijn werkgever over de schouder, had ik al gemerkt dat hij van de lach-of-ik-schiet-humor was. Ik vrees dat hij ook na zijn ambtsperiode in het postale milieu geen volle zalen zal trekken. Maar in het café vonden ze zijn mondkapjes-act bij nader inzien de dijenkletser van de dag. Hij kreeg een pastis aangeboden. Ik kende qua grappigheidsgehalte een ruime onvoldoende toe. En niet alleen omdat ik niet van carnaval en andere maskerades houd.
Er was trouwens nog iets raars in het café. Aan het tafeltje onder de tv zaten twee mannen die ik niet kende (of herkende) op laptops te rammelen. Dat was echt nog nooit vertoond. Hipsters dacht ik, toen ik ze even ongegeneerd bespiedde, of advocaten, makelaars, kooplui? Geen idee. Niemand in de kroeg trouwens. ’s Zomers zie je op het terras ook wel eens iemand met zo’n laptop in de weer en ik heb er zelf ook eentje, voor op het thuisterras. Ik ga er nooit mee over straat, ik zie me al zitten tikken en plein public. Voor je het weet vragen ze wat je in vredesnaam aan het doen bent. Maar nota bene twee laptops in werking in de luidruchtige boezem van de kroeg, dat was een primeur. De kroegbazin fluisterde achter haar hand dat ze me ‘morgen wel zou bijpraten’. Ik knikte begrijpend.
Thuis zei ik tegen de echtgenoot: “Wat ik nou weer heb meegemaakt!”
Mijn belevenissen werden op z’n Provençaals afgedaan met een nonchalant schouderophalen. Ik trok mijn trui uit, installeerde me met zonnebril en al in mijn terrasstoel en kreeg een glas rosé aangereikt. Het was al half twee toen ik aan de lunch begon, half vier toen ik braaf de borden naar binnen bracht.
Terwijl ik achter m’n bureau schoof, ontpolste ik even mijn horloge. Het streepje wit onderscheidde zich duidelijk van de rest van de arm. Yes! Bijgebruind. La vie est belle en Provence.

Kijk, Zuid-Frankrijk!

Een idee van Renée Vonk-Hagtingius, schrijver, journalist, copywriter, vertaler.

Eén gedachte over “Zomaar een dagje ‘en hiver’

Geef een reactie

%d bloggers liken dit: