Home

Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland verkrijgbaar zijn, te maken. Zoals al mijn recepten. Meer weten, meer recepten? Klik hier voor mijn kookboeken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Gisteren in de tuin de eerste verse vijgen van het seizoen gescoord. En daar moet je dan wat mee hè. Nog te weinig voor volle potten jam, en een beetje teveel voor in de ontbijtyoghurt. Het werd dus onderstaand recept, waarin ze een smakelijke bijrol vervullen.

Ingrediënten:
4 kipfilets
1 grote ui
2 tenen knoflook
1 citroen
½ bosje peterselie
½ theelepel gemberpoeder
snufje saffraan
½ liter witte wijn
400 gram verse vijgen
½ theelepel kaneel
3 eetlepels honing
zout, versgemalen peper
olijfolie

Bereiding:
Pel de ui en snipper de ui, pel de knoflook en snij die in plakjes. Hak de peterselie fijn. Doe een scheut olijfolie in een braadpan, laat heet worden en bak de kipfilets snel aan. Leg ze apart, en fruit in dezelfde olie de ui en de knoflook goudbruin. Voeg de witte wijn toe, plus de gember en de saffraan. Doe de kipfilets er weer bij en laat circa 30 min. pruttelen. Breng op smaak met peper en zout. Voeg daarna de verse vijgen toe (heel laten!), plus de kaneel en de honing. Laat nog circa 10 minuten pruttelen. Verdeel de kipfilets en de vijgen over de borden en schep de saus eromheen. Bestrooi met fijngehakte peterselie en serveer met schijfjes citroen.

Je zou het toch denken: een socialistische president, beetje menselijkheid, beetje sociaal gevoel. Maar nee hoor, als het om Roma gaat is Hollande net zo’n onbarmhartige hufter als zijn voorganger Sarkozy. Jawel, sinds vorige week mogen de zigeuners een tikje meer meedoen op de arbeidsmarkt. En nee, vuilnisman, postbode, of iets nog hogers in de ambtelijke hiërarchie gaat niet lukken, we moeten wel realistisch blijven. En er zijn verder nog zo’n anderhalfhonderd sectoren waarin Roma niet mogen werken in Frankrijk anno 2012. Maar je kunt putjesschepper worden, of afvalprikker, vaatwasser in een restaurant desnoods, of iets anders dat niemand wil wezen. Vooropgesteld dat een werkgever -nu de boete op het aannemen van Roma is afgeschaft- je legaal in dienst wil nemen natuurlijk. Maar dan moet je wel een vaste woon- of verblijfplaats hebben, een serieus adres. En dat is wat lastig, als ‘Monsieur Normale’ zojuist je kampement heeft laten platwalsen. Want net als zijn voorganger gaat Hollande gewoon door met het strategisch wegpesten van Roma en het systematisch ontmantelen van hun allerbelabberdste onderkomens. Doorgaans gesitueerd aan de rafelranden van de grote steden, meestal zonder zelfs maar de meest basale voorzieningen als stromend water en elektriciteit. En vooral hartgrondig weggewenst door de omringende lokale bevolking. Op dat volkssentiment speelt Hollande net zo gretig in als Sarko dat deed. Onder diens bewind kwam er een oprotpremie van zo’n driehonderd euro, die door een aantal Roma dankbaar werd aanvaard. Ze werden op het eerste het beste vliegtuig naar Roemenië, Bulgarije of een ander Oostblokland gezet, en kwamen met het volgende weer terug. Terecht, want ook Roma zijn Europese burgers, die het recht hebben zich te vestigen waar ze willen, en te werken waar ze willen, voor de tijdsduur die ze willen.
“Integratie”, roept Martine Aubry, burgemeester van Lille en voorvrouw van de Parti Socialiste. Maar hoe doe je dat, als deze socialistische madame haar zin krijgt en er staatskampementen komen om de Roma in op te bergen? Een kamp is een kamp, een eigen wereldje, met eigen wetten en regels, los van de gevestigde maatschappij. Die je bovendien niet moet.
Roma zijn geen doorsnee burgers die in een doorzonhuisje passen, met een van-negen-tot-vijfbaantje. En zelfs al zouden ze dat willen, dan wordt hen dat onmogelijk gemaakt. Tot op heden is er door de overheid voor de met de grond gelijk gemaakte kampementen geen vervangende woonruimte beschikbaar gesteld: zonder huis geen baan, en zonder baan geen huis. En geen scholing. Want waar gaan je kindertjes naartoe als je caravan is weggebuldozerd, en je bidonvillebuurtje met de grond gelijk gemaakt? In elk geval niet naar het schooltje om de hoek waar je ze niet krijgt ingeschreven. Ondanks de Europese regeltjes die verordonneren dat álle kinderen recht hebben op educatie, een verdrag dat overigens door Frankrijk niet is ondertekend.
Grégoire Cousin van het European Roman Rights Center heeft het ongetwijfeld bij het rechte eind als hij stelt; “Door de Roma overal te verjagen, door ze dakloos te maken, hen zelfs hun schamele bezittingen af te pakken, drijf je ze niet alleen naar de rand van de humanitaire afgrond, maar regelrecht in de armen van de criminaliteit, en van de maffia die gretig misbruik maakt van hun wanhopige situatie.”
Monsieur Normale, doe eens normaal! Het socialisme is in het Frankrijk van vandaag nog ver te zoeken.

Recept van de week: Tonijnpasta

vr 24 augustus 2012

Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland verkrijgbaar zijn, te maken. Zoals al mijn recepten. Meer weten, meer recepten? Klik hier voor mijn kookboeken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Vorige week repte ik er al over: de onovertroffen tonijnpasta van mijn echtgenoot. Nee, hij staat niet graag in de keuken, maar als het moet doet ie het manmoedig, vol toewijding, en creatief. Voor onderstaand recept gaan dan ook alle credits naar hem. Ik heb alleen maar toegekeken en een opschrijfboekje volgekrabbeld.

Ingrediënten:
1 kleine ui
2 tenen knoflook
2 ansjovisfilets (op zout/olie)
1 blik tonijn op olijfolie (160 gram)
1 blik gepelde pomodori (400 gram)
½ bosje peterselie
handje zwarte olijven (ontpit)
400 gram pasta naar keuze
cayennepeper, of sambal
droge witte wijn
olijfolie

Bereiding:
Pel de ui en snipper hem fijn, pel de knoflook, hak de ansjovis in stukjes. Open het blik tonijn en giet een scheut van de olie in een koekenpan; niet alles, dan wordt het te vet. Verhit de olie en fruit de ui erin aan.
Pers de knoflook er boven uit, doe de ansjovis erbij en laat op laag vuur een paar minuten smelten.
Laat de pomodori uitlekken in een vergiet, snij ze in stukjes en doe ze bij het prutje in de koekenpan. Laat warm worden en inkoken tot het meeste vocht verdampt is.
Hak de peterselie fijn, snij de olijven in plakjes, en voeg ze toe aan het mengsel.
Giet de rest van de tonijnolie af en voeg de tonijn toe, prak los met een vork en meng door de overige de ingrediënten. Voeg een stevige scheut witte wijn toe en laat zo’n tien minuten pruttelen. Doe er flink wat cayennepeper of een stevige lik sambal bij, roer alles goed door elkaar en proef op smaak.
Kook intussen de pasta beetgaar in ruim kokend water, laat even uitlekken in een vergiet (niet afspoelen met koud water!) en doe terug in de pan, met toevoeging van een scheut verse olijfolie. Roer even om.
Verdeel de pasta over de borden en verdeel er de tonijnsaus over. Er kan een mooi glas wit of rosé en een salade bij, of fruit toe. Wees gul met complimenten, en zeur vooral niet over de puinhoop in de keuken! Gewoon stilletjes opruimen na afloop van de maaltijd en wie weet, doet ie het nog een keer.

‘t Is weer brandweer!

di 21 augustus 2012

Het is nog steeds heet, bloedheet, hier in de Var. En ook de rest van de Provence zucht onder de canicule die van geen ophouden lijkt te weten. Jawel, voor dit weekeinde belooft de weerman enige verkoeling. Maar ook een stevige mistral. En na het weekeinde konden de temperaturen best weer eens omhoog schieten. Intussen heeft het al twee maanden niet geregend. En dat betekent dat het weer brandweer is. Een gortdroge vegetatie, wind en warmte: de ideale cocktail voor een fikse bosbrand. Hier in de Provence gaat het vrijwel elk jaar een aantal keren mis. Omdat een nonchalante hufter een brandende peuk uit zijn autoraampje piekt, omdat een of andere sukkel op vakantie z’n barbecue niet de baas is. Omdat kaal gebrand bosland een bouwbestemming kan krijgen en daardoor ineens veel meer oplevert. Ik heb het in de afgelopen jaren allemaal zien langskomen, en ik word er bloedlink van. Dat mag ik, want een paar jaar geleden heb ik zo’n bosbrand van nogal nabij beleefd, zeg maar gerust overleefd. Mijn toenmalige huis stond op een eenzame heuvel, middenin een natuurgebied, met slechts één kronkelig toegangspad dat pas zo’n vijf kilometer verder bij de dichtstbijzijnde buren aansloot. Het vuur kwam van achteren, daar waar het huis geen ramen had, en het sloot me razendsnel in doordat er ineens een hevige mistral opstak. En nee, je ziet het niet aankomen, dus iedereen die nu roept ‘had je maar op tijd weg moeten gaan’ is bij deze van harte uitgenodigd om het zelf eens te proberen en ‘en passant’ drie honden en een kat van een ontijdige crematie te redden. ’t Is me gelukt ze allemaal in hun kladden te grijpen en de auto in te worstelen die met opengedraaide raampjes -lekker weer, nietwaar- voor de deur stond. De overwaaiende vonken hadden de auto al bereikt, de smeulende bekleding op de voorstoel kon ik doven door erop te gaan zitten. Terwijl ik de auto startte, laaide de oprukkende brand achter het huis hoog op. En terwijl ik wegreed zag ik de vlammen er aan weerskanten als een vuurbal omheen laaien. Achtervolgd door een muur van vuur, en biddend dat er geen brandende boom voor me op het pad zou vallen, ben ik de heuvel afgeracet. Ik heb het gehaald. En toen ik eenmaal op veilige afstand omkeek, zag ik de eerste Canadair zijn verlossende lading water boven de brandhaard uitstorten. Van mij dus nooit een kwaad woord over die cowboys van de brandbestrijding. Soms -in de winter- zie je ze oefenen boven het Lac de Saint Cassien een kilometertje of wat verderop. Kijk hier maar hoe dat in z’n werk gaat. Ik vind het dus onbegrijpelijk dat onder de vorige regering besloten is dat er ernstig bezuinigd moest worden op de brandbestrijding. Er werd een aantal van die oude, maar betrouwbare Canadairs afgeschaft, en er werden bases gesloten: alle blusvliegtuigen staan nu op Marignane bij Marseille. Dat is dom en kortzichtig en ik mag hopen dat ‘monsieur normale’ Hollande de levensgevaarlijke maatregel van zijn voorganger Sarkozy terugdraait.
Bij Lacanau in de Gironde gingen onlangs ruim 650 hectaren natuurschoon in vlammen op, de grootste bosbrand tot nu toe in heel Frankrijk. Maar zo groot had die niet hoeven zijn. Toen de brand nog redelijk te bestrijden leek, werd er dringend gevraagd om de inzet van Canadairs; dat was op de eerste dag, rond het middaguur. Maar pas na vieren kwamen de eerste blusvliegtuigen over scheren. Wegens te lange afstand, wegens administratief gedoe, kreeg de brand alle tijd om uit te laaien tot de catastrofe die zo’n tweehonderd ‘pompiers’ op de grond zonder bijstand vanuit de lucht niet onder controle kregen. Met dank aan de bezuinigingen.
Gisteren stonden ze weer bij de kassa van de supermarkt: scholieren, gestoken in het tenue van de sapeurs/pompiers, die geld inzamelen voor de lokale brandweer door je boodschappen in te pakken. Dat gaat meestal verkeerd. De eieren en de perzikken belanden bijvoorbeeld onderin de boodschappentas, met het hondenvoer en het bier er bovenop gestapeld. Geeft niks, ik heb gul gegeven. Want als de overheid het niet doet, moeten we zelf die Canadairs maar in de lucht zien te houden.
Intussen zou ik iedereen dringend willen verzoeken om niet met vuur te spelen.

Voor de liefhebbers van de Méditerrane keuken: het is weer vrijdag, dus tijd voor een kersvers recept. Niet echt ingewikkeld en ook met ingrediënten die in Nederland verkrijgbaar zijn, te maken. Zoals al mijn recepten. Meer weten, meer recepten? Klik hier voor mijn kookboeken.
Alle recepten zijn bedoeld voor 4 personen.

Zesenveertig graden op het terras vandaag, dankzij hete winden uit Noord-Afrika. Weinig trek in eten dus, en amper zin om te koken. Dat laat ik dan ook graag aan mijn man over, die geheel hittebestendig is en zelfs nu nog roept: “Heerlijk, het kan mij niet warm genoeg zijn!” Hij maakt straks tonijn-spaghetti (het recept verklap ik volgende week).
Ik doe alleen het toetje, fris en fruitig en klaar in een handomdraai. De andere hand heb ik nodig om mijn glas koele rosé vast te houden. La vie est belle en Provence.

Ingrediënten:
½ ananas
1 mango’s
2 kiwi’s
klein bakje aardbeien
klein bakje bramen
2 perziken
1 limoen of ½ citroen
30 gram suiker
4 blaadjes gelatine
paar blaadjes mint

Bereiding:
Schil de ananas (en vergeet de harde pitten in de schil niet), snij hem in de lengte in vieren en haal de harde kern eruit. Bewaar de helft van de ananas in plastic in de groentenla en serveer bijvoorbeeld de volgende dag als toetje, eventueel met een bolletje ijs. Snij de andere helft in stukjes. Schil de mango en de perziken,en snij het vruchtvlees in stukjes van de pitten. Schil de kiwi’s en snij ze in stukjes. Halveer de aardbeien.
Pers de citroen/limoen uit en doe al het fruit samen met het sap in een kom. Roer alles door elkaar, zodat het sap zich goed over het fruit verspreidt; dat voorkomt bruin worden.
Week de blaadjes gelatine 5-10 minuten in een laagje koud water, knijp ze uit. Breng in een steelpannetje een bodempje water met de suiker aan de kook, haal het pannetje van het vuur en laat de gelatine er al roerend in oplossen. Meng de gelatine voorzichtig beetje bij beetje door het fruit. Verdeel alles over vier kommen en laat minstens een uur opstijven in de koelkast. Koud serveren en garneren met wat mint.

Zo’n gedroomde warme zomeravond in de Provence. Dat vroeg erom. Zonder verdere aanleiding besloten we uit eten te gaan, om ergens op een aangenaam terras van alle mooie dingen van het leven te genieten. Keus genoeg, want hoewel ik in een dorpje van niks woon, zijn er in de buurt minstens vijf restaurants die aan alle verwachtingen voldoen. We kozen voor het sjieke adres hoger in de heuvels. Niet in de eerste plaats om de altijd prima keuken, maar vooral vanwege het sublieme terras met ongekend uitzicht op de bergen in de verte en het nabije dorpje op de tegenover gelegen heuvel. Als het langzaam donker wordt en daar de lichtjes aangaan, wordt de ambiance feeëriek en zit je middenin een sprookje.
Maar er was nóg een reden dat we juist daar naartoe wilden: we hebben er jaren geleden praktisch om de hoek gewoond, waren er min of meer kind aan huis. En tamelijk bevriend met de patron-cuisinier. Maar dat was toen. We verhuisden, en nog eens, en opnieuw. Nu waren we terug, en stond ineens de schoonzoon achter de kachel. Dat vroeg om inspectie. Ik reserveerde het laatste tafeltje dat die avond in de aanbieding was.
Het voelde een beetje als thuiskomen toen me op het terras een comfortabele stoel werd ondergeschoven door een jeugdig lid van de zwarte brigade, een junior met een aangeboren gevoel voor gastvrijheid. Van de weeromstuit bestelde ik een glas roze bubbels. “Toe maar”, fronste mijn man, die het hield bij een realistische Ricard. Maar ik had hem meteen onder de tafel -en niet van het lachen- toen ik spontaan maar zachtjes het even beknopte als klassieke gedicht van Rudi ter Haar declameerde:

Romantiek:
De zon gaat onder
Ik voel me bijzonder

Dat gevoel werd adequaat de grond in geboord door twee Nederlanders die inmiddels aan het tafeltje tussen ons en het fabelachtige uitzicht hadden plaatsgenomen. Tamelijk luidruchtige types in korte broek en T-shirt. Dat doe je niet, hier. Voor het diner in een serieus restaurant kleed je je; casual, maar je komt niet in je campingplunje van overdag aanzetten. We schatten hen op aannemers dan wel makelaars, hun gesprek betrof vooral een nieuw type BMW.
We schakelden onmiddellijk over op Frans en zagen de ramp zich voltrekken.
De amuse kwam langs, de bijgeleverde uitleg van de juniorbediende werd volkomen genegeerd. Uit de kaart werd even later het bovenste menu geprikt. Toen werd geïnformeerd naar de voorkeuren (vis, vlees, bereidingswijze) werd de ober met een ‘oui’ weggewuifd. Druk druk druk in gesprek.
“Een keuze uit de wijnkaart kunnen maken?”, vroeg de sommelier na een gepaste pauze wat later. Men keek verstoord op, de oudste van de twee wees iets aan, het luidkeelse gesprek werd hervat.
De sommelier kwam een fles rode wijn brengen, die hij ´comme il y faut´ presenteerde, etiket goed zichtbaar, inclusief de vraag of dit de bestelde wijn was. Er werd ‘ja’ geknikt. De fles ging open, aan het etiket te zien bepaald niet de voordeligste. Er werd ter beoordeling een slokje ingeschonken. De omvangrijkste en oudste Nederlander nam verstrooid een slok en stelde pas toen geschrokken vast “dat het om rode wijn ging!” Terwijl hij toch -zeker weten- witte had besteld.
Toen werd het spannend.
De sommelier, die zich niet zomaar liet afbluffen, haalde de wijnkaart erbij. Wij hadden die kaart ook gezien. Die is luid en duidelijk opgedeeld in wit, rosé, rood, bubbels en dessertwijnen: enig misverstand over rood dan wel wit is uitgesloten. Maar de Nederlander hield in gehandicapt Frans voet bij stuk: híj had zich niet vergist, het ging om een fout van de sommelier die niet goed had opgelet. Waarna hij in het bijzijn van de sommelier aan zijn tafelgenoot in zijn eigen taal begon uit te leggen dat hij ´besodemieterd´ werd.
Wij wisten beter en het plaatsvervangend schaamrood steeg ons naar de kaken.
Heel even overwoog ik als een soort bemiddelaar dan wel tolk in te grijpen.
´Niet mee bemoeien´, vonniste mijn man. Hij had gelijk.
Daar kwam de gérant al aangelopen met een fles witte wijn uit dezelfde prijsklasse als de rode. Zonder enig commentaar verwisselde hij de flessen.
´Zie je wel!´, riep de Nederlander zijn compaan breed grijnzend toe.
Toen ik bij het afscheid de patron, mijn voormalige buurman, een kus gaf, fluisterde ik: ´die fles rood zet je toch wel op de rekening hè.’
“Jamais de ma vie”, knipoogde hij, “maar het kan zijn dat het menu iets duurder uitvalt. En in de keuken kan een extra flesje mooi rood ook geen kwaad.”
Met een hartelijk ´à la prochaine´ namen we afscheid.
Ik was weer thuis.

Een rotzooiende relmuis

ma 13 augustus 2012

Vorige zomer werd ik nog knettergek van ze. Bijna geen nacht ging voorbij of er werd wel een uitbundig feestje op zolder gevierd, bij voorkeur pal boven de slaapkamer. Loirs, relmuizen. Ze slapen zeven maanden per jaar, van oktober tot mei, maar daarna halen ze de schade ruimschoots in. Vanzelfsprekend ’s nachts, en bij voorkeur middels een flinke partij pokkenherrie. En niets hielp om ze te verjagen. Gesloopt was ik, toen ik in oktober aan m’n eigen winterslaap kon beginnen.
Maar dit jaar is het nog steeds onwaarschijnlijk rustig op zolder. Ik begon al te geloven dat ze wellicht verhuisd waren. Tot gisterenavond. Een mooie avond, we aten buiten. En omdat dit de Provence is, begon de maaltijd laat en duurde lang. Bij de bosaardbeitjes toe, was er ineens geritsel hoog tussen de balken van de overkapping. En ja hoor, daar waren ze weer! Een tweetal slimme snuitjes tussen de dakpannen van het terras bekeek met onverholen nieuwsgierigheid de verrichtingen aan tafel. Ik besloot ze te negeren, ruimde de tafel af, zette Bach op en serveerde de koffie terwijl mijn echtgenoot de riante krantenoogst van de afgelopen dagen min of meer eerlijk verdeelde. Olympische Spelen, en een ‘facteuze’ die alleen bezorgt als het háár uitkomt; we hadden wat leeswerk in te halen en dit was er een aangename avond voor. Maar me echt concentreren lukte niet. De relmuizen bleven het gedoe daar beneden belangstellend gadeslaan, en zoiets voel je. Ik gluurde dus meer dan regelmatig omhoog om te zien of ze er nog zaten. Ze weken geen duimbreed. Eén van de twee begon zich zelfs op z’n gemakje te wassen, van spitsneus tot pluimstaart.
Bon, dan moesten ze het zelf maar weten: ik ging ze gewoon wegkijken. Na een partijtje over en weer staren begon er zowaar eentje een beetje te schuifelen, keek zijn metgezel nog eens aan en zette er vervolgens de sokken in. En toen zag ik het! Aan z’n staart. Dat wás geen relmuis! Dat was een bosmuis! De huisrelmuis ging vreemd met een ordinaire bosmuis. En nog een dikke ook: eentje die lang niet zo soepel en in de verste verte niet zo acrobatisch was als de slanke zevenslaper. Vandaar natuurlijk, dat ook die niet meer op de moeilijk toegankelijke kruipzolder woonde: zijn/haar geliefde kon daar onmogelijk komen. Ze moesten het doen met een liefdesnestje buitenshuis.
En nu maar hopen dat die verhouding nog een tijdje duurt, in elk geval tot oktober. Dan mag die overspelige loir wat mij betreft best weer op zolder winterslapen. Slápen dus. En in mei graag wegwezen! Rotzooien doe ie maar ergens anders.