Een routier ‘retrouvé’

schermafbeelding-2016-11-15-om-09-32-21

“ Vous avez reservé?”
“Bien oui, par email,” stamelde ik een beetje verbouwereerd terug tegen de deurpostbode die ons de toegang tot het minuscule maar zéér gereputeerde eethuisje met heel zijn magere lijf en leden meende te moeten versperren. Hij sommeerde ons te wachten terwijl hij de boeken ging inspecteren.
“Vous n’êtes pas sur la liste, désolé”, serveerde hij ons resoluut af terwijl hij al over onze hoofden heen speurde naar nieuwe slachtoffers. Ik kan een aardige portie hooghartig kijken als de omstandigheden daarom vragen, maar zíjn variant moet ik nog onder de knie zien te krijgen. De echtgenoot zag dat ik overwoog er een ‘zaak’ van te maken (hetgeen minstens tot enige stemverheffing geleid zou hebben een wellicht ook nog tot bloedvergieten als het naar mijn genoegen geëscaleerd zou zijn) en voerde me zachtjes aan de ellenboog af: “Niet doen, ’t is de moeite niet waard. We vinden wel een ander lunchadresje.”
Makkelijk gezegd, er was uitgerekend deze zondag een gewilde najaarsbrocante gaande in het stadje en de eethuisjes rondom het centrale marktplein puilden uit.
Rondjes rijden dan maar, in steeds grotere cirkels, tot we uiteindelijk ergens langs de randweg een beetje besmuikt weggestopt eethuisje vonden waarvan de parkeerplaats weliswaar vol stond met voornamelijk dikke 4×4’s, maar waar door het plastic van de terrasvoortent nog wel een leeg tafeltje zichtbaar leek.
Ik parkeerde zijn (inderdaad, zíjn) Fiat Panda op het geheel lege terrein van de mislukte winkelallée ertegenover, waar de 2-voor-1-bodemprijs matrassenboetiek in desolate treurigheid wedijverde met de schoenmaker die ook aan orthopedisch verantwoord maatschoeisel deed dat weleens door de verzekeraar vergoed zou kunnen worden, aldus de wervende tekst op de depressiebruin geverfde pui.
“Weten we dit wel zeker?” weifelde ik, naast de auto talmend.
“Nee”, zei de echtgenoot en stapte vastberaden op het plastic af.
Ik werd even opgehouden door een rolletje kat dat naast het toegangshek een dutje lag te doen op een polletje verdroogd gras, maar haastte me achter hem aan het deurplastic door, een met straalkacheltjes verwarmde ruimte in waar het klaterend gezellig bleek. En er “natuurlijk, vanzelfsprekend, en anders máken we wel een plekje” nog plaats voor ons was. Zo. Da’s nog eens binnenkomen.
Er zat jagersvolk dat joviaal de hand ophief. Ik heb het niet op jagersvolk, maar ik hief toch een lafhartig handje terug; lunchwapenstilstand.
We installeerden ons en ik keek eens goed om me heen. Schuin tegenover ons zat een ouder echtpaar zichtbaar genietend de zondag te vieren. Hij smakte met grote happen zijn duimdikke biefstuk frites naar binnen, zij zag het vergoeilijkend aan terwijl ze met muizenhapjes haar bordje pasta tot halfweg wegwerkte. Na het gedeelde toetje (fromage blanc) liepen ze gearmd naar de parkeerplaats en gaf zij hem dusdanige aanwijzingen bij het uitparkeren dat het toch nog bijna echtscheiding werd.
Een tafeltje verder meende ik Imca Marina te herkennen, maar toen ze in onvervalst Provençaals losbarstte bleek de overeenkomst niet verder te gaan dan het knalrode haar. Ze was er niet minder gezellig aanwezig om.
We bestelden. De waard op leeftijd was een van die mensen die nadrukkelijk in het verkeerde vak verzeild zijn geraakt en daar zonder reddingsboei ronddobberen. Hij noteerde, voor zich uit mompelend in het Italiaans. En zei “prego” toen hij de borden voor ons neer parkeerde. “Multo grazie”, zei ik volautomatisch terug; ik heb ook weleens in Rome voor een wegaanwijzing bedankt. Dat had ik beter niet kunnen doen, ik kreeg een Italodouche over me heen waarvan ik geen woord begreep. Nou, misschien twee, drie. Maar in het Frans vlotte het toch beter. Hij kwam uit Napoli, de liefde van z’n leven achterna gegaan. Die hadden we even tevoren uit de keuken zien komen; papieren haarnetje op de gerimpelde kop, dikberande bril voor, dunnig grijze haarvlecht achter, en een puik buikje vooruit. Hij ging even aan een buitentafeltje een ‘dampertje’ doen. Het rolletje kat rende hem onmiddellijk tegemoet en schurkte zich tevreden op z’n schoot tot hij z’n peuk weg piekte en beiden wisten dat de pauze voorbij was. De kat verdween in het struikgewas, de kok sjokte terug naar de keuken voor de afwas.
Na een laatste borreltje bij de koffie, waarvoor de waard en de kok allebei waren aangeschoven, “non non, c’est offert!” en het voldoen van de gereduceerde rekening, zagen we kok en kat samen over het smalle trottoir langs de randweg naar huis sjokken. De waard keek ze verlangend na. Maar ja, hij moest nog opruimen. Dat ging razendsnel. Nog voor we de plastic terrasdeur hadden bereikt was het 1000-dingendoekje al over bezwete stoelen en bemorste tafeltjes (in die volgorde) gehaald. Ik heb ooit een jaar huishoudschool gehad, maar dit deed ik hem niet na. “A la prochaine?” vroeg hij hoopvol ten afscheid.
“A la prochaine!”
Op weg naar huis klonk ‘Une belle histoire’ van Michel Fugain op Radio Nostalgie uit de niet-zo-luidspeakertjes.
“Nou weet ik waar dat eethuisje me aan doet denken!” wist de echtgenoot ineens. “Aan een klassieke routier, zo’n wegrestaurant waar je aan kon schuiven tussen de vrachtwagenchauffeurs. Als die er aten, wist je dat het goed was. Kom er nog maar eens om tegenwoordig.”
“Eh… volgens mij heb je er net gegeten.”
Hij knikte, stak een bolknak op (nou ja, zo noem ik een serieuze sigaar) en staarde intens tevreden uit het raampje. En ik dacht bij mezelf, niet voor het eerst en zeker niet voor het laatst: la vita e bella en Provence.

Kijk, Zuid-Frankrijk!

Een idee van Renée Vonk-Hagtingius, schrijver, journalist, copywriter, vertaler en hoofdredacteur van www.coteprovence.nl

17 gedachten over “Een routier ‘retrouvé’

Geef een reactie

%d bloggers liken dit: