De man met het mansbakje

sizedmg6182
Uit eten op het dorp met goede vrienden, altijd meer dan okay. En als ze nog een beetje ‘vers’ in de buurt zijn, willen ze vanzelfsprekend ook dat dorp zien waar je altijd over loopt op te scheppen. Het is een mooi gehucht, officieel geklasseerd als ‘un des plus beaux villages de France’ (klik en kijk). Een rondleiding dus, maar eerst even lunchen. Het werd een memorabele maaltijd, zo’n rijkelijk besproeide Provençaalse. Van half één tot ver na vieren, ook als was het maar een gewone woensdag. Met veel bijpraten en veel smakelijks op tafel, dat via mijn man voor een deel onder tafel verdween, want die vrienden hadden een lieve hond mee en mijn echtgenoot is van het uitdelen, althans als het om dieren gaat. Een vermaarde hond trouwens, die onder een literaire schuilnaam regelmatig figureert in de kolommen van het grootste Nederlandse dagblad. Mijn blafkezen zagen bij de kennismaking op ons eigen terras -waar we een eerste aperitiefje genoten- weinig tot niks in de beroemdste hondin van dat Oranjeland waar ze nooit geweest zijn. En nimmer naartoe hoeven. Er speelde wel even een Europees conflict in verband met het Iberisch schiereiland. Een van mijn honden is van origine een Portugese straatmadelief, de fameuze adoptie-Nederlandse een geboren Spaanse señora. En de relatie tussen die twee zuiderlijke naties is niet je dat, nooit geweest ook. Mijn Franse hond blafte tussenbeide en wist het dreigend conflict te sussen. Hij heet Fabius, niet toevallig dat de Franse minister van Buitenlandse Zaken zich ook zo noemt.
Bon, naar het dorp, voor die lunch. Het eigen gespuis bleef thuis, dat is niet zo van het restaurantbezoek.
Naarmate de maaltijd vorderde hield de roodkoperen flamengo-viervoeter het qua stiekem meesnoepen steeds vaker voor gezien. Misschien ook omdat ik -net zo stiekem- was mee gaan fourageren; het waren grote porties. Ik keek naar het kaasplateau dat voor mijn neus was neergezet. En dacht aan mijn moeder van wie mijn bordje altijd leeg moest, aan hongerende kindertjes in Afrika, aan verspilling. Schuld & boete drongen om voorrang, want dit ging ik nooit meer opeten. Ik slikte, twee keer voor de zekerheid, raapte mijn moed bij elkaar en vroeg om een doggybag. “Un qoi?” vroeg de tafelbediende ongelovig. Doggybags zijn hier op het dorp nog niet echt ingeburgerd.
“Een bakje, een zakje. Om het mee te nemen. Voor later, thuis.”
Met een meewarige blik overhandigde hij me even later een in plastic folie gewikkeld aluminium bakje. Het was na een kwart eeuw gedaan met mijn reputatie van Bourgondische ‘bonnevivante’ hier in mijn dorp.
We deden de rondleiding door het dorp. Dat is opgebouwd uit een wirwar van smalle, steil omhoog slingerende straatjes. Die het domein zijn van een respectabel aantal katten. Ik werd gewaarschuwd. De beroemdste hond van Nederland verandert in een Spaanse furie zodra een felis maniculata domestica meent dat het best verantwoord is even langs te paraderen. Zo’n ordinaire huiskat die geen idee heeft. Er vielen net geen slachtoffers.
We bereikten het ‘dak’ van het dorp, bewonderden het schitterende uitzicht vanaf het pleintje dat vernoemd is naar een legendarische wielrenner, die ik mijn vriend mocht noemen en die in ons dorp woonde en begraven ligt. Onze afdaling voerde langs het huis waar ooit een wereldwijd bewonderde kunstenaar woonde. Langs een expositie, de fraaie arcade onder het gemeentehuis, het straatje met de ‘trompe l’oeul’ die wel een heel pand beslaat en op straathoogte een levensechte geschilderd kattenluikje laat zien waaruit een kat tevoorschijn piept; de señora nam het niet serieus. En toen passeerden we de kerk. “Even binnen kijken”, zeiden de vrienden. Ik ging mee om de mooiste dingen aan te wijzen in het simpele Romaanse gebedshuis. Mijn man bleef op straat achter, met de Spaanse Kenau aan de riem en in zijn andere hand dat aluminiumbakje uit het restaurant.
De rondleiding duurde langer dan bedoeld. De man die ik op het muurtje naast de kerktrappen aantrof was de mijne niet meer. “Què voi?” vroeg ik nog vrolijk in het plaatselijke dialect. Hij hield het aluminium bakje met de inmiddels gesmolten kaas omhoog. Op het wikkelfolie lagen diverse muntstukken. “Toeristen”, verklaarde hij verbouwereerd, “ze dachten dat ik een bedelaar was, met zo’n orgeldraaiersmansbakje.” Een langs slenterend groepje vakantiegangers had hem ruimhartig in hun welvaart laten delen. Nou ja, ruimhartig….
“Niet eens papiergeld.”

Kijk, Zuid-Frankrijk!

Een idee van Renée Vonk-Hagtingius, schrijver, journalist, copywriter, vertaler en hoofdredacteur van www.coteprovence.nl

13 gedachten over “De man met het mansbakje

Geef een reactie

%d bloggers liken dit: