Het musje is gevlogen!

Weg. Zomaar ineens, van de ene dag op de andere. Het hele dorp is er nog steeds confuus van. Ik hoorde het van de Servische chef zelf, op de parkeerplaats onderaan het feodale château naast de boulesbaan. Hij stapte net zijn auto uit met wat vergeten boodschappen, die anders het Musje gedaan zou hebben. Ik maakte er een grapje over, hij vertelde me de treurige waarheid: “De kleine is weg, voorgoed. Hij wilde hier niet meer werken, hij ging naar de kust. Ik geloof een vriendje achterna.” Er klonk nog net geen snik in z’n stem, die ik hem trouwens niet kwalijk genomen zou hebben. Dit was niet alleen een doodklap voor het beste restaurantje annex pizzeria in het gehucht, dit was een ongekende terugslag voor het hele dorp.
Het Musje, zoals ik hem noemde, was een fenomeen. Ik heb hem leren kennen als de meest dociele, meest klantgerichte kelner die een restaurant zich maar kan wensen. Voor een karakterkijkje: klik hier. Niemand kon zich voorstellen dat hij er zomaar vandoor was gegaan. Binnen de kortste keren gonsden de geruchten door het dorp. Hij had foute vrienden gekregen, hij was aan de coke geraakt, hij had als gay in het dorp niet uit de kast durven komen… Alleen, er viél niets uit de kast te komen, iedereen wist het al. En niemand vond er wat van. En foute vrienden, drugs, niemand geloofde er wat van. Maar hij was wel weg. Niet alleen een raadsel, maar ook een zeer gemankeerde chef achterlatend. “Mwah, ik red me wel”, verzekerde hij me nog op de parkeerplaats, “doordeweeks met dat blonde meisje dat af en toe bijspringt in het hoogseizoen, die gaat het nu doen in de weekeinden.” Ze heeft het één weekend volgehouden.
Het dorp heeft het even aangezien. En toen besloten in te grijpen. De Serviër ligt hier goed. Oké, écht dorpeling word je nooit als de wieg van je overgrootouders hier niet al stond, maar ‘de notre’ kun je ook als ‘immigré’ wel degelijk worden; de Servische fornuisprins is ‘van ons’ en dus moet ie gered. Zoiets.
Daar was ik het van harte mee eens, dus legden we de volgende avond al aan voor een quattro formaggi, in de wetenschap dat die simpele pizza wel eens de hele avond zou kunnen opslokken, we vreesden wachttijden wegens géén Musje. Maar er was personeel in overvloed. De moeder van de tabagiste – die zo’n beetje de moeder van het hele dorp is – had de gemeenschap gemobiliseerd. Zij nam de orders op, op de hielen gevolgd door haar mislukte jachtlabrador Eros die er meteen maar een snuffelstage van maakte: hij rook zich enthousiast een weg van een willekeurig klantenkruis naar de keuken en weer terug. Wat niet door iedereen op prijs werd gesteld, maar wel getolereerd, hij is verder een hele lieve hond. Uitgeserveerd werd er door de tabagiste en de tabarabe. Dit verdient enige uitleg. De tabagiste is de uitbaatster van de tabac op het dorp die nogal riante sluitingstijden kent, dus ze heeft alle tijd om een centje bij te verdienen in de horeca. De tabarabe is haar vriend van Noord-Afrikaanse origine. Hij doet iets in de bouw, maar beknopt; meestentijds zit hij op een stoeltje voor de tabac. Ik heb geen idee hoe hij echt heet, maar ik ben nogal van de bijnamen en ik noem hem dus de ‘tabarabe’, tabak, moslim, baard, het zal wel niet netjes associëren zijn. En nu waren ze allemaal druk me het redderen op het vol bezette terras. Dat ging al snel mis. Lang wachten, maar de circusvoorstelling had ik voor geen goud willen missen. Verkeerde bestellingen aan verkeerde tafeltjes, luidkeels gekrakeel over wie er nou eigenlijk wat aan het doen was, teruggestuurde rekeningen waar niemand meer wijs uit kon, achter de handse grappen over de – inderdaad – forse bilpartij van de tabagiste, de hond die overal zijn snufferd in stak: geweldig totaaltheater. Soms klaterden de stemmen hoog op en verwachtte je een rel van jewelste. Maar nooit werd het echt serieus en ineens hoorde ik: “’Pour toi, Renée?”. Mijn pizza werd gebracht door een man die ik kon plaatsen: de echtgenoot van de dorpskapster die me soms bijknipt. Hij dus óók in de bediening en ik denk dat hij er talent voor heeft, maar dat terzijde. Ik wilde niet vragen hoe hij mijn voornaam kende, ik had nog nooit met ‘m gesproken, maar ik snapte: zo’n dorpje dus, waar je mekaar helpt als het nodig is. Eén ober foetsie, dan iedereen aan de bak!
Oké, ik mis het Musje. Maar ik vermoed dat ie zich voorlopig maar beter niet meer op het dorp kan laten zien.

Kijk, Zuid-Frankrijk!

Een idee van Renée Vonk-Hagtingius, schrijver, journalist, copywriter, vertaler en hoofdredacteur van www.coteprovence.nl

10 gedachten over “Het musje is gevlogen!

  • do 28 juni 2018 om 19:24
    Permalink

    Zalig! Elke week opnieuw kijk ik uit naar je column, bedankt. Ik kan me er zo in vinden, zo eenvoudig kan het leven zijn. Groetjes uit Vlaanderen

    Beantwoorden
    • do 28 juni 2018 om 20:53
      Permalink

      Meri Annick. Maar zo simpel is het leven hier niet hoor, als ineens het Musje is gevlogen. Wat een consternatie! Ik ga in elk geval proberen hem op te sporen…

      Beantwoorden
    • do 28 juni 2018 om 20:54
      Permalink

      Dank je wel Nieske. Blij dat je me nog volgt. Merci.

      Beantwoorden
  • do 28 juni 2018 om 20:04
    Permalink

    Wat een prachtig verhaal.
    Daarvoor moet je in Frankrijk zijn!
    Ik zie het helemaal voor me.
    Zo mooi beschreven!
    Ik wens de dorpsgenoten veel succes
    met hun spontane hulp!
    Er staat nog een druk zomer seizoen te wachten!

    Beantwoorden
    • do 28 juni 2018 om 20:55
      Permalink

      Ja, er moet nog heel wat solidariteit gemobiliseerd worden…

      Beantwoorden
    • do 28 juni 2018 om 20:56
      Permalink

      Nou Huib, daar zou ik weleens een foto van willen zien :-]

      Beantwoorden
      • do 28 juni 2018 om 20:58
        Permalink

        Te intiem :-)

      • do 28 juni 2018 om 21:05
        Permalink

        Dan laat ik de fantasie maar de vrije loop… ;-]

Geef een reactie

%d bloggers liken dit: